afdeling strafrecht parketnummer: 23-002308-19 datum uitspraak: 18 mei 2021 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 11 juni 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-263498-18 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982, thans gedetineerd in PI Utrecht - HvB locatie Nieuwegein te Nieuwegein. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 mei 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1.hij op of omstreeks 23 december 2018 te IJmuiden, gemeente Velsen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] en/of een of meer cafebezoekers opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] met een mes in de nek heeft gestoken en/of gesneden en/of een of meermalen met een mes (wild) zwaaiende en/of stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van de lichamen van die [slachtoffer] en/of een of meer andere cafebezoekers; terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; artikel 302/45 wetboek van strafrecht; 2.hij op of omstreeks 23 december 2018 te IJmuiden, gemeente Velsen opzettelijk en wederrechtelijk een groot deel van het meubilair en/of een ruit van de toegangsdeur van de [café], gevestigd aan de [adres], in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof gelet op de in hoger beroep aangevoerde verweren op andere gronden tot een bewezenverklaring komt. Bespreking bewijsverweer ten aanzien van feit 1 Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw betoogd dat (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer] ontbreekt hetgeen tot vrijspraak moet leiden. De verdachte heeft met zijn mes slechts een afwerende beweging gemaakt in de richting van [slachtoffer] waarbij deze werd geraakt op zijn kaak. Van deze handeling kan niet worden gezegd dat deze was gericht op de dood van [slachtoffer]. Ook het (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ontbreekt, hetgeen eveneens tot vrijspraak moet leiden. Het ontstane letsel bij het slachtoffer is gering geweest en de verdachte onttrok zich direct na de uithaal aan de situatie. Tegen deze achtergrond kan niet worden gezegd dat de verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard, aldus de raadsvrouw. Het hof overweegt op grond van de uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden als volgt. Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte hem een harde klap gaf tegen zijn hals aan de linkerzijkant en tegen de linkerzijkant van zijn kaak. De aangever zag vervolgens direct dat er veel bloed op zijn shirt druppelde en dat verdachte een mes vast hield. Uit de stukken in het dossier, waaronder de foto’s van het letsel van [slachtoffer], blijkt niet duidelijk of hij in de halsstreek of ter hoogte van de kaaklijn is geraakt. Wel is te zien dat sprake is van een kleine, gapende snij- of steekwond. Naar algemene ervaringsregels levert het slaan en/of het maken van stekende bewegingen met een mes waarbij iemand in het gezicht of de hals wordt geraakt, de aanmerkelijke kans op dat die persoon zwaar lichamelijk letsel oploopt: op die plaatsen bevinden zich immers kwetsbare en vitale lichaamsdelen, zoals de halsslagader. Er mag van geluk worden gesproken dat het slachtoffer alleen gering letsel heeft opgelopen. Het hof gaat ervan uit dat de verdachte door te handelen als voormeld bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het slachtoffer zwaar zou verwonden. Het daadwerkelijk ontstane letsel en het feit dat de verdachte zich direct zou hebben onttrokken aan de situatie – voor zover daarvan al sprake was – doet daaraan niet af. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1.hij op 23 december 2018 te IJmuiden, gemeente Velsen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] met een mes heeft gestoken of gesneden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2.hij op 23 december 2018 te IJmuiden, gemeente Velsen, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van de toegangsdeur van de [café], gevestigd aan de [adres], die aan een ander, te weten aan [benadeelde], toebehoorde, heeft vernield. Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte Bespreking van het beroep op noodweer(exces) De standpunten van de verdediging en het openbaar ministerie Namens de verdachte is aangevoerd dat hij ter zake van feit 1 moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij zich met succes kan beroepen op noodweer, dan wel noodweerexces. Een cafébezoeker had de verdachte bij de bar in zijn nek gepakt. Vervolgens werd de verdachte door [slachtoffer] bij zijn schouders gegrepen. Dit kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf, althans als een onmiddellijke dreiging daartoe, waartegen de verdachte zich mocht verdedigen, aldus de raadsvrouw. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep op noodweer nu er geen sprake was van een ogenblikkelijke aanranding van de verdachte. Van noodweerexces was evenmin sprake. Er bestond geen noodweersituatie en daarnaast is niet gebleken dat bij de verdachte sprake was van een hevige gemoedsbeweging. Het oordeel van het hof Voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) is onder meer vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van art. 41 van het Wetboek van Strafrecht. Hiervan is blijkens de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geen sprake. Op de camerabeelden is weliswaar te zien dat de verdachte door een van de cafébezoekers wordt benaderd waarbij deze mogelijk een beweging richting de nek van de verdachte maakt, maar hierin ziet het hof, anders dan de verdediging, geen wederrechtelijke aanranding. De verdachte kreeg blijkens verschillende getuigenverklaringen onenigheid met een lid van het barpersoneel over de betaling en werd door een bezoeker tot kalmte gemaand, waarop de verdachte vervolgens heftig reageerde. Deze gang van zaken vindt tevens steun in de ter zitting bekeken camerabeelden. Van een aanval waartegen de verdachte zich mocht verdedigen is geen sprake geweest, zodat het beroep op noodweer wordt verworpen. Reeds om deze reden faalt ook het beroep op noodweerexces. De inhoud van het dossier biedt geen aanknopingspunten voor het bestaan van een putatieve noodweersituatie. Reeds daarom verwerpt het hof eveneens het beroep op putatief noodweer(exces). Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Evenmin is een omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Kwalificatie Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: poging tot zware mishandeling. Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen. Oplegging van straf en maatregel De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank voor het in eerste aanleg onder 1 bewezenverklaarde de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege gelast. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden. Daarnaast heeft de advocaat-generaal oplegging van de maatregel tot terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege gevorderd voor het onder 1 tenlastegelegde. De raadsvrouw heeft verzocht geen TBS-maatregel op te leggen en te volstaan met de oplegging van een gevangenisstraf korter dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich in een café naar aanleiding van een kleinigheid waardoor hij zich verongelijkt voelde, onder invloed van (een aanzienlijke hoeveelheid) alcohol en cannabis, schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling, door een cafébezoeker met een mes te snijden of te steken. Aldus heeft hij buitengewoon disproportioneel en gewelddadig gereageerd. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de vernieling van de ruit van de voordeur van het café. Dit soort feiten zorgen voor veel angst en onrust binnen de samenleving. Daarbij komt dat dit niet de eerste keer is geweest dat de verdachte in verband met een geweldsdelict met politie en justitie in aanraking is gekomen. De justitiële documentatie van de verdachte laat een beeld zien van een langdurig patroon van agressie en geweld, waarbij de verdachte regelmatig is veroordeeld tot gevangenisstraffen van aanzienlijke duur. Zo is hij in juli 2016 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden voor een poging doodslag. Ook in 2012 is de verdachte veroordeeld voor een ernstig geweldsfeit, een zware mishandeling, tot een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Deze zware straffen in het verleden hebben hem er echter niet van weerhouden om de ten laste gelegde feiten te begaan. Gelet op de ernst van de feiten, met name van de poging tot zware mishandeling, is een gevangenisstraf op zijn plaats. Ten aanzien van de persoon van de verdachte en de op te leggen maatregel overweegt het hof voorts als volgt. Criteria voor de oplegging van een tbs-maatregel zijn als volgt. Er moet sprake zijn van: een door de rechter vastgestelde gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis ten tijde van het delict; één van de misdrijven als bedoeld in artikel 37a, lid 1 onder 1, van het Wetboek van Strafrecht; het gevaarscriterium: de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist het opleggen van de maatregel; twee gedragskundige rapportages van verschillende disciplines – waaronder een psychiater – opgemaakt binnen een jaar voor aanvang van het onderzoek ter terechtzitting. Met betrekking tot het eerste criterium overweegt het hof als volgt. De verdachte heeft meegewerkt aan de totstandkoming van rapporten van gedragsdeskundigen van 23 september en 7 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.