afdeling strafrecht parketnummer: 23-001896-20 datum uitspraak: 21 april 2021 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 2 september 2020 in de strafzaak onder parketnummer 13-072356-20 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 april 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1.hij op of omstreeks 10 december 2019 te Amsterdam de heer [benadeelde 1] en/of mevrouw [benadeelde 2] heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde 1]: - ( herhaaldelijk) met kracht, met twee handen, tegen de borst te duwen, als gevolg waarvan deze [benadeelde 1] (tegen zijn eigen voertuig) ten val is gekomen, en/of; - ( meermaals) met kracht te trappen tegen het lichaam, en/of; voornoemde [benadeelde 2]: - met kracht, met twee handen, tegen de borst te duwen, als gevolg waarvan deze [benadeelde 2] ten val is gekomen, en/of; - ( vervolgens) (meermaals) met kracht te trappen tegen het/de been/benen, althans het lichaam; 2.hij op of omstreeks 10 december 2019 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk de personenauto (gekentekend: [kenteken]), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de heer [benadeelde 1] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat de rechtbank in eerste aanleg verzuimd heeft de bewijsmiddelen uit te werken en het hof tot een andere bewezenverklaring komt. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1.hij op 10 december 2019 te Amsterdam de heer [benadeelde 1] en mevrouw [benadeelde 2] heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde 1]: -herhaaldelijk met kracht, met twee handen, tegen de borst te duwen, als gevolg waarvan deze [benadeelde 1] tegen zijn eigen voertuig ten val is gekomen en -met kracht te trappen tegen het lichaam en voornoemde [benadeelde 2] - met kracht te trappen tegen de benen. 2.hij op 10 december 2019 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk de personenauto (gekentekend: [kenteken]) die aan de heer [benadeelde 1] toebehoorde heeft beschadigd. Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: mishandeling, meermalen gepleegd. Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen. Strafbaarheid van de verdachte Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis waarvan 60 uren voorwaardelijk subsidiair 30 dagen hechtenis met een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg is opgelegd. De raadsman heeft verzocht artikel 9a van het wetboek van Strafrecht toe te passen. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich na een verkeersincident op de openbare weg schuldig gemaakt aan mishandeling. Door dit handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers die letsel en pijn hebben ondervonden. Naast de gevolgen voor de slachtoffers, draagt een dergelijke gedraging bij aan gevoelens van onveiligheid onder weggebruikers en omstanders in het algemeen. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan beschadiging van de auto van een der slachtoffers. Als een gevolg van de mishandeling is deze tegen zijn auto gevallen, waardoor deze is beschadigd. Door zo te handelen heeft de verdachte geen enkel respect getoond voor het eigendom van dat slachtoffer en heeft hij hem schade en overlast veroorzaakt. Deze feiten rechtvaardigen in beginsel ten minste een onvoorwaardelijke taakstraf van substantiële duur. De door de raadsman bepleite toepassing van artikel 9a Sr doet naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de ernst van de feiten. In het voordeel van de verdachte weegt het hof evenwel mee dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 maart 2021 sinds 2007 niet meer in aanraking is geweest met politie en justitie. De verdachte heeft in het verleden gekampt met een hardnekkige verslaving aan drugs, maar hij heeft daarna positieve ontwikkelingen doorgemaakt. Hij heeft zijn verslaving aangepakt en werkt als [baan]. Het hof zal om die reden de taakstraf gedeeltelijk in een voorwaardelijke vorm gieten. Hiermee wil het hof enerzijds de ernst van de feiten benadrukken en beoogt het de verdachte anderzijds te doordringen van de noodzaak zich in de toekomst verre te houden van het plegen van strafbare feiten en hem te stimuleren om op het door hem ingeslagen goede pad te blijven. Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] De benadeelde partij heeft zich, conform het bepaalde in artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.160,54, bestaande uit €2.010,54 aan materiële schade en €1.150,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.350,00, bestaande uit €750,00 aan materiële schade en €600,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij toegewezen dient te worden tot €2.150,00, bestaande uit €1.000,00 aan materiële schade en €1.150,00 aan immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente. Voor de toegewezen schade dient tevens de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd. De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij betwist en heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van €1.000,00 aan materiële schade en €1.000,00 aan immateriële schade. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Met betrekking tot de materiële schade overweegt het hof dat zonder nader onderzoek, waarvoor in het kader van de behandeling van deze strafzaak geen plaats is nu dit een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren, op grond van de door de benadeelde partij aangeleverde factuur de omvang van de materiële schade niet nauwkeurig genoeg vastgesteld kan worden. Het hof zal de omvang van de materiële schade op voet van het bepaalde in artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek schatten op €1.000,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.