afdeling strafrecht parketnummer: 23-002661-20 datum uitspraak: 11 maart 2021 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 19 november 2020 in de strafzaak onder parketnummer 15-285044-20 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 2002, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 februari 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 9 november 2020 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer een reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een nationaal paspoort van Israël, voorzien van het nummer [nummer], naam was gesteld van [naam], waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze vals of vervalst was, heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman verklaard dat zijn cliënt een asielaanvraag heeft ingediend met een beroep op het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (hierna: het Vluchtelingenverdrag) en dat de asielprocedure nog steeds loopt. Het hof heeft uit de toelichting van de raadsman het volgende begrepen. De verdachte beoogde aanvankelijk asiel in het Verenigd Koninkrijk aan te vragen. De verdachte was bij zijn aanhouding in Nederland nog op doorreis en vanwege de beperkingen voortkomende uit het Dublinverdrag was hem ingeprent pas in het beoogde land van eindbestemming, in het Verenigd Koninkrijk, asiel aan te vragen en niet onderweg. Naderhand heeft de verdachte, kennelijk toen hij zijn situatie in detentie in Nederland kon overzien, alsnog een asielaanvraag ingediend in Nederland en de te ontvluchten situatie in Turkije toegelicht. De doorreis en het bezit van het ten laste gelegde paspoort hield verband met de vlucht uit Turkije. De raadsman heeft vanwege de lopende asielprocedure de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging bepleit. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de raadsman dient te worden verworpen nu de asielaanvraag niet onverwijld is ingediend en de verdachte Nederland niet wilde inreizen, maar juist wilde uitreizen. Het hof overweegt als volgt. Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de mededelingen van de raadsman – die steun vinden in de door hem overgelegde stukken – dat ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep sprake is van een nog lopende asielprocedure volgend op een door de verdachte, die als vreemdeling moet worden aangemerkt, gedane eerste asielverzoek, welk verzoek verband houdt met de reis waarop de tenlastelegging ziet. De verdachte wordt vervolgd voor overtreding van het bepaalde in artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), vanwege het valse paspoort dat hij in het kader van die reis door Nederland, met als eindbestemming het Verenigd Koninkrijk, in zijn bezit had. Uit de strekking van artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag vloeit voort dat het openbaar ministerie in de op artikel 231 Sr gebaseerde vervolging van een verdachte die vreemdeling is en zich tegen de beschuldiging verweert met een beroep op de bescherming die deze verdragsbepaling beoogt te bieden, slechts dan ontvankelijk is indien onverwijld en zonder nader onderzoek door de strafrechter kan worden vastgesteld dat de stelling van de vreemdeling, dat hij een vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag, ongegrond is. Dat volgt uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, waaronder Hoge Raad 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9266 en HR 3 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1304 en HR 21 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.