afdeling strafrecht parketnummer: 23-002234-20 datum uitspraak: 25 mei 2021 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 24 september 2020 in de strafzaak onder de parketnummers 13-042364-20 en 13-113378-19 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 2001, [adres 1] , thans uit anderen hoofde gedetineerd in Forensisch Centrum Teylingereind te Sassenheim. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 februari 2021 en 11 mei 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 21 juli 2019 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een of meer goederen uit de woning aan de [adres 2] , in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan de heer [benadeelde] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, door de ruit van de voordeur in te slaan, althans te vernielen en/of (trachtten) de klink van de deur van binnenuit te openen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 21 juli 2019 te Eindhoven opzettelijk en wederrechtelijk de ruit van de voordeur van de woning aan de [adres 2] , in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de heer [benadeelde] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, om proceseconomische redenen, nu het hof weliswaar tot dezelfde bewezenverklaring komt als de rechter in eerste aanleg, maar de bewijsoverweging en bewijsmiddelen aanpassing behoeven en het hof ook overigens tot andere beslissingen komt, zodat het partieel bevestigen van het vonnis een te weinig overzichtelijk samenstel aan beslissingen en motiveringen zou genereren. Bewijsoverweging De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting het hof verzocht de verdachte vrij te spreken van hetgeen hem primair ten laste is gelegd. Niet kan worden vastgesteld dat het bloed op de deurklink is veroorzaakt door een poging van de verdachte de deur te openen. Zelfs indien wel sprake zou zijn van een greepspoor is geen sprake van (voorwaardelijk) opzet op het wegnemen van enig goed uit de woning. Het hof stelt vast dat de verdachte heeft bekend dat hij de ruit heeft ingeslagen. Verder staat vast dat op de deurklink aan de binnenkant van de deur bloed van de verdachte is aangetroffen. Het hof concludeert hieruit dat de verdachte, nadat hij de ruit van de deur had ingeslagen, zijn hand door het ontstane gat heeft gestoken en de deurklink heeft vastgepakt. Het hof is van oordeel dat deze gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden geacht te zijn gericht op voltooiing van een diefstal met braak in de woning en aldus een poging tot dat misdrijf opleveren. Desgevraagd heeft de verdachte geen enkele plausibele alternatieve verklaring gegeven voor de aanwezigheid van zijn bloed op de deurklink aan de binnenzijde van de deur. Dat de verdachte, zoals hij heeft verklaard, de ruit heeft ingeslagen in het kader van het spel ‘doen, durven of de waarheid’ en daarbij gewond is geraakt acht het hof gelet op het voorgaande niet geloofwaardig. Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot woninginbraak. Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: primairhij op 21 juli 2019 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een of meerdere goederen uit de woning aan de [adres 2] , in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan de heer [benadeelde] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, door de ruit van de voordeur in te slaan en te trachten de klink van de deur van binnenuit te openen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het primair bewezenverklaarde levert op: poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak. Strafbaarheid van de verdachte Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De kinderrechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren, met algemene en bijzondere voorwaarden, te weten het verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten Multipluszorg, en zich houden aan het programma dat deze instelling in overleg met de William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (WSS) heeft opgesteld. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren, met algemene en bijzondere voorwaarden, te weten het meewerken aan begeleiding door de WSS, waaronder begrepen ambulante behandeling. De raadsvrouw heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep verzocht te volstaan met het opleggen van een geheel voorwaardelijke straf zoals gevorderd door de advocaat-generaal, waarbij ambulante behandeling slechts dan aan de orde kan zijn indien geïndiceerd door de WSS. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft geprobeerd in te breken in een woning. Daartoe heeft hij een ruit in de voordeur van de betreffende woning ingeslagen waarna hij heeft geprobeerd deze deur via het ontstane gat in de ruit te openen. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de bewoner van de woning en hem schade en overlast bezorgd. Daarnaast brengen woninginbraken en pogingen daartoe gevoelens van onveiligheid met zich mee, zowel bij het directe slachtoffer als in de maatschappij. Het hof heeft gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd en waarvan de oplegging haar weerslag heeft gevonden in de oriëntatiepunten van het LOVS. Daarin wordt voor een inbraak in een woning voor een first offender een taakstraf van 120 uren dan wel dienovereenkomstige jeugddetentie genoemd. Het hof heeft tevens kennis genomen van de Pro Justitia rapportages, opgesteld door respectievelijk [naam 4], kinder- en jeugdpsychiater, van 20 februari 2021 en door [naam 1] , GZ-psycholoog, van 12 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.