Afdeling strafrecht Parketnummer: 23-001556-18 Datum uitspraak: 26 januari 2021 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 17 april 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-870140-17 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Afghanistan) op [geboortedag] 1971, adres: [adres 1]. Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep De verdachte is door rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van het onder feit 3 en 4 ten laste gelegde. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 januari 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en zal dit derhalve bevestigen – met dien verstande dat het hof de gronden zal wijzigen, dan wel aanvullen – behalve ten aanzien van de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Feiten 1 en 2 Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte nieuwe stukken overgelegd teneinde te onderbouwen dat hij van 28 december 2016 tot en met 2 januari 2017 met de auto van zijn zoon een familielid van zijn vrouw in [plaats 1] heeft opgezocht, daar één nacht heeft verbleven en vervolgens weer naar Nederland is gereden en hij in genoemde periode dus niet in Nederland was. De verklaring van de getuige [getuige] is dus onbetrouwbaar. De overgelegde bonnetjes betreffen allerlei kosten, maar nergens blijkt uit dat die door de verdachte zijn gemaakt. Verder heeft de verdachte verklaard dat hij vanuit Nederland heen en weer is gereden naar [plaats 1], uitsluitend voor een bezoek aan een familielid van zijn vrouw. Onder de door de verdachte overgelegde stukken bevindt zich echter ook een bonnetje van een restaurant gesitueerd in [plaats 2], een plaats vlak bij de Oostenrijk-Hongaarse grens. Deze plaats ligt ver af van de route van Nederland naar [plaats 1] v.v. Verder is onduidelijk hoe de verkeersboete ter zake waarvan een bekeuring is overgelegd op de naam van de verdachte kan staan, terwijl hij zelf heeft verklaard dat hij in de auto van zijn zoon reed en ten tijde van de overtreding niet is aangehouden. Al met al onderbouwen de overgelegde stukken de stelling van de verdachte op dit punt niet, althans onvoldoende. Ten overvloede geldt nog dat ook overigens de nieuwe stukken nog steeds de mogelijkheid openlaten dat de gang van zaken is geweest zoals door getuige [getuige] verklaard. Het hof houdt daar dan ook met de rechtbank aan vast. Feit 5 Het hof vervangt de bewijsoverweging van de rechtbank op pagina 13 onder het kopje ‘kennelijk leugenachtige verklaring’ door de onderstaande overweging: Betrouwbaarheid verklaring verdachte De verklaring van de verdachte met betrekking tot container [nummer 1], inhoudende dat hij op 30 maart 2017 200 lege flessen heeft gekocht en hiermee naar Hamburg is gereden om deze daar door te verkopen voor € 150,00, waarna hij diezelfde dag weer zou zijn teruggereden, is ongeloofwaardig. De verdachte heeft, nadat hij ter terechtzitting in eerste aanleg is geconfronteerd met de desbetreffende door de rechtbank in het vonnis weergegeven bewijsmiddelen – waaruit volgt dat hij tot 2 april 2017 in Hamburg moet zijn gebleven – daar niets tegenover gesteld maar eenvoudigweg in deze verklaring, die niet kan kloppen, volhard. De verdachte heeft daarbij overigens evenmin een verklaring gegeven voor het kort daarop door hem gevoerde telefoongesprek waarin hij kort gezegd aangeeft "het werk binnen drie dagen zonder angst te hebben weten te regelen" waarbij het om ''flessen" ging. Bij gebreke van een andere, geloofwaardige verklaring voor vorengenoemde omstandigheden gaat het hof er van uit dat de verdachte tussen 30 maart 2017 en 2 april 2017 de door hem gekochte flessen (met/door anderen) met azijnzuuranhydride heeft gevuld/laten vullen, deze in auto-onderdelen heeft verstopt of laten verstoppen en heeft verpakt of laten verpakken en deze nadien zelf of door anderen in de container [nummer 1] heeft gestopt of laten stoppen. Wet voorkoming misbruik chemicaliën Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen ‘marktdeelnemer’ was in de zin van Verordening 237/2004, aangezien deze Verordening uitsluitend bedoeld is voor het in de handel brengen van stoffen in de EU, terwijl het in deze zaak juist de bedoeling was het een en ander buiten de EU te brengen. De verdachte moet dus van het tweede deel van feit 5 worden vrijgesproken. De raadsman heeft verwezen naar de definities van de begrippen ‘marktdeelnemer’ en ‘in de handel brengen’ die zijn opgenomen in de Verordening 273/
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.