GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.270.650/01 zaak- en rolnummers rechtbank Amsterdam : C/13/484759/HA ZA 11-752 en C/13/610902 / HA ZA 16-643 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 juni 2021 inzake [appellant] , wonend te [woonplaats] , appellant, advocaat: mr. M.G. Jansen te Haarlem, tegen [X] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, advocaat: mr. M.C.M. van Ruitenbeek-Kossen te Haarlem. Partijen worden hierna [appellant] en [X BV] genoemd. 1De zaak in het kort In 2010 is op het bedrijfsterrein van [X BV] schade ontstaan bij een manoeuvre met een zware printer waarbij [appellant] betrokken was als heftruckchauffeur. De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld tot schadevergoeding. In dit hoger beroep zijn diverse procesrechtelijke kwesties aan de orde. In een eerder arrest heeft het hof geoordeeld dat niet gezegd kan worden dat de schade mede het gevolg is geweest van een aan [X BV] toe te rekenen omstandigheid. Het hof wijst nu een tussenarrest waarin het aankondigt te zullen onderzoeken of het van dit oordeel dient terug te komen. Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over diverse hypothetische situaties die verband houden met de uitgevoerde manoeuvre. 2Het geding in hoger beroep [appellant] is bij dagvaarding van 4 oktober 2018 in hoger beroep gekomen tegen vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 16 november 2011, 14 november 2012 en 6 maart 2013, onder zaak- en rolnummer C/13/484759/HA ZA 11-752 gewezen, en van 4 juli 2018, onder zaak- en rolnummer C/13/610902 / HA ZA 16-643 gewezen tussen [X BV] als eiseres en [appellant] als gedaagde (en Handelsonderneming [Y] B.V. (hierna: [Y] BV) als medegedaagde). Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties; - memorie van antwoord, met producties. Het hoger beroep is mondeling behandeld op 11 maart 2021. Bij die gelegenheid hebben partijen hun standpunten doen toelichten, [appellant] door mr. Jansen voornoemd, advocaat te Amsterdam, en [X BV] door mrs. L. van Leeuwen en J.J. van Deventer, advocaten te Haarlem, ieder aan de hand van pleitnotities waarvan exemplaren zijn overgelegd. [X BV] heeft nog een productie in het geding gebracht. Het hoger beroep werd gelijktijdig behandeld met dat van [naam echtgenote appellant] (de echtgenote van [appellant] ) in haar zaak tegen [X BV] , zaaknummer 200.270.654/01. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellant] heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en de vorderingen van [X BV] alsnog zal afwijzen en [X BV] zal veroordelen – uitvoerbaar bij voorraad – tot terugbetaling van hetgeen [appellant] ter voldoening aan het bestreden eindvonnis aan [X BV] heeft betaald, met rente en met veroordeling van [X BV] in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente. [X BV] heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal bekrachtigen, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van [appellant] in de werkelijke, redelijke en evenredige kosten van het hoger beroep en de (proces)kosten in eerste aanleg, althans in de (proces)kosten van beide instanties. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 3Feiten De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 16 november 2011 onder 2.1 tot en met 2.8 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In deze zaak heeft de rechtbank niet alleen de thans bestreden vonnissen gewezen, maar ook een tussenvonnis op 11 februari 2015. Daartegen heeft [appellant] tussentijds appel ingesteld. Dat heeft geleid tot een arrest van dit hof van 24 oktober 2017, zaaknummer 200.169.472/01 (hierna: het tussenarrest). In het tussenarrest heeft het hof de feitenopsomming die de rechtbank in haar tussenvonnis van 16 november 2011 onder 2.1-2.8 had vastgesteld, samengevat en aangevuld met andere vaststaande feiten. Deze feiten, zoals aangevuld en samengevat, zijn in dit hoger beroep niet in geschil en dienen het hof ook thans tot uitgangspunt. (Opnieuw) samengevat en aangevuld met andere vaststaande feiten komen de feiten op het volgende neer. 3.1 Op 16 december 2010 is op het bedrijfsterrein van [X BV] te [vestigingsplaats] , gemeente […] , schade ontstaan bij een manoeuvre met een zware printer waarbij [appellant] betrokken was als heftruckchauffeur. 3.2 De toedracht was als volgt. De printer zat in een kist (of bekisting) in een container. De container was op een vrachtwagen geladen. [appellant] bediende een 7-tons heftruck. Op de kist was met zwarte letters de aanduiding “do not fork this side” aangebracht in combinatie met een plaatje van een heftruck met een verbodsteken. Aan de zijde waarop die aanduiding was aangebracht, heeft [appellant] , nadat hij de kist gedeeltelijk uit de container had gesleept en het uit de container gesleepte uiteinde van de kist op pallets had geplaatst, de lepels van de heftruck ingepikt en de kist opgetild. De kist is vervolgens van de heftruck gegleden en tegen het bedrijfspand van [X BV] gevallen. Eerder was de kist bij het tillen uit de container al gaan overhellen naar het bedrijfspand. Daarop had [appellant] houten balken op de lepels gelegd om overhellen te voorkomen. 3.2 [naam werknemer vlaggendrukkerij] (hierna: [weknemer vlaggendrukkerij] ) was werkzaam bij Vlaggendrukkerij [Z] & Zoon B.V., een aan [X BV] gelieerde vennootschap (hierna: [de vlaggendrukkerij] ). In een schriftelijke verklaring van 22 december 2010 van [weknemer vlaggendrukkerij] staat onder meer: “Ik had gevraagd om een heftruck met een tilvermogen van 7 ton. Ik heb gecontroleerd dat de lading (printer) 3855 kg woog, en de bekisting ongeveer 1300 kg woog. Het vermogen van de heftruck was ruim toereikend en dat vond ook de heftruckchauffeur.” Volgens een rapport van Etas van 27 juni 2011 zijn de verpakking en de printer op 23 juni 2011 gewogen met als resultaat: “Gewicht van de verpakking, gecorrigeerd voor toename vocht : 1.480 kg netto Gewicht van de printer : 4.560 kg netto Totaal gewicht : 6.040 kg netto De bijbehorende weegbonnen (1.580 kg voor de verpakking zonder correctie, 4.560 kg voor de printer) zijn in het geding gebracht. 4Beoordeling 4.1 In dit geding heeft [X BV] bij inleidende dagvaarding van 17 februari 2011 vorderingen ingesteld tegen [appellant] en tegen [Y] BV. Met betrekking tot [appellant] heeft zij gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat [appellant] onrechtmatig jegens [X BV] heeft gehandeld, als gevolg waarvan [X BV] schade heeft geleden en nog lijdt, waarvoor [appellant] aansprakelijk is, en veroordeling van [appellant] tot schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. 4.2 Bij tussenvonnis van 16 november 2011 heeft de rechtbank onder meer overwogen: “5.3 De rechtbank is van oordeel dat [appellant] bij het verplaatsen van de bekisting met printer niet de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die van hem als professioneel vorkheftruckchauffeur mocht worden verwacht. Van een dergelijke professional mag immers worden verwacht dat hij de bekisting met printer had gecontroleerd voordat hij deze uit de vrachtwagen zou gaan tillen. Als onbetwist staat vast dat [appellant] dit niet heeft gedaan. Had hij dat wel gedaan, dan zou hij de mededeling “do not fork this side” die op de bekisting was aangebracht immers niet over het hoofd hebben gezien. Dat [appellant] dit heeft nagelaten, kan hij niet afwentelen op [X BV] door te stellen dat een en ander is gebeurd onder toeziend oog en tenminste stilzwijgende goedkeuring van de medewerkers van [X BV] . Zulks ontslaat immers [appellant] ‒ die als professioneel heftruckbestuurder speciaal voor het uit de container halen en verplaatsen van de kist met printer door [X BV] was ingeschakeld ‒ niet van zijn eigen verplichting alle zorgvuldigheid in acht te nemen. Dit geldt te meer nu [appellant] door het eerder overhellen van de kist al was gewaarschuwd althans dit had moeten zijn. 5.4 Dat de door [appellant] c.s. ingeschakelde expert, Etas , tot de conclusie komt dat de val van de bekisting met de printer niet te wijten is aan het liften aan de kant van de tekst “do not fork this side” is zonder nadere toelichting ‒ die ontbreekt ‒ niet te volgen. Een en ander zou impliceren dat de aanduiding “do not fork this side” geen enkel doel diende, wat niet logisch voorkomt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [appellant] c.s. onvoldoende gemotiveerd verweer gevoerd tegen hetgeen de door [X BV] ingeschakelde expert Cunningham Lindsey in haar rapport heeft geconcludeerd, namelijk dat de reden van het kantelen van de kist is gelegen in een excentrisch zwaartepunt waarvoor de aanduiding “do not fork this side” nu juist waarschuwde. Voorzover Etas het vallen van de bekisting met printer verklaard heeft doordat de printer in de bekisting bij het lossen niet heeft vastgestaan, heeft te gelden dat Etas deze conclusie niet baseert op eigen onderzoek, aangezien zij tevens concludeert: “Wij hebben overigens nog altijd geen zekerheid of de printer op de juiste manier in de kist was gezet aangezien [de vlaggendrukkerij] ons niet heeft voorzien van het dwarsscheepse zwaartepunt.” Ook de conclusie van Etas dat de printer in de kist bij het lossen niet heeft vastgestaan, waardoor deze mogelijk tijdens het zakken in de kist is gaan schuiven, kan dan ook onvoldoende gewicht in de schaal leggen om hetgeen Cunningham Lindsey als oorzaak van het vallen van de bekisting met printer heeft aangeduid te weerleggen. 5.5 Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat [appellant] verwijtbaar onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld bij het uitladen van de bekisting met printer. Voorzover [appellant] c.s. zich hebben beroepen op eigen schuld aan de zijde van [X BV] omdat de printer niet op deugdelijke wijze zou zijn verpakt en met name bekist, heeft te gelden dat dit verweer faalt nu dit ‒ gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen met betrekking tot het rapport van Etas ‒ onvoldoende is gemotiveerd en onderbouwd. 5.6 Voorzover [appellant] c.s. haar beroep op eigen schuld aan de zijde van [X BV] baseert op het feit dat de bekisting en printer zwaarder bleken te zijn dan door [weknemer vlaggendrukkerij] aan [Y] B.V. was opgegeven, geldt het volgende. Dat de bekisting met printer aanzienlijk zwaarder was, in totaal 6.040 kg in plaats van de door [weknemer vlaggendrukkerij] opgegeven 5.000 kg, wordt door [X BV] niet betwist en staat derhalve vast. (…) [appellant] c.s. [zal] in de gelegenheid worden gesteld zich (…) uit te laten over de mogelijkheden om bewijs te leveren van haar stelling dat de verleende informatie de val van de bekisting met printer mede heeft veroorzaakt, gelet op het zwaartepunt van een meter gezien de breedte van de bekisting van circa twee meter, zoals zij heeft betoogd en door [X BV] is betwist. Tevens zal [appellant] c.s. bij deze gelegenheid eventuele schriftelijke bewijsstukken in het geding kunnen brengen. Nu [appellant] c.s. zich beroept op de rechtsgevolgen van genoemde stelling, rust de bewijslast dienaangaande op haar.” 4.3 Nadat in opdracht van de rechtbank een deskundigenbericht was uitgebracht, heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 11 februari 2015 onder meer overwogen: “2.6 De rechtbank stelt voorop dat (…) in het tussenvonnis van 16 november 2011 reeds is geoordeeld dat in deze procedure vaststaat dat de reden van het kantelen van de kist is gelegen in een excentrisch zwaartepunt waarvoor de aanduiding “do not fork this side” nu juist waarschuwde. De deskundige is bij beantwoording van de eerste vraag blijkens zijn rapport echter uitgegaan van een zwaartepunt in het midden van de breedte van de kist en derhalve niet van een excentrisch zwaartepunt. In het kader van de tweede vraag geeft de deskundige aan dat indien het zwaartepunt niet in het midden van de kist zou hebben gelegen, het maximale hefvermogen van de vorkheftruck daalt naar minder dan 5.000 kilogram. In het licht van deze antwoorden is de rechtbank van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat de gebruikte heftruck onvoldoende hefvermogen had om de kist met daarin de printer te heffen, zelfs in het geval de last slechts 5.000 kilogram zou hebben gewogen. Dit betekent dat het beroep op eigen schuld van [appellant] c.s. niet opgaat. Immers zou ‒ gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ‒ het ook mis zijn gegaan indien de kist de opgegeven 5.000 kilogram zou hebben gewogen. (…) 2.7 Nu het beroep op eigen schuld faalt komt de rechtbank toe aan het begroten van de schade. Zoals reeds bij tussenvonnis van 6 maart 2013 is overwogen zal de rechtbank de schade in deze procedure begroten (…).” 4.4 Tegen het tussenvonnis van 11 februari 2015 zijn [appellant] en [Y] BV in tussentijds appel gegaan. Dit heeft geleid tot het tussenarrest. Bij dat arrest heeft het hof het tussenvonnis van 11 februari 2015 bekrachtigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank. In het tussenarrest heeft het hof onder meer overwogen: “3.4.1 Het beroep van [appellant] c.s. richt zich uitsluitend tegen het oordeel dat de rechtbank heeft verbonden aan het deskundigenbericht, een en ander als weergegeven in (…) rechtsoverweging 2.6 van het tussenvonnis van 11 februari 2015. De grief betoogt meer in het bijzonder dat de deskundige bij de berekening van het hefvermogen van de heftruck ten onrechte een aan de printer toegedicht excentrisch zwaartepunt ook heeft toegedicht aan de bekisting als zodanig. Gaat men echter uit van de redelijkerwijs aan te nemen afwezigheid van een excentrisch zwaartepunt van de bekisting als zodanig, dan is in de visie van [appellant] c.s. het hefvermogen van de heftruck zelfs in de meest ongunstige situatie dat de printer in de kist geheel verschoven zou zijn naar een kant nog immer voldoende om de printer met kist (veilig en verantwoord) te kunnen tillen, uitgaande van het door [X BV] opgegeven gewicht van 5000 kg. Dat de printer overigens een excentrisch zwaartepunt kent is niet dadelijk aannemelijk. Zeer onaannemelijk is dat de machine én een excentrisch zwaartepunt had én bovendien niet midden in de kist zou hebben gestaan. In dat geval zou overigens niet goed gestuwd zijn en dat is een omstandigheid die in de onderlinge verhouding tussen [appellant] c.s. en [X BV] voor rekening van de laatste dient te komen, aldus [appellant] c.s. 3.4.2 De stelling dat het eigen gewicht van de kist niet mee begrepen dient te worden in het totaal aan te nemen excentrisch gewicht komt het hof niet onjuist voor, maar enkel dat gegeven leidt niet tot een vernietiging van het bestreden vonnis. Daartoe overweegt het hof het volgende. Ter discussie staat blijkens de opgeworpen grief uitsluitend de vraag of [appellant] c.s. terecht een beroep kunnen doen op eigen schuld van [X BV] in het licht van het eerder gegeven oordeel dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld. De vraag naar de eigen schuld van [X BV] heeft zich gezien de vraagstelling aan de deskundige vooralsnog geconcentreerd op het hefvermogen van de door [appellant] gebruikte vorkheftruck tegen de achtergrond van aan [X BV] toe te rekenen onjuiste mededelingen omtrent het gewicht van kist en printer tezamen. De gedachte hierachter is dat ingeval de heftruck te licht van capaciteit was om het werkelijke gewicht te tillen, [X BV] eigen schuld heeft aan de door haar geleden schade, zodat hiermee bij de omvang van de vergoedingsplicht van die schade op grond van artikel 6:101 BW rekening dient te worden gehouden in de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot die schade hebben bijgedragen. Uit de vaststaande omstandigheden kan in dit verband het volgende worden afgeleid. Op zich is juist dat het door [de vlaggendrukkerij] aan [appellant] c.s. opgegeven gewicht van printer en kist te tezamen (5.155
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.