GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.287.175/01 zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/690141 / KG ZA 20-852 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 13 juli 2021 inzake ABN AMRO BANK N.V., gevestigd te Amsterdam, appellante, advocaat: mr. A.L. Bremmer te Amsterdam, tegen [geïntimeerde] , vertegenwoordigd door zijn wettelijke vertegenwoordiger [wettelijke vertegenwoordiger] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, niet verschenen. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna ABN AMRO en [geïntimeerde] genoemd. ABN AMRO is bij dagvaarding van 4 december 2020 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) van 9 november 2020, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en ABN AMRO als gedaagde. Tegen [geïntimeerde] is verstek verleend. ABN AMRO heeft daarna een memorie van grieven ingediend en arrest gevraagd. ABN AMRO heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen, met uitzondering van rechtsoverwegingen 4.3 tot en met 4.6 en 4.12 voor zover het oordeel betrekking heeft op [geïntimeerde] ’s vordering tot herstel van de bankrelatie, en ‒ uitvoerbaar bij voorraad ‒ haar vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten. ABN AMRO heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden. 2Feiten De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1-2.13 de feiten opgesomd die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Voor zover deze feiten in hoger beroep niet in geschil zijn, dienen zij ook het hof tot uitgangspunt. Samengevat en aangevuld met andere vaststaande feiten komen de feiten op het volgende neer. 2.1 [geïntimeerde] is geboren op [geboortedatum] (thans 16 jaar oud ) en had een Jongerengroeirekening bij ABN AMRO. Deze betaalrekening had [geïntimeerde] sinds augustus 2012 en aan de betaalrekening was een betaalpas gekoppeld met een vertrouwelijke pincode. Op 13, 14 en 15 maart 2020 zijn zeven bedragen van in totaal € 1.080,00 bijgeschreven op de betaalrekening. Dit geld is van fraudes afkomstig. Van de fraudes is aangifte gedaan door benadeelden. Nadat het geld op [geïntimeerde] ’s rekening was overgemaakt, is het geld direct opgenomen, waarbij de bij de bankpas behorende pincode steeds in één keer goed is ingetoetst. ABN AMRO heeft de betaalpas op 15 maart 2020, vanwege vermoeden van fraude, geblokkeerd en op 17 maart 2020 [geïntimeerde] per brief hierover geïnformeerd. 2.2 Bij brief van 17 juni 2020 aan de moeder van [geïntimeerde] heeft ABN AMRO bericht dat zij in verband met fraude met [geïntimeerde] ’s betaalrekening de relatie met [geïntimeerde] stopte, de gegevens van [geïntimeerde] in haar incidentenregister (ICR) had gezet en zijn naam en geboortedatum in het Extern Verwijzingsregister (EVR) zette, met de mededeling dat de gegevens acht jaar in beide registers zouden blijven staan. 2.3 Namens [geïntimeerde] heeft een advocaat bij ABN AMRO per brief van 30 juli 2020 aangegeven dat [geïntimeerde] meent zelf slachtoffer te zijn geweest van andere partijen die frauduleus hebben gehandeld, geen enkele link of band met deze partijen heeft en minderjarig is. Daarbij heeft hij ABN AMRO gesommeerd zijn persoonsgegevens uit het ICR en het EVR te verwijderen en om de bankrelatie weer te hervatten. 3Beoordeling 3.1 [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg kort gezegd gevorderd dat ABN AMRO wordt veroordeeld zijn persoonsgegevens uit het ICR en EVR te verwijderen en de bankrelatie met hem te hervatten zoals deze was voor de getroffen maatregelen op 17 juni 2020, op straffe van verbeurte van een dwangsom. De voorzieningenrechter heeft de vordering van [geïntimeerde] in zoverre toegewezen dat zij ABN AMRO heeft veroordeeld om de persoonsgegevens van [geïntimeerde] te verwijderen uit het EVR en de registratie van [geïntimeerde] in het ICR te beperken tot drie jaar. 3.2 ABN AMRO komt met zeven grieven op tegen de beslissing van de voorzieningenrechter om de persoonsgegevens van [geïntimeerde] te verwijderen uit het EVR. 3.3 Grief IV, die het hof als eerste zal behandelen, strekt tot betoog dat de voorzieningenrechter [geïntimeerde] ’s vorderingen niet-ontvankelijk had moeten verklaren. ABN AMRO heeft in hoger beroep gesteld dat zij per brief van 20 augustus 2020 het verzoek van [geïntimeerde] om zijn persoonsgegevens te verwijderen uit het ICR en het EVR heeft afgewezen. Het had volgens ABN AMRO derhalve op de weg van [geïntimeerde] gelegen om deze afwijzing aan te vechten via de verzoekschriftprocedure van artikel 35 Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG). Daarvoor zou zijn vereist dat [geïntimeerde] zijn verzoekschrift binnen zes weken indiende na ontvangst van de afwijzingsbrief. Nu [geïntimeerde] ervoor heeft gekozen om binnen de termijn van zes weken een kort geding te starten in plaats van een verzoekschriftprocedure diende [geïntimeerde] zijn spoedeisend belang in kort geding te onderbouwen tegen de achtergrond van het stelsel van artikel 21 Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en artikel 35 UAVG. Door dit na te laten dienen de vorderingen van [geïntimeerde] te stranden wegen niet-ontvankelijkheid, aldus ABN AMRO. 3.4 Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] ontvankelijk is in zijn vorderingen in kort geding. [geïntimeerde] heeft voldoende spoedeisend belang bij de beoordeling van zijn vordering tot hervatting van de bankrelatie. In verband met deze hoofdvordering kan ook het verzoek tot verwijdering van de registraties uit het ICR en het EVR in dit kort geding worden beoordeeld. Daar komt bij dat de inleidende dagvaarding is uitgebracht op 24 september 2020, derhalve binnen zes weken na de afwijzingsbrief van ABN AMRO van 20 augustus 2020, welke brief ABN AMRO als productie heeft overgelegd en die in hoger beroep niet is bestreden, en ABN AMRO in haar afwijzingsbrief niet heeft vermeld dat [geïntimeerde] een termijn van zes weken had om bezwaar te maken tegen de in die brief vervatte afwijzende beslissing van ABN AMRO om op zijn verzoek zijn gegevens te verwijderen uit het ICR en het EVR. Daarom faalt de vierde grief van ABN AMRO. 3.5 De eerste drie grieven hebben betrekking op de feiten die de voorzieningenrechter tot uitgangspunt heeft genomen. Daarmee heeft het hof rekening gehouden. 3.6 ABN AMRO betoogt met haar vijfde en zesde grief dat de voorzieningenrechter ten onrechte de vordering tot verwijdering van [geïntimeerde] ’s persoonsgegevens uit het EVR heeft toegewezen. Het hof overweegt daarover als volgt. Voor verwerking in overeenstemming met het “Protocol van strafrechtelijke persoonsgegevens” in bestanden als de onderhavige registers die onder het regime van de toenmalige Wet bescherming persoonsgegevens vielen, is vereist dat sprake is van zodanige concrete feiten en omstandigheden dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring in de zin van art. 350 Wetboek van strafvordering kunnen dragen (HR 25 mei 2009, ECLI:NL:H:2009:BH4720). Dat betekent dat te verwerken strafrechtelijke persoonsgegevens in voldoende mate moeten vast staan. Daarnaast is een belangenafweging nodig overeenkomstig artikel 6 lid 1 aanhef en onder f AVG. Voor gevallen als de onderhavige is die belangenafweging uitgewerkt in het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (PIFI). In het kader van deze belangenafweging weegt daarbij mee dat een hogere mate van bescherming toekomt aan minderjarigen. 3.7 In het midden kan blijven of de handelwijze van [geïntimeerde] kan worden aangemerkt als een strafbaar feit. Uit het navolgende blijkt dat opname in het EVR niet voldoet aan alle vereisten die daaraan in artikel 5.2.1 van het PIFI zijn opgenomen. In artikel 5.2.1 is het volgende bepaald: “5.2.1 De Deelnemer dient de Verwijzingsgegevens van (rechts)personen die aan de hierna onder a en b vermelde criteria voldoen en na toepassing van het onder c genoemde proportionaliteitsbeginsel op te nemen in het Extern Verwijzingsregister. a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.