← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2021:2403

beschikking GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling strafrecht rekestnummer(s): 000004-21 (530 Sv) en 000005-21 (533 Sv) parketnummer in hoger beroep: 23-003392-14 Beschikking op het verzoekschrift op de voet van artikel 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker], geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1965, domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. B.G.M.C. Peters, [adres]. 1Procesverloop Het verzoekschrift is op 5 januari 2021 ingekomen. De advocaat-generaal heeft het standpunt van het Openbaar Ministerie op 15 februari 2021 schriftelijk kenbaar gemaakt. Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 30 maart 2021 de advocaat-generaal en de advocaat van verzoeker ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Verzoeker is niet in raadkamer verschenen.

  1. Inhoud van het verzoek Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van: schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 13.835,00; kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 550,
  2. 3Beoordeling van het verzoek Bij arrest van dit hof van 9 oktober 2019 heeft het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging en is de strafzaak met voormeld parketnummer geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Tegen dit arrest is op 18 oktober 2019 beroep in cassatie ingesteld door het openbaar ministerie, welk cassatieberoep op 31 oktober 2019 weer is ingetrokken. Op 22 oktober 2019 heeft de advocaat geïnformeerd of cassatie tegen het arrest was ingesteld, waarna haar een afschrift van de akte cassatie is verstrekt en zij haar cliënt heeft geïnformeerd. Gesteld noch gebleken is dat nadien overeenkomstig het vereiste in artikel 455 lid 1 Sv door het openbaar ministerie van de intrekking cassatie schriftelijk mededeling is gedaan aan de gewezen verdachte of zijn advocaat. Evenmin is gebleken dat zich een andere omstandigheid heeft voorgedaan op grond waarvan kan worden aangenomen dat de gewezen verdachte van het einde van de (straf)zaak kennis heeft kunnen nemen dan wel daarvan redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2017:1590). Het moet er derhalve voor worden gehouden dat verzoeker eerst half november 2020 op de hoogte is gekomen van de intrekking van het cassatieberoep zoals door verzoeker is gesteld. Gelet op het voorgaande is het verzoekschrift tijdig ingediend en is verzoeker – conform het in raadkamer door de advocaat-generaal ingenomen definitieve standpunt – ontvankelijk in zijn verzoek. Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Ten aanzien van het verzoek op de voet van artikel 533 Sv Verzoeker is op 18 maart 2013 in verzekering gesteld. Vervolgens is op 21 maart 2013 de voorlopige hechtenis van verzoeker bevolen. Verzoeker is op 5 september 2013 in vrijheid gesteld. Anders dan de advocaat-generaal ontleent het hof aan de tekst van het arrest van 9 oktober 2019 noch aan het vonnis dat daaraan voorafging gronden tot (gedeeltelijke) afwijzing van het verzoek. Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van de door verzoeker ondergane verzekering en voorlopige hechtenis tot een bedrag van € 13.835,
  3. Ten aanzien van het verzoek op de voet van artikel 530 Sv Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van kosten rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure tot een bedrag van € 550,
  4. 4Beslissing Het hof : Wijst het verzochte toe. Kent op de voet van artikel 533 Sv aan verzoeker een vergoeding toe van € 13.835,00 (dertienduizend achthonderdvijfendertig euro). Kent op de voet van artikel 530 Sv aan verzoeker een vergoeding toe van € 550,00 (vijfhonderdvijftig euro). Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan verzoeker. Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. R.D. van Heffen, A.M.P. Geelhoed en N.C. Laatsch, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is bij ontstentenis van de griffier alleen ondertekend door de voorzitter en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 13 april
  5. De voorzitter beveelt: de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 14.385,00 (veertienduizend driehonderdvijfentachtig euro) op bankrekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. [tnv] o.v.v. [ovv]. Amsterdam, 13 april 2021, mr. R.D. van Heffen, voorzitter.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.