afdeling strafrecht parketnummer: 23-003357-18 datum uitspraak: 2 augustus 2021 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 september 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-845099-16 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1955, postadres opgegeven ter terechtzitting in hoger beroep: [adres] . Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep De rechtbank Amsterdam heeft het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging ten aanzien van de onder feit 2 tenlastegelegde tijdvakken december 2008, januari 2009, februari 2010, maart 2011 en december
- Het openbaar ministerie is niet tegen die niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep gekomen en de verdachte heeft geen belang bij de behandeling van dat gedeelte van feit
- Ten aanzien van de tijdvakken december 2008, januari 2009, februari 2010, maart 2011 en december 2012 zal de verdachte in hoger beroep aldus niet-ontvankelijk worden verklaard. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 juli 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte naar voren heeft gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en zal dit daarom bevestigen met toevoeging van de navolgende overwegingen. Onderzoekswensen De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat hij heeft geconstateerd dat in hoger beroep niets met zijn onderzoekswensen is gedaan. Anders dan de verdachte heeft gesteld heeft het hof reeds op 20 oktober 2020 een regiezitting gehouden. De verdachte heeft toen de onderzoekswensen niet op de zitting herhaald. In het proces-verbaal van deze zitting is vermeld dat alleen een ter terechtzitting herhaald verzoek, noopt tot een beslissing van het hof. Ook op 19 juli 2021 heeft de verdachte de onderzoekswensen ter terechtzitting niet herhaald. Nu geen onderzoekswensen ter terechtzitting zijn gedaan, behoeft het hof daarop niet te beslissen. Redelijke termijn Het hof constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. De redelijke termijn is aangevangen op 28 juni 2016, de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 13 september
- Namens de verdachte is op 26 september 2018 hoger beroep ingesteld. Vervolgens hebben vier terechtzittingen plaatsgevonden. Op 22 juli 2019 is de behandeling op verzoek van de verdediging aangehouden. Op 27 november 2019 heeft het hof de zaak aangehouden in verband met onvoldoende voorbereidingstijd ten aanzien van de door de verdediging (voorafgaand aan die zitting) op 26 november 2019 ingediende schriftelijke onderzoekswensen. Op 10 juni 2020 is de zaak op verzoek van de verdachte aangehouden omdat hij geen advocaat meer kon betalen. Op 20 oktober 2020 heeft een regiezitting plaatsgevonden. De inhoudelijke behandeling van de strafzaak heeft uiteindelijk plaatsgevonden op 19 juli
- De zaak is in hoger beroep afgerond met een eindbeslissing op 2 augustus
- Als uitgangspunt wordt gehanteerd een redelijke termijn van twee jaren voor de procedure bij de rechtbank en twee jaren voor de procedure bij het hof. Deze periode is in hoger beroep met ruim 10 maanden overschreden. Het hof zal echter volstaan met de constatering van deze overschrijding. Bij dit oordeel heeft het hof de omstandigheden van het geval betrokken, onder meer dat de vertraging grotendeels is te wijten aan de gehonoreerde aanhoudingsverzoeken van de verdediging en het zeer laat indienen van stukken door de verdediging. BESLISSING Het hof: Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde voor zover het betreft de tijdvakken december 2008, januari 2009, februari 2010, maart 2011 en december
- Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. W.M.C. Tilleman en mr. N.A. Schimmel, in tegenwoordigheid van mr. B. van Vliet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 augustus
- Mr. W.M.C. Tilleman is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. ========================================================================= […]