GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.284.616/01 zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/660418 / HA ZA 19-83 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 augustus 2021 inzake CAGE CAPITAL 1 GMBH, gevestigd te Frankfurt am Main (Duitsland), appellante, tevens verweerster in het incident, advocaat: mr. B.T. Craemer te Amsterdam, tegen 1 [geïntimeerde 1] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 1] , 2. [geïntimeerde 2] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 2] , 3. [geïntimeerde 3] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 3] , 4. [geïntimeerde 4] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 4] , 5. RUBELS UND VELDE GMBH, voorheen RGAM VERWALTUNGS GMBH, gevestigd te Erfurt (Duitsland), geïntimeerden sub 1 tot en met 5, niet verschenen, 6. [geïntimeerde 6] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 5] , geïntimeerde sub 6, tevens eiseres in het incident, advocaat: mr. J.P. Koets te Haarlem. 1Het geding in hoger beroep Appellante en geïntimeerde sub 6 worden hierna Cage en [geïntimeerde 6] genoemd. De geïntimeerden zullen hierna tezamen [geïntimeerden] worden genoemd. De geïntimeerden sub 1 tot en met 5 zullen hierna afzonderlijk worden aangeduid als [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] , en RGAM. Cage is bij dagvaarding van 24 april 2020, hersteld bij exploot van 29 juli 2020, in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 12 juni 2019 en 29 januari 2020 (hierna: de vonnissen), onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen Rechtspraktijk [bedrijf] B.V. gevestigd te [vestigingsplaats 6] (hierna: [bedrijf] ) als eiseres en [geïntimeerden] als gedaagden. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - incidentele vordering strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring appellante van de zijde van [geïntimeerde 6] ; - conclusie van antwoord in het incident, met producties, van de zijde van Cage. In het opgeworpen incident heeft [geïntimeerde 6] geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van Cage in het hoger beroep, met veroordeling van Cage in de proceskosten, te vermeerderen met (na)kosten en wettelijke rente. Cage heeft geconcludeerd, zo begrijpt het hof, tot afwijzing van de incidentele vordering tot niet-ontvankelijkverklaring, met veroordeling van [geïntimeerde 6] in de kosten van dit incident. Vervolgens is in het incident om een mondelinge behandeling gevraagd. Deze heeft plaatsgevonden op 7 juni 2021. Namens Cage zijn verschenen [naam 1], enig aandeelhouder/bestuurder van Cage, bijgestaan door mr. Craemer voornoemd en zijn kantoorgenoot mr. L. Stevens, advocaat te Amsterdam, die het standpunt van Cage nader hebben toegelicht aan de hand van aan het hof overgelegde spreekaantekeningen. Voorts zijn namens [geïntimeerde 6] verschenen [naam 2] , bestuurder van [geïntimeerde 6] , bijgestaan door mr. Koets voornoemd en zijn kantoorgenoot mr. M.W.J. Ariëns, die het standpunt van [geïntimeerde 6] nader hebben toegelicht aan de hand van aan het hof overgelegde spreekaantekeningen. 2Beoordeling in het incident 2.1 Het gaat hier, samengevat en voor zover voor het incident van belang, om het volgende. Uit het bestreden vonnis van 29 januari 2020 blijkt dat [bedrijf] in de procedure in eerste aanleg als lasthebber van Cage is opgetreden. Die lastgeving vloeide voort uit de door Cage en [bedrijf] op 21 juni 2017 gesloten overeenkomst (hierna: de overeenkomst), uit hoofde waarvan [bedrijf] zich als lasthebber van Cage heeft verbonden om de vordering van Cage op [geïntimeerden] in of buiten rechte te innen. De desbetreffende overeenkomst bepaalt hieromtrent het volgende. 2.1 Last . De Lastgever geeft hierbij opdracht en last aan de Lasthebber om namens hem de Vorderingen te incasseren door het voeren van schikkingsonderhandelingen dan wel het voeren van juridische procedures (de “Last”). 2.2 Procesvolmacht . Bij deze overeenkomst is gevoegd een volmacht, waarin de Lastgever aan de Lasthebber de bevoegdheid verleent om hem in de eventuele schikkingsonderhandelingen en/of juridische procedure te vertegenwoordigen (de “Procesvolmacht”). 2.2 Bij brief van 24 april 2020 aan [bedrijf] , betekend door middel van een deurwaardersexploot, heeft mr. Craemer namens Cage aan [bedrijf] bericht dat Cage zijn kantoor had geïnstrueerd om een pro forma appeldagvaarding uit te brengen in de procedure waarin [bedrijf] eerder als lasthebber van Cage had geprocedeerd. In voormelde brief is namens Cage het standpunt ingenomen, dat de overeenkomst – voor zover deze niet al eerder door ontbinding beëindigd zou zijn – per direct door Cage met een beroep op artikelen 7:408 jo. 7:422 lid 2 BW werd opgezegd en dat de door Cage aan [bedrijf] afgegeven procesvolmacht was herroepen. 2.3 Ter onderbouwing van haar standpunt in het incident dat Cage niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep, heeft [geïntimeerde 6] samengevat het volgende aangevoerd. Uitgangspunt is dat in hoger beroep alleen door partijen geprocedeerd kan worden, die ook in eerste aanleg procespartij waren. Cage was geen procespartij in eerste aanleg en is dat tijdens de procedure in eerste aanleg ook niet geworden. Volgens [geïntimeerde 6] heeft Cage door het sluiten van de overeenkomst met lasthebber [bedrijf] de bevoegdheid verloren om zelf het rechtsmiddel van hoger beroep in te stellen. Cage is ook niet procesbevoegd geworden. In dit kader betwist [geïntimeerde 6] dat de overeenkomst is beëindigd. Bewijs voor die stelling heeft Cage niet geleverd. [geïntimeerde 6] heeft daaraan tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep nog toegevoegd dat partijen het recht om de overeenkomst tussentijds te beëindigen nadrukkelijk hebben uitgesloten in de artikelen 8.1 en 8.2 daarvan. De in artikel 8.2 genoemde uitzonderingssituatie doet zich hier niet voor. Het recht om de overeenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen bestaat alleen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.