Afdeling strafrecht Parketnummer: 23-001906-17 Datum uitspraak: 26 augustus 2021 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 mei 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-702045-15 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1983, adres: [adres] Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 juni 2018, 11 juli 2018, 29 april 2021 en 12 augustus 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de straf van vijf maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en het bewijsmiddel met nummer 3 in de aanvulling op het verkort vonnis, pagina 2 - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande, dat het hof naar aanleiding van het standpunt van de raadsman en daaruit voortkomende voorwaardelijke verzoeken, alsmede naar aanleiding van nader onderzoek in hoger beroep, als volgt de overwegingen van de rechtbank zal aanvullen. Bewijsoverwegingen De raadsman heeft het hof verzocht de verdachte vrij te spreken van het hem tenlastegelegde, omdat niet kan worden bewezen dat de goudstaven die de verdachte vervoerde van enig misdrijf afkomstig zijn. In hoger beroep heeft de verdediging, net als in eerste aanleg, in de kern gesteld dat de drie onder de verdachte in beslag genomen goudstaven afkomstig zijn uit de erfenis van de schoonvader van de verdachte, genaamd [naam 1] , alias [naam 1] (hierna: [naam 1] ). Naar aanleiding van deze stelling heeft het hof, in aanvulling op het onderzoek in eerste aanleg naar [naam 1] , zijn erfenis en de internationale familieverbanden, op de zitting van 11 juli 2018 het horen van [naam 2] en [naam 3] noodzakelijk geacht. De weduwe van [naam 1] , [naam 2] , is op 13 november 2020 door de raadsheer-commissaris gehoord. Zij heeft verklaard dat zij getrouwd was met [naam 1] , dat zij samen een zoon en een dochter hebben en dat zij de verdachte noch zijn partner [naam 3] kent. Voorts heeft zij verklaard dat [naam 1] heel weinig geld had, een gehandicaptenuitkering ontving en dat zij alle geldzaken regelde. Het is niet waar dat haar man een erfenis heeft nagelaten (in de vorm van geld dan wel goudstaven), zo heeft zij verklaard. De partner van de verdachte, [naam 3] , kon niet nader gehoord worden door de Duitse autoriteiten, aangezien de opgegeven adresgegevens niet juist waren en zij niet getraceerd kon worden. Gelet op de omstandigheden waaronder de verdachte is aangetroffen in een auto, met drie goudstaven in zijn broekband en een groot geldbedrag in biljetten van € 500 onder zich, terwijl in de auto ook een grote hoeveelheid vals geld is gevonden, is een vermoeden van witwassen zonder meer gerechtvaardigd. Dit vermoeden wordt versterkt door de op 16 maart 2017 afgelegde verklaring van de ex-partner van de verdachte, [naam 4] , die ten overstaan van de Duitse autoriteiten heeft verklaard dat de verdachte haar heeft verteld dat hij zogenoemde ‘cash to cash’ zaken deed; ‘dat zijn zaken waar mensen bij het inwisselen van goud vermeend echt geld, maar in werkelijkheid vals geld ontvangen’. Het hof is van oordeel, in aansluiting op de overwegingen van de rechtbank, dat de verklaring van de verdachte onvoldoende concreet tegenwicht biedt tegen de verdenking. Uit eerder onderzoek is geen verband gebleken tussen de overledene en de partner van de verdachte (anders dan een, zo heeft de verdachte verklaard, veel voorkomende achternaam). Verder blijkt dit verband evenmin uit de in hoger beroep afgelegde verklaring van zijn weduwe, die bovendien niet op de hoogte is van enige noemenswaardige erfenis. Het vermoeden dat sprake is van witwassen blijft zodoende bestaan, nu met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de goudstaven een legale herkomst hebben. Al met al is het hof van oordeel, op grond van alle feiten en omstandigheden, dat een criminele herkomst van de goudstaven als enige optie resteert en dat de verdachte dat wist. De achtergrond van de zaak - de verdachte is afkomstig uit de Roma-gemeenschap, waar volgens de raadsman familieverbanden complex zijn en officiële documenten vaak ontbreken - maakt dat niet anders, in tegendeel. Nader (internationaal) onderzoek naar de familierelatie tussen de partner van de verdachte en [naam 1] is niet noodzakelijk nu niet aannemelijk is geworden dat de verdachte het goud heeft geërfd. Datzelfde heeft te gelden voor nader onderzoek naar het smelten van de goudstaven of de ouderdom daarvan. Het hof wijst de voorwaardelijke verzoeken van de raadsman daarom af. Oplegging van straffen De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.