← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2021:2691

afdeling strafrecht parketnummer: 23-003433-19 datum uitspraak: 8 september 2021 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 september 2019 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-741026-19 tegen de betrokkene [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1994, (post) adres: [adres]. Procesgang Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 2.119,

  1. De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 september 2019 - kort gezegd - veroordeeld ter zake van diefstal van een pinpas en diefstal met behulp van een valse sleutel, te weten met de bij de pas horende pincode. Voorts heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 12 september 2019 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.119,92 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Namens de betrokkene is hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen. De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 september 2021 veroordeeld ter zake van - kort gezegd - diefstal van een pinpas en diefstal met behulp van een valse sleutel. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 augustus 2021 en 25 augustus 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht. Bespreking van een gevoerd verweer De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen dient te worden afgewezen, nu hetzelfde bedrag reeds in de strafzaak door de benadeelde partij is gevorderd en de betrokkene is veroordeeld tot vergoeding van dat bedrag. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, nu de verdachte de schade van de benadeelde partij nog niet heeft vergoed. Het hof overweegt dat de ontnemingsmaatregel en schadevergoedingsmaatregel twee verschillende belangen beschermen. Nu aan de betalingsverplichting op grond van art. 36f van het Wetboek van Strafrecht niet is voldaan, kunnen deze maatregelen naast elkaar worden opgelegd. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met toevoeging van een beslissing over de gijzeling. BESLISSING Het hof: Bevestigt het vonnis waarvan beroep. Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 42 dagen. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Lolkema, mr. E. van Die en mr. A.M.A. Keulen, in tegenwoordigheid van mr. A.S. de Bruin, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 september
  2. Mr. Van Die en mr. Keulen zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. ========================================================================= […]

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.