beschikking ___________________________________________________________________ GERECHTSHOF AMSTERDAM ONDERNEMINGSKAMER zaaknummer: 200.299.316/01 OK beschikking van de voorzitter van de Ondernemingskamer van 13 september 2021 inzake
- de naamloze vennootschap CNH INDUSTRIAL N.V., gevestigd te Amsterdam,
- de naamloze vennootschap CNHI DM HOLDINGS N.V., gevestigd te Amsterdam, VERZOEKSTERS, advocaat: mr. M.P.W. Lemstra, kantoorhoudende te Amsterdam. 1Het verzoek 1.1 Verzoeksters worden ook aangeduid als CNH Industrial en CNHI DM. 1.2 CNH Industrial en CNHI DM hebben bij verzoekschrift met producties van 1 september 2021 de voorzitter van de Ondernemingskamer, met het oog op hun voorgenomen juridische afsplitsing, op de voet van artikel 2:334aa lid 4 BW verzocht goed te keuren de aanwijzing van [A] (hierna: [A] ), werkzaam bij Mazars N.V. te Rotterdam, als enig accountant als bedoeld in artikel 2:334aa lid 4 BW, onderscheidenlijk [B] , verbonden aan voormeld kantoor, als plaatsvervangend accountant voor het geval de aangewezen accountant zijn taak niet kan vervullen, voor het verrichten van het onderzoek en het afleggen van de verklaring als bedoeld in artikel 2:334aa lid 2 BW. 2De feiten 2.1 Verzoeksters zijn partij bij een afsplitsing in de zin van artikel 2:334a lid 3 BW waarbij CNHI DM (als verkrijgende vennootschap) het afgesplitste deel van het vermogen van CNH Industrial (als splitsende vennootschap) onder algemene titel verkrijgt. 2.2 De aandelen in het geplaatst kapitaal van CNH Industrial zijn genoteerd aan de New York Stock Exchange en aan de Mercato Telematico Azionario, een gereglementeerde markt geëxploiteerd door Borsa Italiana S.p.A. in Milaan, Italië. De aandelen in het geplaatst kapitaal van CNH DM zullen na totstandkoming van de afsplitsing genoteerd worden aan de Borsa Italiana. 2.3 CNHI DM is op 16 juni 2021 opgericht in verband met de voorgenomen afsplitsing, ontplooit geen eigen activiteiten en heeft geen bezittingen, anders dan het bij oprichting door CNH Industrial gestorte kapitaal. 2.4 Alle aandelen in het geplaatst kapitaal van CNHI DM worden tot aan de totstandkoming van de splitsing gehouden door CNH International. Als gevolg van de splitsing zullen alle bij oprichting geplaatste en thans uitstaande door CNH Industrial gehouden aandelen in CNHI DM overgaan op CNHI DM, en onder toepassing van artikel 2:334x BW worden ingetrokken. 3De gronden van de beslissing 3.1 Ter toelichting van hun verzoek hebben verzoeksters – kort samengevat – het volgende naar voren gebracht. Er zijn geen (minderheids)aandeelhouders waarvan de belangen bij goedkeuring van het verzoek in het geding kunnen zijn nu CNH Industrial enig aandeelhouder is van CNHI DM en uitsluitend de aandeelhouders van CNH Industrial één of meer aandelen in CNHI DM zullen verkrijgen. Ook van eventuele andere bezwaren tegen inwilliging van het verzoek is geen sprake, aldus verzoeksters. 3.2 De voorzitter van de Ondernemingskamer overweegt als volgt. 3.3 Het onderhavige verzoek heeft uitdrukkelijk slechts betrekking op de goedkeuring van de aanwijzing van dezelfde persoon als accountant voor zover het betreft het onderzoek en de verklaring als bedoeld in artikel 2:334aa lid 2 BW. Die bepaling behelst een voorschrift van kapitaalbescherming. De verklaring zoals bedoeld in artikel 2:234aa lid 2 BW wordt slechts verlangd ten aanzien van het vermogen van de voortbestaande splitsende vennootschap. Bij deze achtergrond en het doel van vorenbedoelde verklaring past niet dat deze zowel door de splitsende als door de verkrijgende vennootschap zou moeten worden afgelegd. Het voorgaande brengt mee dat ter zake van het onderzoek en de verklaring als bedoeld in artikel 2:334aa lid 2 BW, voor goedkeuring van de aanwijzing van “dezelfde persoon als accountant” door de voorzitter van de Ondernemingskamer geen plaats is. Een en ander betekent dat verzoeksters niet ontvankelijk in hun verzoek dienen te worden verklaard. 4De beslissing De voorzitter van de Ondernemingskamer: verklaart verzoeksters niet ontvankelijk in hun verzoek. Deze beschikking is gegeven door mr. A.W.H. Vink, voorzitter van de Ondernemingskamer in tegenwoordigheid van mr. S.C. Prins, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 13 september
- 2.7 slot