GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 20/00570 21 september 2021 uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende, tegen de uitspraak van 27 augustus 2020 in de zaak met kenmerk HAA 19/5053 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Haarlemmermeer, de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1 De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 28 februari 2019 op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2019 vastgesteld op € 485.000. Gelijktijdig zijn door middel van hetzelfde geschrift de aanslagen gemeentelijke belastingen 2019 bekendgemaakt. 1.2. Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar van 3 september 2019 het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen voormelde uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Bij uitspraak van 27 augustus 2020 heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.4. Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 6 oktober 2020. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende en de heffingsambtenaar hebben het Hof toestemming verleend tot het achterwege laten van een onderzoek ter zitting. Hierop heeft het Hof bepaald het onderzoek ter zitting achterwege te laten, het onderzoek te sluiten en schriftelijk uitspraak te doen. 2Feiten 2.1. Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het is een vrijstaande woning met garage gelegen in de wijk [wijk] te [plaats] . De inhoud van de woning is ongeveer 495 m3 en de oppervlakte van het perceel is 313 m2. 2.2. De heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de door hem voor de woning op € 485.000 vastgestelde waarde onder meer een matrix overgelegd, met daarin opgenomen (verkoop)gegevens van een drietal objecten, allemaal gelegen in de wijk [wijk] te [plaats] (hierna: de vergelijkingsobjecten). Hieronder de matrix. [afbeelding met persoonsgegevens] 3Geschil in hoger beroep Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem vastgestelde waarde van € 485.000 niet te hoog is. 4Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft met betrekking tot het geschil het volgende overwogen en beslist (belanghebbende wordt in deze uitspraak aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’): “Geschil 2. In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2018. 3. Eiser stelt dat de waarde te hoog is vastgesteld. Eiser bepleit een waarde van € 440.000 en stelt daartoe het volgende. De waarde van de woning is teveel gestegen ten opzichte van de waarde die voor de vorige waardepeildatum is vastgesteld. Het stijgingspercentage van de woning was op 1 januari 2017 12,2% en op 1 januari 2018 19,75%. Het landelijk stijgingspercentage was op 1 januari 2017 8,4% en op 1 januari 2018 8,7 %. Daarom ligt het in de rede om de WOZ-waarde voor het kalenderjaar 2019 vast te stellen op € 440.000, uitgaande van de WOZ-waarde van € 405.000 voor het belastingjaar 2018 verhoogd met 8,7%. Een waardeontwikkeling van 19,75% is niet te verklaren, omdat er geen verbouwingsactiviteiten aan de woning hebben plaatsgevonden. 4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld en heeft onder meer verwezen naar een door hem overgelegd taxatierapport en een daarin opgenomen waardematrix. Daarin zijn naast de gegevens van de woning, de verkoopgegevens vermeld van [woning 1] , [woning 2] en [woning 3] , alle te [plaats] . In deze matrix is de woning getaxeerd op € 485.000. 5. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. Beoordeling van het geschil 6. Ingevolge artikel 17, tweede lid, Wet WOZ, wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald. 7. Op verweerder rust de last aannemelijk te maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. 8. Met het hiervoor vermelde taxatierapport heeft verweerder aan de op hem rustende bewijslast voldaan. De rechtbank overweegt daartoe dat de vergelijkingsobjecten die in de matrix zijn vermeld kort vóór of na de waardepeildatum zijn verkocht, allemaal vrijstaande woningen met een garage betreffen en wat betreft kwaliteit, onderhoud, ligging, inhoud en oppervlakte ook voldoende vergelijkbaar zijn. De verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten kunnen dan ook dienen ter onderbouwing van de waarde van de woning. Weliswaar vertonen de vergelijkingsobjecten verschillen met de woning, maar verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat met deze verschillen, met name de perceelsgrootte en de onderhoudstoestand, voldoende rekening is gehouden. Verweerder heeft uit de vastgestelde eindwaarde van de woning en uit de verkoopcijfers van de vergelijkingsobjecten een waarde per m³ herleid. Deze waarde varieert voor de gehanteerde vergelijkingsobjecten van € 525 tot € 835. De waarde per m³ voor de woning is € 630. Dit is lager dan het gemiddelde van de waarde per m³ van de vergelijkingsobjecten. Gelet daarop is de waarde van de woning niet te hoog vastgesteld ten opzichte van de vergelijkingsobjecten. 9. Eiser heeft de waarde berekend aan de hand van de vastgestelde WOZ-waarde voor het belastingjaar 2018 van € 405.000 verhoogd met het landelijk stijgingspercentage van 8,7%. De rechtbank volgt deze berekening niet. Doel en strekking van de Wet WOZ brengen immers mee dat de waarde van een onroerende zaak voor elk tijdvak opnieuw wordt bepaald. Voor de beoordeling van de juistheid van de vastgestelde waarde voor 2019 is daarom slechts van belang of de waarde die aan de woning is toegekend in overeenstemming is met het wettelijk waardebegrip, zoals onder 6 weergegeven. Aan de verhouding tussen waardes die voor twee opvolgende jaren zijn vastgesteld, komt in dat kader geen zelfstandige betekenis toe. Verder kan aan een landelijk stijgingspercentage geen doorslaggevende betekenis worden toegekend, omdat de waardeontwikkeling van alle woningen in Nederland in het algemeen niet – althans onvoldoende – bruikbaar is voor de waardebepaling van één woning in het bijzonder. Hiermee heeft eiser de door hem voorgestane waarde van de woning niet aannemelijk gemaakt. 10. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.” 5Beoordeling van het geschil in hoger beroep 5.1. Het Hof onderschrijft het wettelijke kader zoals opgenomen onder 6. van de uitspraak van de rechtbank en de bewijslastverdeling zoals opgenomen onder 7. van die uitspraak en maakt die overwegingen tot de zijne. Het Hof overweegt verder als volgt. 5.2. Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat de heffingsambtenaar met het door hem overgelegde taxatierapport en de daarin opgenomen matrix in zijn bewijslast is geslaagd. Hiertoe wijst het Hof erop dat de drie vergelijkingsobjecten allemaal (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.