afdeling strafrecht parketnummer: 23-004528-19 datum uitspraak: 28 juni 2021 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 13 december 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-221735-19 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag 1] 1970, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 juni 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 15 september 2019 te Amsterdam zijn kind, te weten [kind] (geboren op [geboortedag 2] 2011), heeft mishandeld door (met kracht) in/op/tegen de borst/buik te slaan en/of te stompen en/of tegen het lichaam van die [kind] te duwen (waardoor hij ten val kwam). Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter. Vordering van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. Vrijspraak Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Het hof overweegt hiertoe het volgende. Verdachte heeft verklaard dat de moeder van het slachtoffer in het bijzijn van de politie aan het slachtoffer instructies gaf. Zij zei tegen haar zoon, aldus de verdachte, dat hij tegen de politie moest zeggen dat zijn vader hem had geslagen. Deze stelling van de verdachte wordt niet bevestigd in de verslaglegging van de politie in het betreffende proces-verbaal. Wel blijkt uit dit proces-verbaal dat de moeder van het slachtoffer tegen de politie zegt dat het slachtoffer de klappen opvangt, net voordat het slachtoffer zijn eerste verklaring aflegt. Daar komt bij dat uit de verklaring van getuige [getuige] bij de raadsheer-commissaris blijkt dat het slachtoffer kort na het incident in een andere setting niet meer wist te vertellen waar zijn buikpijn door was veroorzaakt. [getuige] heeft verklaard dat het slachtoffer tegen hem heeft gezegd dat zijn vader hem stevig had beetgepakt, dat hij in een worsteling op de bank werd gegooid, dat hij pijn had in zijn buik en dat hij geschrokken was. Op de vraag hoe hij aan de buikpijn kwam, antwoordde het slachtoffer dat het allemaal zo snel gebeurde en dat hij het niet meer wist. Al met al is het hof van oordeel dat, mede gelet op de context waarbinnen dit alles zich heeft afgespeeld, er teveel twijfel bestaat of het slachtoffer beïnvloed is geraakt door de verklaringen van zijn moeder voordat hij de politie te woord stond. Nu ook geen (zichtbaar) letsel bij het slachtoffer is geconstateerd en het belastende bewijs alleen wordt gevormd door voornoemde verklaringen van het slachtoffer en de ex-partner van de verdachte, zal het hof de verdachte vrij spreken van het tenlastegelegde. Ten overvloede overweegt het hof dat het hof met deze uitspraak geen oordeel uitspreekt ten aanzien van de vraag of getuigen in deze zaak bewust onwaarheden hebben verteld, maar slechts dat er over het verloop van de feiten teveel twijfel bestaat om tot een strafrechtelijke bewezenverklaring te komen. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit arrest is gewezen door de enkelvoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting had mr. L.I.M. van Bergen, in tegenwoordigheid van mr. K. van der Togt, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 juni 2021.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.