afdeling strafrecht parketnummer: 23-000014-20 datum uitspraak: 21 september 2021 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 20 december 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-227794-19 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 september 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij, op of omstreeks 20 juni 2019 te Hoorn, [benadeelde] heeft mishandeld door deze een of meermalen tegen het hoofd en/of tegen het lichaam te slaan. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter. Bewijsoverweging De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde. De verdachte is door verbalisanten aan de hand van camerabeelden herkend, maar aan deze herkenningen kan onvoldoende bewijswaarde worden toegedicht. De herkenningen zijn immers onvoldoende concreet en onduidelijk is op basis van welke camerabeelden de herkenningen zijn gedaan. In het licht van het voorgaande is de aangifte onvoldoende om tot overtuigend bewijs te komen en dient aan de aanvullende verklaring van aangever geen waarde te worden gehecht, aldus de raadsman. Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat de aangever meerdere keren tegen zijn hoofd is geslagen, terwijl hij aan het werk was in een schoenenwinkel, waardoor hij letsel heeft opgelopen. Na aanvankelijk te hebben verklaard degene die hem zou hebben geslagen niet te kennen, heeft de aangever naderhand verklaard dat het de verdachte is geweest die hem tijdens zijn werk heeft mishandeld. Vanwege een onderliggend conflict zou de aangever dat niet direct hebben verklaard. Anders dan de raadsman heeft bepleit, ziet het hof geen aanleiding de (aanvullende) verklaring van de aangever niet betrouwbaar te achten. Nu deze heeft verklaard de verdachte te kennen, is er ook geen aanleiding om aan zijn herkenning te twijfelen. De ter terechtzitting in hoger beroep bekeken camerabeelden zijn voorts voldoende scherp en gedetailleerd om daar een betrouwbare herkenning op te kunnen baseren. Het hof gaat er gelet op de inhoud van het dossier van uit dat de ter terechtzitting in hoger beroep bekeken camerabeelden dezelfde camerabeelden betreffen als de beelden op basis waarvan verbalisant [verbalisant] de verdachte heeft herkend. Het hof gebruikt de herkenning gedaan door verbalisant [verbalisant] dan ook voor het bewijs. Daarom verwerpt het hof het verweer en acht het wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de aangever heeft mishandeld. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 20 juni 2019 te Hoorn [benadeelde] heeft mishandeld door deze meermalen tegen het hoofd te slaan. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte in eerste aanleg vrijgesproken van het tenlastegelegde De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 50 uren, subsidiair te vervangen door 25 dagen hechtenis. De raadsman van de verdachte heeft verzocht – indien het hof tot een bewezenverklaring komt – een geheel onvoorwaardelijke geldboete op te leggen. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zonder kennelijke aanleiding een medewerker van een schoenenwinkel meermalen op zijn hoofd geslagen ten overstaan van klanten van die winkel. Door zijn handelen heeft de verdachte pijn en letsel bij het slachtoffer veroorzaakt en diens lichamelijke integriteit aangetast, waardoor er bij het slachtoffer een litteken in het gezicht is ontstaan. Misdrijven als het onderhavige veroorzaken bovendien in de samenleving gevoelens van onbehagen en onveiligheid. Het hof acht dit kwalijk. Hoewel de verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld acht het hof een geldboete, zoals bepleit door de raadsman, geen passende straf. Het feit is daarvoor te ernstig. Daarbij komt dat de verdachte geen enkel inzicht heeft verschaft in de reden waarom hij tot dit geweld is overgegaan. Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.837,69, bestaande uit € 1.587,69 aan materiële schade en € 1.250,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering geheel toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en te vermeerderen met de wettelijke rente. De raadsman van de verdachte heeft verzocht – indien het hof tot een bewezenverklaring komt – de vordering gedeeltelijk toe te wijzen. Hij heeft verzocht de materiële schade voor wat betreft de schade aan de kleding (€ 499,33) en de inkomstenderving (€ 342,04) primair af te wijzen en subsidiair niet-ontvankelijk te verklaren, nu de vordering op deze punten onvoldoende is onderbouwd. Tevens heeft de raadsman verzocht de toewijzing van de immateriële schade te matigen tot € 625,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.