afdeling strafrecht parketnummer: 23-002277-18 datum uitspraak: 4 februari 2021 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 20 juni 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-046510-18 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) in het jaar 1957, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 januari 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 7 maart 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen [benadeelde] een of meermalen met een hard voorwerp op het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair hij op of omstreeks 7 maart 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [benadeelde] heeft mishandeld door [benadeelde] een of meermalen met een hard voorwerp op het hoofd te slaan. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof deels tot andere beslissingen komt dan de politierechter. Overwegingen ten aanzien van het bewijs; vrijspraak primair Met de politierechter, de advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen de verdachte primair ten laste is gelegd, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken. Op grond van de stukken in het dossier, waaronder in het bijzonder de bekennende verklaring van de verdachte, de aangifte van het slachtoffer en haar letselverklaring, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde mishandeling van [benadeelde]. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: subsidiair hij op 7 maart 2018 te Amsterdam [benadeelde] heeft mishandeld door [benadeelde] op het hoofd te slaan. Hetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het subsidiair bewezenverklaarde levert op: mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte De raadsman van de verdachte heeft in hoger beroep bepleit dat de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij heeft gehandeld in een toestand van noodweerexces, dan wel psychische noodtoestand. Het hof begrijpt het verweer aldus dat het feit dat het slachtoffer met haar telefoon filmopnames van de verdachte maakte, door de verdachte is ervaren als een onmiddellijke en wederrechtelijke aanranding van zijn lijf en eerbaarheid, waartegen hij zich moest verzetten. Omdat de aanranding van de verdachte door het slachtoffer bleef voortduren, ook nadat de verdachte was weggelopen – het slachtoffer bleef de verdachte volgen – heeft de verdachte haar geslagen. De raadsman stelt dat, hoewel het geen fysieke bedreiging betrof, het geweld van de verdachte wel het onmiddellijke gevolg was van zijn hevige gemoedstoestand, die is veroorzaakt door de aanranding van verdachte door het slachtoffer. Doordat zij de verdachte bleef belagen, is hij zijn beheersing verloren. Het hof verwerpt deze verweren en overweegt hieromtrent als volgt. Het hof overweegt dat op grond van de feiten en omstandigheden, zoals uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting naar voren zijn gekomen, niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een wederrechtelijke aanranding waartegen de bewezenverklaarde gedraging ter noodzakelijke verdediging geboden was. Het door het slachtoffer filmen dan wel maken van een foto van de verdachte op straat en het kort volgen van de verdachte kan niet als een dergelijke aanranding worden aangemerkt. Nu geen sprake was van een noodweersituatie kan een beroep op noodweerexces niet slagen. Het verweer wordt verworpen. Ten slotte is evenmin het bestaan van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en hoefde te bieden aannemelijk geworden. Ook dit verweer wordt verworpen. Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte van het primair tenlastegelegde vrijgesproken en voor het subsidiair bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van twintig uren, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door tien dagen hechtenis. Daarnaast heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 613,17 en is de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van twintig uren, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door tien dagen hechtenis. Daarnaast heeft hij gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen tot een bedrag van € 613,17. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van de aangeefster door haar een klap in het gezicht te geven. Het slachtoffer heeft hierdoor pijn ondervonden en letsel opgelopen. Door zo te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van het slachtoffer. Het hof is van oordeel dat oplegging van de door de advocaat-generaal gevorderde taakstraf van twintig uren passend is met het oog op de ernst van het feit. Met het toepassen van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, zoals de raadsman heeft voorgesteld, kan niet worden volstaan. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 1.452,43. Deze vordering bestaat uit de volgende schadeposten: materiële schade (totaal) € 452,43
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.