afdeling strafrecht parketnummer: 23-000543-20 datum uitspraak: 14 oktober 2021 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 6 februari 2020 in de strafzaak onder parketnummer 13-253320-19 tegen [verdachte] , geboren te [geboortedatum] , adres: [woonplaats] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 september 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1.hij op of omstreeks 21 oktober 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk drie reclameborden, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [plaats delict] Oud-West toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt; 2.hij op of omstreeks 21 oktober 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] in de hand te bijten. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1.hij op 21 oktober 2019 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk drie reclameborden die aan [plaats delict] Oud-West toebehoorden, heeft beschadigd; 2.hij op 21 oktober 2019 te Amsterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] in de hand te bijten. Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen. Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met aftrek van voorarrest, waarvan één week voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan beschadiging van goederen en aan mishandeling. Hij heeft zich als klant van een poolcentrum op agressieve wijze afgereageerd op drie reclameborden van het poolcentrum, die daardoor beschadigd zijn geraakt. Toen een andere klant de verdachte wilde kalmeren, werd hij door de verdachte in zijn hand gebeten. Door zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de rechthebbende op de reclameborden en op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Bijtwonden zijn pijnlijke en vervelende wonden, ook vanwege infectiegevaar. Het hof rekent dit de verdachte aan. Uit een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 15 september 2021 blijkt bovendien dat de verdachte eerder ter zake van soortgelijke feiten, te weten geweldsdelicten en vernieling, onherroepelijk is veroordeeld. Dit weegt in zijn nadeel. Het hof is daarom van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere dan een vrijheidsbenemende straf. Naar het zich laat aanzien, is de kans op recidive reëel en is hulpverlening geïndiceerd. Namens de verdachte is in hoger beroep nadrukkelijk gevraagd om een reclasseringsrapport. Ondanks de expliciete toezegging van de verdachte te zullen meewerken aan de totstandkoming daarvan heeft hij die medewerking uiteindelijk geweigerd. Het hof ziet daarom geen mogelijkheden om bijzondere voorwaarden op te leggen, maar zal wel – overeenkomstig het vonnis van de politierechter en de vordering van de advocaat-generaal – een deel van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opleggen. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken. Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) week, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Kengen, mr. A.M. van Woensel en mr. M.R. Cox, in tegenwoordigheid van mr. S.M. Schouten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 oktober 2021. Mr. A.M. van Woensel en mr. M.R. Cox zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.