afdeling strafrecht parketnummer: 23-000757-20 datum uitspraak: 21 januari 2021 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 10 maart 2020 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-227861-17 en 15-018014-20 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 januari 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht. Tenlasteleggingen Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: Zaak met parketnummer 15-227861-17: hij op of omstreeks 13 november 2017 te Kreileroord, gemeente Hollands Kroon [slachtoffer] heeft mishandeld door meerdere malen dan wel eenmaal (met gebalde vuist) op/ tegen het gezicht en/of het hoofd te slaan en/of te stompen; Zaak met parketnummer 15-018014-20 (gevoegd): hij op of omstreeks 21 januari 2020 te Kreileroord, gemeente Hollands Kroon [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] (meermalen) in zijn gezicht te slaan; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: Zaak met parketnummer 15-227861-17: hij op 13 november 2017 te Kreileroord, gemeente Hollands Kroon, [slachtoffer] heeft mishandeld door hem meermalen met gebalde vuist op het gezicht te slaan. Zaak met parketnummer 15-018014-20 (gevoegd): hij op 21 januari 2020 te Kreileroord, gemeente Hollands Kroon, [benadeelde] heeft mishandeld door [benadeelde] in zijn gezicht te slaan. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: telkens: mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van twee buurtgenoten door hen in het gezicht te slaan. Hierdoor hebben zij pijn en letsel ondervonden en heeft de verdachte inbreuk gemaakt op hun lichamelijke integriteit. Daarnaast veroorzaken dergelijke feiten gevoelens van angst en onrust in de samenleving, met name nu beide mishandelingen overdag op straat in de eigen woonomgeving hebben plaatsgevonden. Deze feiten rechtvaardigen een taakstraf. Eén van de slachtoffers woont nog steeds in de buurt van de verdachte, zodat allerminst is uitgesloten dat beiden elkaar in de toekomst zullen tegenkomen. Om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan, niet in de laatste plaats tegen dit slachtoffer, zal het hof een deel van die straf in voorwaardelijke zin opleggen. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de zaak met parketnummer 15-227861-17 in eerste aanleg is overschreden. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn is aangevangen op 13 november 2017 (de datum waarop de verdachte is aangehouden en een bekennende verklaring heeft afgelegd). Op 10 maart 2020 heeft de politierechter vonnis gewezen. Aldus is in eerste aanleg sprake geweest van een overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer vier maanden. Gelet op de beperkte mate van de termijnoverschrijding en de relatief beperkte straf, zal het hof hieraan geen gevolgen verbinden en zal het volstaan met het constateren van de overschrijding. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 533,74, bestaande uit € 183,74 aan materiële schade en € 350,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedings-maatregel. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 511,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.