afdeling strafrecht parketnummer: 23-000965-21 datum uitspraak: 7 oktober 2021 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 31 maart 2021 in de strafzaak onder parketnummer 13-143314-20 en 13-266851-18 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 september 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wegens medeplegen van poging tot moord zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van achttien maanden en dat aan hem een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel zal worden opgelegd. Vonnis waarvan beroep De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot wezenlijk andere overwegingen en beslissingen ten aanzien van het bewijs en de straf- en maatregeloplegging dan die van de rechtbank. Het hof verenigt zich derhalve met het vonnis waarvan beroep en zal dit bevestigen, behalve ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] (vader van het slachtoffer) en de daarbij horende schadevergoedingsmaatregel (in zoverre zal het vonnis worden vernietigd) en met dien verstande dat het hof: twee door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen schrapt; de strafmotivering aanvult met een conclusie ten aanzien van de toerekenbaarheid van het bewezenverklaarde feit; beslist op een ter terechtzitting in hoger beroep gedaan voorwaardelijk verzoek tot het doen uitvoeren van een onderzoek naar de mogelijkheid van een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Schrapping van twee bewijsmiddelen Het hof schrapt de volgende bewijsmiddelen uit de bijlage bij het vonnis van 31 maart 2021: een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2020109753 van 25 augustus 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], doorgenummerde pag. A268-A284 (pagina 32-33 van het vonnis); een proces-verbaal van bevindingen met nummer 13506058 van 25 augustus 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 1], doorgenummerde pag. A285-A307 (pagina 33-34 van het vonnis). Aanvulling van de strafmotivering Het hof is van oordeel dat het bewezenverklaarde feit de verdachte – in navolging van de adviezen van de psychiater en de psycholoog – verminderd dient te worden toegerekend. Ter terechtzitting in hoger beroep gedaan voorwaardelijk verzoek tot nader onderzoek naar de mogelijkheid van een voorwaardelijke PIJ-maatregel De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht –wanneer het hof tot een bewezenverklaring zou komen – het onderzoek ter terechtzitting te heropenen, teneinde nader onderzoek te doen naar de mogelijkheid van een voorwaardelijke PIJ-maatregel. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat de jeugdreclassering en Raad voor de Kinderbescherming telkens hebben geadviseerd een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen, waardoor ook geen onderzoek is gedaan naar andere mogelijkheden, zoals plaatsing bij de vader van de verdachte binnen strakke voorwaardelijke kaders. Daarbij moet volgens de raadsvrouw in aanmerking worden genomen dat het tot aan de aanhouding van de verdachte wel goed ging met de hulpverlening. De advocaat-generaal verzet zich tegen toewijzing van dit verzoek, omdat het hof reeds voldoende is voorgelicht op grond van de voorhanden zijnde rapportages. Het hof overweegt hierover als volgt. Het hof komt, in navolging van de rechtbank tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, zodat aan de door de verdediging gestelde voorwaarde bij het verzoek is voldaan. Anders dan de verdediging, ziet het hof evenwel geen noodzaak tot het doen rapporteren over de mogelijkheid van een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat uit het dubbelrapport van 9 november 2020 volgt dat zowel de psychiater als de psycholoog de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel noodzakelijk achten en een voorwaardelijke PIJ niet meer als mogelijk alternatief zien. De psychiater schat in dat noodzakelijke behandeling op dit moment niet meer op een andere manier is te organiseren en dat er geen alternatief meer voorhanden is om het gedrag van de verdachte te beïnvloeden. Een behandeling in het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel wordt uitdrukkelijk niet geadviseerd, omdat dit niet als een voldoende stevige stok achter de deur wordt gezien en de verdachte een langdurige, intensieve behandeling nodig heeft, waarbij deze behandeling bij voorkeur residentieel dient te starten. De psycholoog heeft, gezien de omstandigheid dat het van januari 2020 tot aan de aanhouding eind mei 2020 beter leek te gaan met de verdachte en zijn hulpverlening, een voorwaardelijk kader overwogen, maar kwam alles overziend tot het oordeel dat een onvoorwaardelijk PIJ-maatregel noodzakelijk is, onder meer omdat een langdurige residentiële behandeling nodig is om de problematiek succesvol te kunnen behandelen. Bovendien hebben het hof, de advocaat-generaal en de verdediging op de terechtzitting in hoger beroep nadere vragen kunnen stellen aan de aanwezige deskundigen van de jeugdreclassering en de Raad voor de Kinderbescherming, die beiden nog achter het advies tot oplegging van een onvoorwaardelijk PIJ-maatregel stonden. Het hof ziet gezien het voorgaande in hetgeen door de verdediging is aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten om tot heropening van de zaak en tot nader onderzoek te beslissen. Het hof wijst het verzoek daarom af. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] (vader) De benadeelde partij [benadeelde] – vader van het slachtoffer - heeft zich, bijgestaan door zijn advocaat, in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedroeg € 25.000,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.