GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer: 200.266.610/01 zaak- en rolnummer rechtbank Noord-Holland: 7100904 \ CV EXPL 18-6370 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 september 2021 inzake [appellant] , wonend te [plaats A] , appellant, advocaat: mr. T. Hovers te Amsterdam, tegen 1de vennootschap onder firma [X] , gevestigd te [plaats B] , 2. [Y], wonend te [plaats B] , 3. [Z], wonend te [plaats B] , geïntimeerden, advocaat: mr. J.N. Heeringa te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellant] , [X] , [Y] en [Z] genoemd. Geïntimeerden gezamenlijk worden ook wel aangeduid als [geïntimeerden] [appellant] is bij dagvaarding van 5 juli 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (hierna: de kantonrechter) van 10 april 2019, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie en [geïntimeerden] als gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties; - memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel en houdende wijziging van eis, met producties; - memorie van antwoord in incidenteel appel. Partijen hebben de zaak ter zitting van 16 maart 2021 doen bepleiten door hun hiervoor genoemde advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Namens [geïntimeerden] heeft tevens mr. Knaap, advocaat te Amsterdam, het woord gevoerd. Van beide zijden zijn nog producties in het geding gebracht. Partijen hebben vragen beantwoord en inlichtingen verstrekt. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis (deels) zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog zijn vorderingen geheel zal toewijzen, met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente. [geïntimeerden] hebben geconcludeerd in principaal appel tot verwerping daarvan, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het principaal appel met nakosten en rente en in incidenteel appel tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover hun vordering daarbij is afgewezen en de proceskosten (naar het hof begrijpt:) in reconventie zijn gecompenseerd en voorts te beslissen zoals in hun memorie nader is verwoord, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente. [appellant] heeft in incidenteel appel geconcludeerd tot bekrachtiging van het in reconventie gewezen vonnis en tot afwijzing van de gewijzigde eis, met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten met nakosten en rente. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 2Feiten De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.40 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. [X] voert bij grief 1 in incidenteel appel aan dat de koopsom, genoemd in 2.26, niet is voldaan door storting op de kwaliteitsrekening van de notaris maar door verrekening met ingevolge het in 2.21 genoemde vonnis verbeurde dwangsommen. Het hof zal in het onderstaande daarmee rekening houden. De feiten zijn voor het overige in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Zij komen neer op het volgende. 2.1 Op 23 december 1992 heeft [naam eigenaar] (hierna: [naam eigenaar] ) in eigendom verkregen het gebouw, bestaande uit winkel- bedrijfs- of beroepsruimten met apart gelegen bergingen, vijf garages en zestien maisonnettes met bijbehorende grond, gelegen te [plaats B] aan de [a-straat] 139 tot en met 169 (even nummers) en [b-straat] 38 tot en met 68 (even nummers) (hierna: het gebouw). 2.2 Op 1 april 2004 heeft [naam eigenaar] een huurovereenkomst gesloten met [X] . [naam eigenaar] werd daarbij vertegenwoordigd door haar gemachtigde Adelbrecht Vastgoed Beheersmaatschappij B.V. (hierna te noemen: Adelbrecht ). [X] werd vertegenwoordigd door haar vennoten [Z] en [Y] . Het huurcontract is opgesteld door Adelbrecht . Daarbij is gebruik gemaakt van het ROZ model Huurovereenkomst winkelruimte van juli 2003. De Algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimte 2003 zijn van toepassing verklaard. [X] heeft getekend voor ontvangst van die bepalingen. 2.3 Het gehuurde omvat de van het gebouw deel uitmakende bedrijfsruimte [b-straat] 46 (hierna: de bedrijfsruimte) en de daarboven gelegen woning [a-straat] 161 te [plaats B] (hierna: de woning). Het gehuurde wordt casco verhuurd en is bestemd om te worden gebruikt als cafetaria-snackbar respectievelijk woning. De woning heeft een eigen opgang en eigen voorzieningen. 2.4 De huur is ingegaan op 1 april 2004 voor een periode van vijf jaar en wordt voortgezet met telkens een periode van vijf jaar. De aanvangshuurprijs is € 10.746,60 per jaar (€ 895,55 per maand). Bij aanvang van de huur trad Adelbrecht op als beheerder. 2.5 In de huurovereenkomst is opgenomen: “3.3. Beëindiging van deze overeenkomst vindt plaats door opzegging tegen het einde van een huurperiode met inachtneming van een termijn van tenminste één jaar.” 2.6 In de algemene bepalingen van de huurovereenkomst is opgenomen: “11.1. (…) Huurder moet verhuurder terstond op de hoogte stellen van gebreken of als zich een gebeurtenis als bedoeld in 11.6 voordoet of dreigt voor te doen. (…) 11.6. Verhuurder is niet aansprakelijk voor schade toegebracht aan de persoon of goederen van huurder en huurder heeft geen recht op huurprijsvermindering, geen recht op verrekening of opschorting van enige betalingsverplichting en geen recht op ontbinding van de huurovereenkomst in geval van vermindering van huurgenot ten gevolge van gebreken, waaronder die ten gevolge van zichtbare en onzichtbare gebreken aan het gehuurde of het gebouw of complex waarvan het gehuurde deel uitmaakt, (…)”. 2.7 Op 17 mei 2004 heeft de gemeente [gemeente] een exploitatievergunning afgegeven aan [Y] voor de bedrijfsruimte. 2.8 [naam eigenaar] is op een moment in de periode van 1 december 2005 tot 26 januari 2006 overleden. 2.9 Adelbrecht heeft op 23 februari 2006 aan alle gebruikers van het gebouw geschreven: “(…) Hierbij delen wij u mede dat wij de beheersovereenkomst van het door u gehuurde perceel m.i.v. 1 februari 2006 hebben beëindigd. Wij hebben van de eigenaar van het pand niet vernomen wie het beheer zal voortzetten en weten om die reden ook niet aan wie u thans de huur dient te voldoen. Wij gaan er van uit dat de eigenaar u hierover op korte termijn zal informeren. (….)” 2.10 Bij brief van 31 mei 2006 heeft [A] van [A] Advies (hierna: [A] ) namens de bewoners en winkeliers van het gebouw aan Adelbrecht geschreven: “(…) Het heeft de huurders dan ook bijzonder verbaasd dat u weer als verhuurder denkt te gaan optreden, zonder enige vorm van overleg. Hierbij vraag ik u, namens de huurders, mij een geldig contract c.q. overeenkomst te doen toekomen waaruit blijkt dat u gerechtigd bent opnieuw op te treden als verhuurder van het pand. (…) Namens de huurders verneem ik graag van u hoe u denkt het achterstallige onderhoud van het pand ongedaan te maken. (…) De huurders maken bezwaar tegen het feit dat de buiten functie gestelde betalingsmachtigingen door u, zonder akkoord van de huurders, weer zal worden gebruikt voor het incasseren van de huur. Zij geven u geen toestemming op welke wijze dan ook geld van hun rekeningen af te doen schrijven. (…)” 2.11 [A] heeft bij brief van 1 juni 2006 de bewoners en winkeliers van het gebouw bericht: “(…) Ik adviseer u zolang er nog geen afdoend antwoord is gekomen van de firma Adelbrecht ook nog geen huur aan deze firma over te maken. (…) Mocht u later om welke juridische reden wel verplicht zijn betalingen aan Adelbrecht te doen, dan kan dat altijd nog gebeuren. (…)” 2.12 Op 22 september 2006 is de Stichting Beheer Huurpanden [naam eigenaar] [a-straat] - [b-straat] [plaats B] (hierna: stichting [naam eigenaar] ) opgericht en ingeschreven in het handelsregister. Per die datum zijn [A] en [B] ingeschreven als bestuursleden van de stichting [naam eigenaar] . Per 1 augustus 2007 is [C] als penningmeester aan het bestuur toegevoegd. Stichting [naam eigenaar] staat nog steeds ingeschreven in het handelsregister. 2.13 In 2006 heeft de besloten vennootschap [R] Vastgoed BV, een vennootschap van de broer van [appellant] , gebruikt gemaakt van bedrijfsruimten aan de [b-straat] in het gebouw voor de exploitatie van een badkamerzaak. [appellant] hielp zijn broer regelmatig in de badkamerzaak. Op de facebookpagina van [appellant] wordt met een link verwezen naar de website van die badkamerzaak, www.badkameruitverkoop.nl. Deze vennootschap heeft gehuurd van stichting [naam eigenaar] en huur betaald aan deze stichting. 2.14 [X] heeft over de periode februari 2006 tot en met oktober 2007 een bedrag van € 487,50 per maand aan huur betaald op bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] van stichting [naam eigenaar] . In 2008 en 2009 heeft [X] regelmatig bedragen van € 975,00 met de vermelding huur overgemaakt naar bankrekening [rekeningnummer 2] , een bankrekening van [X] zelf. 2.15 Enkele bewoners en bedrijfsmatige gebruikers van het gebouw zijn een procedure onder rolnummer HA ZA 2010-1489 aangevangen tegen stichting [naam eigenaar] om aan de stichting betaalde huurpenningen terug te vorderen. 2.16 Blijkens een verklaring van het Ambtsgericht Charlottenburg, Duitsland, van 5 juli 2010 heeft [naam eigenaar] als erfgenamen achtergelaten [erfgename 1] en [erfgename 2] , ieder voor de onverdeelde helft. 2.17 Een kantoorgenoot van mr. Hovers heeft namens [appellant] vanaf maart 2011 onderhandeld met de Duitse advocaten van de erven [naam eigenaar] . Uiteindelijk is op 22 augustus 2011 overeenstemming bereikt over de koop van het gebouw door [appellant] van de erven [naam eigenaar] . De erven hebben geen vrijwillige medewerking willen verlenen aan de levering van het gebouw omdat zij ook onderhandelingen hadden lopen met een andere gegadigde, [naam gegadigde] (hierna: [naam gegadigde] ). Zowel [appellant] als [naam gegadigde] hebben aanspraak gemaakt op levering van de eigendom van het gebouw. [appellant] en [naam gegadigde] hebben beiden leveringsbeslag gelegd op het gebouw en een vordering tot nakoming ingesteld. 2.18 In een brief van 11 oktober 2011 heeft de gemeente [gemeente] de bewoners van het gebouw als volgt geïnformeerd: “(…) Bij brief van 12 juni 2003 is de eigenaar gewezen op de slechte staat van het pand. In juli 2006 heeft een inspectie plaatsgevonden (…) Vervolgens is aan een betonbeschermingsbureau de opdracht gegeven om de betonconstructie van het complex veilig te stellen. Op 1 augustus 2007 is daarvoor een voornemen tot toepassing bestuursdwang verzonden. Deze werkzaamheden zijn vervolgens uitgevoerd waarmee het directe gevaar voor de omgeving is weggenomen. Als u toen al bewoners was van het complex bent u daarover bij brief van 2 november 2007 geïnformeerd. (…) In dit geval is de eigenaar overleden en inmiddels staat vast wie beschikkingsbevoegd is over de nalatenschap (waaronder dit pand). Wij hebben de eigenaar inmiddels aangeschreven (…) Ook hebben wij op 27 september 2011 een inspectie uitgevoerd. (…) Daarom adviseren wij u met klem de balkons niet te betreden. (…)” 2.19 Op 2 maart 2012 is [erfgename 1] overleden. Op 14 juni 2012 is [erfgename 2] overleden. 2.20 Bij brief van 27 april 2012 heeft de gemeente de bewoners met het oog op de veiligheid verboden om de balkons te betreden. In 2012 heeft de gemeente [gemeente] enige noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden aan het gebouw verricht. De kosten daarvan bedroegen tezamen met onbetaald gebleven gemeentelijke belastingen (WOZ) op 28 juli 2016 € 122.434,87. 2.21 Bij vonnis van 31 oktober 2012 heeft de rechtbank Haarlem bij verstek uitspraak gedaan in de zaak met rolnummer HA ZA 12-263 en [erfgename 1] en [erfgename 2] hoofdelijk veroordeeld tot verlening van medewerking aan de levering aan [appellant] van het gebouw voor een koopsom van € 975.000,- k.k. binnen dertig dagen na betekening van het vonnis, met bepaling dat de leveringsakte alle bepalingen diende te bevatten die gebruikelijk zijn en dat het vonnis in de plaats zal treden van de medewerking van de [erfgenamen] aan het opstellen van en het transporteren van de leveringsakte, veroordeeld tot betaling van een dwangsom van € 10.000,- per dag met een maximum van € 975.000,-. 2.22 In 2013 heeft [appellant] de rechtbank te Padua en de rechtbank in Turijn verzocht om een beheerder voor de nalatenschappen aan te stellen. Op 5 december 2013 is [curator 1] (hierna: [curator 1] ) en op 21 maart 2014 is [curator 2] (hierna: [curator 2] ) als curator over de nalatenschap van [erfgename 1] respectievelijk [erfgename 2] benoemd. 2.23 Op 31 maart 2014 heeft [appellant] het verstekvonnis van 31 oktober 2012 aan de curatoren betekend. [curator 1] heeft het betekende vonnis op 30 april 2014 ontvangen en [curator 2] op 16 mei 2014. 2.24 Op 29 december 2017 is bij akte verleden voor mr. D.P. Kasper, notaris te Amsterdam, de eigendom van het gebouw geleverd aan [appellant] . De levering vond plaats ter uitvoering van voormeld verstekvonnis. De koopprijs bedroeg € 975.000,- en is volgens de leveringsakte voldaan. Verder is in de leveringsakte bepaald dat indien in de akte niet uitdrukkelijk is afgeweken, de bepalingen zoals vermeld in het koopcontract van toepassing zijn. De akte is op 2 januari 2018 om 9:00 uur ingeschreven in de openbare registers. 2.25 De gemachtigde van [appellant] heeft bij brief van 15 januari 2018 aan “de bewoners van de [a-straat] 161 ” (zijnde het adres van de woning) geschreven dat [appellant] met ingang van 1 januari 2018 eigenaar is van het gebouw en dat hij heeft geconstateerd dat de bewoners de woonruimte hebben gekraakt, althans onrechtmatig in gebruik hebben genomen. [appellant] heeft de bewoners gesommeerd om de woonruimte uiterlijk 31 januari 2018 te ontruimen en een kort geding tot ontruiming aangezegd. Ook heeft [appellant] de bewoners aansprakelijk gesteld voor vertragingsschade. [appellant] heeft daarbij aangegeven op de kortste termijn over te gaan tot renovatie en herontwikkeling van het pand. Een gelijkluidende brief heeft [appellant] aan “de gebruikers van de bedrijfsruimte aan de [b-straat] 46 ” (zijnde het adres van de bedrijfsruimte) gestuurd. 2.26 [appellant] heeft met de curatoren in de voornoemde nalatenschappen een ‘Settlement Agreement’ gesloten, waarin onder meer is overeengekomen: “2.1 [appellant] shall pay to [curator 2] and [curator 1] , together, a total amount of € 120.000,00 (…) for: b. The transfer of all possible existing rental agreements (with rights and duties) in the Building; c. The purchase of all possible accrued credits (past, present and future) pertaining to the payment of rents for the living units and shops in the Building; (…) 2.3. [curator 2] and [curator 1] a. confirm by signing this agreement that [appellant] is the rightful purchaser of the Building and that the agreed price has been paid through the payment of the amount mentioned in point 2.1. (…) d. transfer, by signing this agreement, to [appellant] all possible existing rental contracts in the Building; (…) e. transfer by signing this agreement to [appellant] all past, present and future (until the day the ownership of the Building will have been transferred to [appellant] ) credits accrued and to be accrued which are due or will be due to the landlord on the basis of the possible rental contracts in the Building, both still existing and terminated; (…)”. De overeenkomst is door [appellant] in november 2017 ondertekend. 2.27 [appellant] heeft uitvoering aan deze overeenkomst gegeven en op 5 februari 2018 de helft van het overeengekomen bedrag aan de curatoren betaald. [curator 1] en [curator 2] hebben de overeenkomst op 9 februari 2018 ondertekend. Op 9 maart 2018 heeft [appellant] de tweede helft van het bedrag betaald. 2.28 [appellant] heeft een deel van de kosten van de door de gemeente [gemeente] uitgevoerde onderhoudswerkzaamheden betaald. 2.29 Op 14 maart 2018 heeft [appellant] de huurovereenkomst met [X] opgezegd tegen 1 april 2019 met een beroep op artikel 3.3. van de huurovereenkomst. Daarnaast heeft [appellant] de huurovereenkomst opgezegd met een beroep op dringend eigen gebruik wegens renovatie, die niet zonder huurbeëindiging mogelijk is. Subsidiair heeft [appellant] in de brief de redelijke afweging van de wederzijdse belangen (artikel 7:296 lid 3 BW) aan zijn opzegging ten grondslag gelegd. 2.30 Mr. Hovers heeft mr. K. Gerritsen in de dossiers van zes andere bewoners van woonruimte in het gebouw op 25 april 2018 bericht dat hen een ontruimingstermijn wordt toegestaan tot 31 oktober 2018. [appellant] heeft met de bewoner van de woonruimte aan de [a-straat] 157 op 12 juni 2018 een vaststellingsovereenkomst tot ontruiming gesloten. De betreffende woonruimte is opgeleverd en vervolgens door [appellant] in gebruik gegeven aan een derde. 2.31 De gemachtigde van [appellant] heeft de gemachtigde van [geïntimeerden] op 8 mei 2018 per e-mail bericht dat hij aanspraak maakt op de niet betaalde huur vanaf 2013 en dat het daarbij gaat om een bedrag van € 64.734,90. In die e-mail zijn [geïntimeerden] tevens uitgenodigd tot het voeren van minnelijk overleg. 2.32 Bij e-mail van 11 juli 2018 heeft R. de Graaf RMT RT, werkzaam bij Hanson Bedrijfsmakelaars te Haarlem (hierna: De Graaf ), in opdracht van [Y] een indicatie afgegeven voor de huur van de bedrijfsruimte. De bedrijfsruimte is circa 46m2 groot en De Graaf heeft de huurwaarde geïndiceerd op € 55,00 per m2 v.v.o. gebaseerd op de uitgangspunten: “waarderen als winkel-/horeca-/praktijkruimte en een flinke correctie toepassen voor het achterstallige onderhoud/haveloze toestand van het gebouw (…) en waarderen als (eenvoudige) opslagruimte (refererend aan huurprijzen bedrijfs- en opslagruimte in [plaats B] )”. Hieraan zijn onder meer de volgende opmerkingen voorafgegaan: Kenmerken van het object en de omgeving: Kwaliteit van de omgeving: slechts tot zeer slecht (…) Staat van onderhoud: slecht tot zeer slecht Commerciële aantrekkelijkheid voor retail: slecht tot zeer slecht (…) 2.33 [X] heeft op 16 juli 2018 € 3.500,- en op 21 augustus 2018 € 500,- voor huurpenningen gereserveerd op de derdengeldenrekening van haar gemachtigde. Bij beschikking van 17 september 2018 is aan [appellant] voorlopig verlof verleend voor het leggen van conservatoir beslag. 2.34 Ir. Q.R. Wildeboer heeft in opdracht van [appellant] onderzoek gedaan naar de staat van de balkons en de galerij. In zijn rapport van 2 oktober 2018 is opgenomen dat de wapening in het beton ernstig is aangetast door corrosie. Daarom dient de wapening, in afwachting van algehele renovatie, geconserveerd te worden. De balusters van het hekwerk zitten nog volledig in het beton en zitten nog voldoende vast. Op sterkte voldoen de balkons nog. Verder zijn enige maatregelen op korte termijn noodzakelijk. 2.35 Bij brief van 9 oktober 2018 heeft de gemeente [gemeente] [appellant] geïnformeerd: “Op 1 mei 2018 hebben wij uw ruimtelijk initiatief (…) ontvangen. Op 24 september 2018 heeft u dit initiatief in een overleg mondeling toegelicht. Het door u ingediende initiatief ziet toe op sloop van het bestaande pand en realisatie van een pand van 5 bouwlagen met appartementen, hotelkamers, bedrijfsruimten en bijbehorende parkeergarage. Uw initiatief past niet binnen het bestaande bestemmingsplan [plaats B] -West , zowel de beoogde bouwmassa als de beoogde functies zijn niet passend. Daarnaast is een herontwikkeling naar hotel en/of bedrijfsruimten op deze locatie op basis van de gemeentelijke Detailhandelsvisie niet wenselijk. Dergelijke functies dienen te worden geconcentreerd op locaties die meer kansrijk zijn dan de [b-straat] . Gezien de bouwkundige staat van het huidige pand vinden we het echter wel wenselijk dat op de locatie herontwikkeling plaatsvindt. Indien u bereid bent om uw initiatief voor herontwikkeling te beperken tot de functie wonen zijn wij bereid om de haalbaarheid hiervan met u te onderzoeken. (…) Een mogelijke herontwikkeling van de locatie begint met het opstellen van een zogenaamd startdocument. (…) Deze startdocumentfase heeft een doorlooptijd van circa 6 tot 9 maanden. Hierna volgen zoals gebruikelijk nog de fasen van voorontwerp bestemmingsplan, het ontwerp bestemmingsplan en de omgevingsvergunning. (…)” 2.36 [appellant] heeft de gebruikers van de woonruimten en bedrijfsruimten in het gebouw op 13 oktober 2018 bericht dat hij door de gemeente is verplicht om werkzaamheden aan de gevels en de balkons van de woningen te verrichten en dat deze werkzaamheden op 22 oktober 2018 zullen aanvangen. 2.37 [appellant] heeft de gemeente [gemeente] op 16 november 2018 bericht: “(…) Wij zouden graag doorgaan met de herontwikkeling van deze lokatie aan de [b-straat] op de door de gemeente voorgestelde weg. Met het voornemens om het bouwvolume te vergroten, omdat dit de haalbaarheid vergroot en beter aansluit op de omliggende bebouwing. (…) en het mogelijk mengen met andere gebruiksfuncties op de begane grond. (…)” 2.38 Bij de mondelinge behandeling op 16 november 2018 in een procedure inzake een door [appellant] gelegd beslag hebben partijen een tijdelijke regeling getroffen. Op grond van deze regeling heeft [X] over de periode januari 2018 tot en met november 2018 € 5.500,- aan huur betaald aan [appellant] en zou zij vanaf december 2018 maandelijks € 550,- als voorschot op de huur betalen aan de door [appellant] aangestelde beheerder, [beheerder] . 3Beoordeling Het geschil in eerste aanleg 3.1.1 [appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep van belang: primair: a. de huurovereenkomst te ontbinden; b. [X] te veroordelen de bedrijfsruimte en de woning te ontruimen op straffe van verbeurte van een dwangsom; en c. [Y] en [Z] te veroordelen om de ontruiming te gehengen en te gedogen en waar nodig hun medewerking daaraan te verlenen, subsidiair: d. te bepalen dat de huurovereenkomst met betrekking tot de bedrijfsruimte per 1 april 2019, althans op een in goede justitie te bepalen datum zal zijn beëindigd; e. [X] te veroordelen de bedrijfsruimte te ontruimen op straffe van verbeurte van een dwangsom; en f. [Y] en [Z] te veroordelen om de ontruiming te gehengen en te gedogen en waar nodig hun medewerking daaraan te verlenen, en daarnaast: g. [Y] en [Z] te veroordelen om de ontruiming te gehengen en te gedogen en waar nodig hun medewerking aan deze ontruiming te verlenen; h. [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen aan [appellant] te betalen een bedrag aan huurachterstand vanaf juni 2013 tot en met december 2017 van € 59.161,45, vermeerderd met wettelijke rente; i. [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen aan [appellant] te betalen een bedrag aan huurachterstand vanaf januari 2018 tot en met november 2018 van € 6.211,59, vermeerderd met wettelijke rente; j. [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 1.114,69 per maand aan gebruiksvergoeding vanaf 1 december 2018, dan wel de datum van de ontbinding dan wel de datum van de beëindiging van de huurovereenkomst tot aan de datum van de algehele ontruiming, een en ander met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten. 3.1.2 [appellant] heeft daaraan primair ten grondslag gelegd dat [X] een huurachterstand heeft en dat deze huurachterstand aanzienlijk is en een ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. De huurpenningen verschuldigd voor 2018 zijn aan hem gecedeerd, tegelijk met de levering van de eigendom van het gebouw. Subsidiair heeft [appellant] gesteld dat hij de huur heeft opgezegd per 1 april 2019. [appellant] heeft het gehuurde dringend nodig voor eigen gebruik omdat renovatie van de bedrijfsruimte zonder beëindiging van de huur niet mogelijk is. Meer subsidiair dient de huurovereenkomst te worden beëindigd op grond van de belangenafweging ex artikel 7:296 lid 3 BW. Voor [appellant] bestaat er absolute noodzaak om over het gehuurde te kunnen beschikken en daarmee als eigenaar/belegger het gebouw te kunnen slopen en herontwikkelen. Omdat [X] per einddatum van de huurovereenkomst reeds vijftien jaar gebruik heeft kunnen maken van het gehuurde, heeft de beschermingsbehoefte van de huurder veel aan kracht verloren. 3.1.3 [geïntimeerden] hebben de gronden van de vorderingen betwist. Zij hebben van hun zijde gevorderd [appellant] te veroordelen om over te gaan tot het laten uitvoeren van integraal onderhoud aan het gehuurde en het gehuurde weer volledig in veilige staat te brengen op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. [appellant] heeft deze vordering op zijn beurt betwist. 3.1.4 De kantonrechter heeft, voor zover in hoger beroep van belang, overwogen dat [appellant] zijn rechten heeft verwerkt ten aanzien van de huurtermijnen die zijn vervallen voor 1 januari 2018, althans dat een beroep van [appellant] op de verplichting tot betaling daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De kantonrechter heeft verder overwogen dat [X] in verzuim is met betrekking tot de huurtermijnen vanaf 1 januari 2018 en dat [appellant] daarom in beginsel recht heeft op ontbinding van de huurovereenkomst. De tekortkoming is niet van geringe betekenis, aldus de kantonrechter, maar er zijn wel omstandigheden van bijzondere aard aanwezig die maken dat het betalingsgedrag van [X] niet kan leiden tot ontbinding van de huurovereenkomst. De kantonrechter heeft het primair door [appellant] gevorderde (vorderingen a, b en
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.