afdeling strafrecht parketnummer: 23-001111-19 datum uitspraak: 21 juli 2021 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 14 maart 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-003636-19 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 juli 2021, en overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 13 augustus 2018 te Beverwijk, aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken arm (midschachtfractuur ulna), heeft toegebracht door die [benadeelde] - meermalen te slaan/stompen/duwen in/tegen het gezicht, althans tegen het lichaam, waardoor die [benadeelde] op/tegen een bankje is gevallen en/of - ( vervolgens) meermalen te trappen/schoppen tegen de arm; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 13 augustus 2018 te Beverwijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet - meermalen in/tegen het gezicht, althans het lichaam, heeft geslagen/gestompt, waardoor die [benadeelde] op/tegen een bankje is gevallen en/of - ( vervolgens) meermalen tegen de arm van die [benadeelde] heeft geschopt/getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 13 augustus 2018 te Beverwijk [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] - meermalen te slaan/stompen/duwen in/tegen het gezicht, althans tegen het lichaam, waardoor die [benadeelde] op/tegen een bankje is gevallen en/of - ( vervolgens) meermalen te trappen/schoppen tegen de arm, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken arm (midschachtfractuur ulna) ten gevolge heeft gehad; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof reeds tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Bespreking van verweren De verdediging heeft zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden, dat geen sprake is van opzet op (zwaar) lichamelijk letsel nu uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte aangeefster daadwerkelijk zou hebben geschopt, althans dat door het schoppen zwaar letsel is ontstaan. De verdachte heeft aangeefster van zich afgeduwd waarna zij ongelukkig op een bankje terecht kwam en een armbreuk opliep. Uit het geven van een duw onder deze omstandigheden kan echter niet worden afgeleid dat de verdachte het opzet heeft gehad om aan aangeefster (zwaar) letsel toe te brengen. Ook is volgens de verdediging geen sprake van zwaar lichamelijk letsel nu een breuk in de onderarm niet zonder meer zwaar lichamelijk letsel oplevert. Het hof overweegt als volgt. Het verweer strekkende tot vrijspraak nu volgens de verdediging bij aangeefster geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel wordt verworpen. Het hof is van oordeel dat het letsel van aangeefster, te weten een gebroken arm, gelet op de aard ervan, de noodzaak en de aard van het medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel, moet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 Sr. Immers is sprake van een botfractuur waarbij operatief ingrijpen noodzakelijk was. Uit de toelichting bij het verzoek tot schadevergoeding blijkt dat in de arm van aangeefster een plaat met schroeven is geplaatst, dat zij nog steeds last heeft van haar arm en belemmerd is in haar werk. Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aangeefster tegen haar arm heeft geschopt. Weliswaar heeft aangeefster dit verklaard, maar die verklaring vindt onvoldoende steun in de overige bewijsmiddelen. Wel stelt het hof, mede op grond van de verklaring van de verdachte en de beschrijving van de camerabeelden, vast dat de verdachte aangeefster hard heeft geduwd waardoor zij tegen een bankje en op de grond is gevallen. Naar algemene ervaringsregels roept een harde duw tegen het lichaam in beginsel niet (zonder meer) een aanmerkelijke kans in het leven op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel. Daarnaast is er in het onderhavige geval geen enkele aanwijzing dat de verdachte zich bewust is geweest van de mogelijkheid dat zijn duw tegen aangeefster een gebroken arm of een andere vorm van zwaar lichamelijk letsel teweeg zou (kunnen) brengen. Van bewuste aanvaarding van die kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is dan ook geen sprake geweest. Op grond van het voorgaande acht het hof niet bewezen dat bij de verdachte sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet om aangeefster zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De verdachte zal dan ook van het primair (zware mishandeling) en subsidiair (poging zware mishandeling) ten laste gelegde worden vrijgesproken. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 13 augustus 2018 te Beverwijk [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] te duwen tegen het lichaam, waardoor die [benadeelde] op/tegen een bankje is gevallen terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken arm (midschachtfractuur ulna) ten gevolge heeft gehad. Hetgeen meer subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het meer subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het meer subsidiair bewezenverklaarde levert op: mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft. Strafbaarheid van de verdachte Beroep op psychische overmacht. De verdediging heeft bepleit dat, mocht het hof de verdediging niet volgen in de vrijspraak, de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hem een beroep toekomt op psychische overmacht. De raadsvrouw heeft daartoe – kort samengevat – aangevoerd dat de verdachte al maandenlang getreiterd werd door aangeefster en in alle redelijkheid daaraan geen weerstond meer kon bieden toen aangeefster op de bewuste dag wederom de confrontatie opzocht. Het hof overweegt als volgt. Een beroep op psychische overmacht kan slechts slagen indien de verdachte heeft gehandeld onder een zodanige van buiten komende drang, dat redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd dat hij daaraan weerstand zou bieden. Aannemelijk is geworden dat de relatie tussen de verdachte en aangeefster al geruime tijd zeer moeizaam verliep en er veel conflicten waren, ook in verband met de zorg over hun zoontje. Zowel in het dossier als op de zitting zijn situaties beschreven waaruit blijkt dat de verdachte emotioneel geraakt was door de acties van aangeefster, zo ook op de bewuste dag van 13 augustus
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.