← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2021:3500

afdeling strafrecht parketnummer: 23-000460-19 datum uitspraak: 11 november 2021 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 23 januari 2019 in de strafzaak onder de parketnummers 81-209264-18 en 81-266917-16 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1985, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de straf. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Oplegging van straf De economische politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien het hof komt tot strafoplegging, aan de verdachte een geheel voorwaardelijke straf dient te worden opgelegd nu hij fulltime werkt en lange dagen maakt. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, gelet op de persoon van de verdachte, alsook een schending van de redelijke termijn. Het hof heeft daarbij als aanvulling op de motivering van de economische politierechter in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. Tegen de verdachte is op 23 januari 2019 vonnis gewezen. Het hof stelt op grond hiervan vast dat er in hoger beroep sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM) ter grootte van ruim negen maanden. Hierdoor is inbreuk gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM. Het hof ziet aanleiding de gestelde overschrijding te verdisconteren in de strafmaat. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 oktober 2021 is hij eerder ter zake van soortgelijke feiten onherroepelijk veroordeeld. Gelet op het voorgaande zou een taakstraf voor de duur van 50 uren passend en geboden zijn. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn bij de berechting in hoger beroep zal deze straf gematigd worden tot een taakstraf voor de duur van 40 uren. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10.60 van de Wet milieubeheer. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis. Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de meervoudige economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. V. Mul en mr. E. van Die, in tegenwoordigheid van mr. B.K.M. Pouw, griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 november 2021. mr. V. Mul is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.