← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2021:358

afdeling strafrecht parketnummer: 23-001822-20 datum uitspraak: 28 januari 2021 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de economische kamer van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Amsterdam van 21 augustus 2020 in de strafzaak onder parketnummer 96-180894-19 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 januari

  1. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 18 oktober 2018 in de gemeente Amsterdam, als bestuurder van een personenauto, gekentekend [kenteken] taxivervoer heeft aangeboden en/of verricht op het Damrak, in elk geval op een of meer aangewezen wegen en/of gedeelten daarvan zonder geldige door het college afgegeven vergunning als bedoeld in artikel 82b van de Wet Personenvervoer
  2. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering. Bewijsoverweging Het hof verwerpt het verweer van de verdachte dat hij - via zijn werkgever - telefonisch zou zijn besteld door de klant waarmee hij is aangetroffen, nu dit in het geheel niet aannemelijk is geworden. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 18 oktober 2018 in de gemeente Amsterdam, als bestuurder van een personenauto, gekentekend [kenteken] taxivervoer heeft aangeboden op een of meer aangewezen wegen of gedeelten daarvan zonder geldige door het college afgegeven vergunning als bedoeld in artikel 82b van de Wet Personenvervoer
  3. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 82b van de Wet Personenvervoer
  4. Strafbaarheid van de verdachte Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De economische politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 180,00, subsidiair drie dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 900,00, waarvan € 600,00 voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Daarbij heeft het hof tevens gelet op de persoon van de verdachte en zijn draagkracht. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft taxivervoer aangeboden zonder een daartoe strekkende vergunning. Hij heeft hiermee het overheidsbeleid ten aanzien van de regulering van taxivervoer gefrustreerd. Bovendien heeft hij hiermee mogelijk andere taxichauffeurs, die zich wel aan het geldende beleid hebben gehouden, benadeeld. Eén en ander rechtvaardigt naar het oordeel van het hof oplegging van een hogere geldboete dan in eerste aanleg is opgelegd. Het hof zal wel bepalen dat een aanzienlijk deel van de geldboete voorwaardelijk wordt opgelegd, om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te begaan. Ook wordt rekening gehouden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof acht, alles afwegende, een straf van na te melden hoogte passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 82b van de Wet Personenvervoer 2000, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, en artikel 2.3 lid 1 van de Taxiverordening Amsterdam
  5. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 29 oktober 2018 onder CJIB nummer [nummer]. Ten aanzien van het bewezenverklaarde: Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 900,00 (negenhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 18 (achttien) dagen hechtenis. Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 600,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 (twaalf) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Dit arrest is gewezen door de economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. M. Jurgens en mr. N.J.M. de Munnik, in tegenwoordigheid van mr. K. van der Togt, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 januari
  6. Mr. N.J.M. de Munnik is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.