← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2021:3584

afdeling strafrecht parketnummer: 23-004617-18 datum uitspraak: 18 november 2021 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 december 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-845014-11 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959, adres: [adres] Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11, 12, 15, 18, 19 en 21 oktober en 4 november 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. Verzoek tot terugwijzing Standpunt van de verdediging De raadsman heeft ter gelegenheid van de regiezitting in deze zaak van 22 september 2020 het hof verzocht om op grond van daar aangedragen redenen de zaak terug te wijzen naar de rechtbank. Bij pleidooi heeft de raadsman dit verzoek herhaald, evenals de daaraan ter terechtzitting van 22 september 2020 gegeven motivering. De raadsman heeft de motivering aangevuld. Samengevat komt het standpunt van de verdediging erop neer dat de rechtbank haar zorgplicht ten opzichte van de verdachte heeft verzaakt, waardoor de verdachte geen eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft gehad. De rechtbank had geen genoegen mogen nemen met de enkele mededeling van de verdachte dat hij zichzelf zou verdedigen, maar moeten onderzoeken of de verdachte deze afstand van rechtsbijstand ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig had gedaan. Dat is niet gebeurd, terwijl de omvang van het complexe fraudedossier, de duur van het onderzoek in eerste aanleg, de op de ten laste gelegde feiten bedreigde straffen en de omvang van de aangekondigde ontnemingsvordering hiertoe alle aanleiding gaven. Het gevolg was dat een van de personen die een kernrol speelt, in dit geval een raadsman, ontbrak. Naar de mening van de verdediging is sprake van een onherstelbaar gebrek in een behoorlijke rechtspleging. De raadsman heeft bij dupliek dit verzoek nader onderbouwd. Hij heeft hierbij – zo vat het hof de standpunten van de verdediging samen – aanvullend gesteld dat: – de verdachte bij de behandeling in eerste aanleg nooit over de tekst van de inleidende dagvaarding heeft beschikt; – er blijkens de herstelbeschikking van 16 januari 2019 ook een wijziging van de tenlastelegging is geweest op 19 juli 2017, over welke wijziging de verdachte nooit heeft beschikt; – de verdachte de reikwijdte van de wijzigingen van de tenlastelegging gedurende de procedure in eerste aanleg niet heeft doorgrond of kunnen doorgronden; – de verdachte anders dan zijn medeverdachte [persoon 1] , die tegelijk met hem terechtstond en wel van rechtsgeleerde bijstand was voorzien, de mogelijkheid om naar aanleiding van de wijziging van 19 juli 2017 nadere onderzoekswensen te doen nadrukkelijk is onthouden; – een en ander heeft plaatsgehad zonder dat blijkt van enige vorm van compensatie hiervoor van de zijde van de rechtbank. Standpunt van het openbaar ministerie Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte goed was geïnformeerd over de voors en tegens van het voeren van zijn eigen verdediging. Verder is aan de verdediging en aan de verdachte in hoger beroep alle ruimte gegeven om standpunten te uiten en vragen te stellen en alles op te merken wat in het belang van de verdediging zou kunnen zijn. Daarbij is zorgvuldig met de belangen van de verdachte omgegaan. Een behandeling in twee instanties alleen om de verdachte in twee instanties te kunnen voorzien van rechtsbijstand, is daarom niet nodig. Overwegingen van het hof Kernroljurisprudentie en afwezigheid van rechtskundige bijstand Het hof heeft ten aanzien van het verzoek tot terugwijzing ter gelegenheid van de regiezitting het volgende overwogen en beslist, welke overwegingen en beslissing het hof thans handhaaft: “Wat betreft het verzoek van de raadsman de zaak terug te wijzen naar de rechtbank: de toetsing dient te geschieden aan de hand van artikel 423 Sv. De hoofdregel is dat de appelrechter de zaak zelf afdoet en dat eventuele fouten uit eerste aanleg kunnen worden hersteld. Dit is nader uitgewerkt in het arrest van de Hoge Raad uit

  1. De Hoge Raad stelt dat terugwijzing ook dient plaats te vinden wanneer zich een zodanig gebrek heeft voorgedaan in de samenstelling van het gerecht dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden door een onpartijdige instantie als bedoeld in artikel 6 EVRM, alsmede wanneer de rechter ter terechtzitting aan de behandeling ten gronde niet had mogen toekomen omdat een van de overige personen die een kernrol vervullen bij het onderzoek ter terechtzitting aldaar niet zijn verschenen, terwijl hij niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte is gebracht van de dag van de terechtzitting en zich evenmin een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat die dag hem tevoren bekend was. De door de verdediging naar voren gebrachte situatie valt niet onder het door de Hoge Raad genoemde geval dat geen sprake zou zijn van een onpartijdige instantie, wat overigens ook niet wordt betoogd door de verdediging. Ook doet zich niet de kernrol-problematiek voor, nu de verdachte er bewust voor gekozen had zich ten tijde van de behandeling van zijn strafzaak niet te laten bijstaan door een raadsman en er om die reden ook geen raadsman is opgeroepen voor de behandelingen ter terechtzitting in eerste aanleg. Nu het hof ook geen reden ziet de gevallen genoemd in artikel 423 Sv, die zouden dienen te leiden tot terugwijzing van de zaak, verder uit te breiden dan wordt voorgestaan door de Hoge Raad, wordt het verweer van de raadsman strekkende tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank verworpen.” Het hof begrijpt het standpunt van de verdediging primair zo dat de rechtbank niet aan de op haar rustende zorgplicht heeft voldaan in verband met het recht op bijstand van de verdachte. Als gevolg daarvan heeft volgens de verdediging een raadsman bij de berechting in eerste aanleg ontbroken die een kernrol vervult. Uitgangspunt is dat het aan de vrije keuze van iedere verdachte is om zich al dan niet te laten bijstaan door een advocaat. Dit is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 6, derde lid, aanhef en onder c, EVRM, dat benadrukt dat een ieder het recht heeft om zichzelf te verdedigen. De verdachte heeft er in eerste aanleg voor gekozen om zijn eigen verdediging te voeren. De onderliggende reden was, zo heeft hij in hoger beroep toegelicht, dat hij het geld waarover hij beschikte aan de opleiding van zijn kinderen wilde besteden en niet aan rechtskundige bijstand. De verdachte heeft zich op deze vrije keuze ook uitdrukkelijk beroepen. Uit het dossier volgt dat de rechter–commissaris in de rechtbank Amsterdam de verdachte bij faxbericht van 11 september 2015 uitdrukkelijk en indringend heeft gewezen op de consequenties van het doen van afstand van rechtskundige bijstand. De verdachte heeft daarop op 14 september 2015 onder meer het volgende geantwoord: “Met uw stelling dat ik het vervolg van de zaak volledig uit handen geef ben ik het (eveneens) niet eens. Het is eerder andersom. Ik heb vanaf het begin van het strafrechtelijk onderzoek een recht dat mij wettelijk toekomt- n.l. om mijn eigen verdediging te voeren- uit handen gegeven aan mijn raadsman en geef er nu vooralsnog de voorkeur aan van deze wettelijke bevoegdheid weer gebruik te maken. Niet uit handen, nee in handen.” Niet is gebleken dat de verdachte in eerste aanleg op enig moment op deze beslissing is teruggekomen. Voor enkele gevallen heeft de wetgever het hiervoor weergegeven uitgangpunt, dat het aan de verdachte is om te kiezen of hij zich wel of niet wil laten bijstaan door een raadsman, doorbroken. De vrije keuze doet zich niet voor als de verdachte de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt of als wordt vermoed dat de verdachte een psychische stoornis, een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap heeft en ten gevolge daarvan niet in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen. Een dergelijk geval doet zich hier niet voor. Dat betekent niet, zo heeft de Hoge Raad in het arrest Hoge Raad 17 november 2009, ECLI:NL:2009:BI2315 overwogen en beslist, dat in de overige gevallen de zorg voor een door artikel 6 EVRM vereiste verdediging steeds en zonder meer aan de verdachte kan worden gelaten. De onderhavige zaak verschilt echter op essentiële punten van de situatie in dat arrest (en die in een latere zaak, HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6406). Daar was sprake van een verdachte die – in hoger beroep en dus in laatste feitelijke instantie – werd berecht en volgens de wet recht had op ambtshalve toevoeging van een raadsman, maar deze niettemin had geweigerd. In het bijzonder in die gevallen kan de zorg voor de verdediging niet steeds en zonder meer aan de verdachte worden gelaten. De reden die de verdachte in de zaak met ECLI–nummer 2009:BI2315 aandroeg voor het weigeren van de toegevoegde raadsman, namelijk dat als hij zich zou hebben laten bijstaan zijn veroordeling al had vastgestaan, gaf te denken en bevatte aanwijzingen dat hij de draagwijdte van zijn keuze niet volledig overzag. Verder was er sprake van een verdenking van een zeer ernstig levensdelict dat bedreigd werd met de zwaarst mogelijke straf, te weten levenslange gevangenisstraf. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep was, naast een langdurige gevangenisstraf, TBS met dwangverpleging gevorderd. Kennelijk waren er ook redenen om een psychiatrisch onderzoek van de verdachte te gelasten, waaraan hij medewerking had geweigerd. Het hof had levenslange gevangenisstraf opgelegd. De Hoge Raad was van oordeel dat “In de bijzondere omstandigheden van het geval (..) het Hof gehouden (was) in dat opzicht een indringende toets aan te leggen en in dat verband de verdachte in overweging te geven al dan niet in overleg met de aanwezige raadsman en zo nodig na onderbreking of schorsing van de behandeling, zich te beraden omtrent de gevolgen van de door hem ingenomen proceshouding, opdat hij zijn standpunt op enig moment zou kunnen herzien.” Conclusie Het hof volgt de raadsman niet in diens kennelijke standpunt dat er in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden van gelijk gewicht als in de door de Hoge Raad besliste en hiervoor weergegeven zaak uit
  2. Het hof heeft in dit verband ook nog acht geslagen op het arrest van de Hoge Raad van 26 januari 2021, Hoge Raad 26 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:
  3. De verdachte had, in tegenstelling tot de hiervoor genoemde arresten van de Hoge Raad, geen recht op ambtshalve toevoeging van een raadsman. Er zijn in de onderhavige zaak geen aanwijzingen voor zodanige psychiatrische problematiek dat dat aanleiding zou moeten zijn voor extra voorzichtigheid ten aanzien van zijn wens om zijn eigen verdediging te voeren, of anderszins uitingen die erop wijzen dat hij de draagwijdte van zijn keuze niet volledig overzag. Evenmin was er sprake van een zo ernstig delict als een levensdelict of een vergelijkbare strafbedreiging. De rechtbank mocht er in die situatie van uitgaan dat de afstand van rechtsbijstand ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig was gedaan. Zij hoefde daarvan niet met zoveel woorden in het proces-verbaal of vonnis blijk te geven (zie ook: HR 10 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:687). Er is dus geen ruimte voor de conclusie dat de rechtbank in de gegeven omstandigheden wegens het ontbreken van rechtsbijstand niet aan de behandeling van de zaak had mogen toekomen. Evenmin is er ruimte voor een beslissing tot terugwijzing om die reden. Fair trial as a whole Het hof heeft, gelet op wat de raadsman subsidiair heeft aangevoerd, nog bezien of sprake is geweest in eerste en in tweede instantie van een – as a whole – fair trial in de zin van artikel 6 EVRM. Het hof laat daarbij in het midden of een ontkennende beantwoording van die vraag tot de kennelijk door de raadsman gewenste consequentie – terugwijzing naar de rechtbank – zou kunnen leiden. Allereerst geldt dat de verdachte in hoger beroep is bijgestaan door een raadsman. Daarbij is ook ruimschoots aandacht geweest voor de gang van zaken in eerste aanleg. Voor zover door de afwezigheid van een raadsman in eerste aanleg sprake is geweest van enig nadeel voor de verdachte, is dat nadeel daarmee in hoger beroep in tweede feitelijke instantie hersteld. Wat de gang van zaken met betrekking tot de tenlastelegging betreft, valt uit het dossier het volgende te reconstrueren. Blijkens een door de verdachte getekende akte van uitreiking is de dagvaarding in eerste aanleg voor de terechtzitting van 19 juli 2017 aan hem in persoon uitgereikt op 3 juli 2017 te 15.29 uur op het adres [adres 1] . Dit betrof de eerste terechtzitting in het onderzoek tegen de verdachte, tevens regiezitting. De zin in het proces-verbaal van die zitting “De rechtbank beveelt dat het ter terechtzitting van 3 april 2014 geschorste onderzoek opnieuw wordt aangevangen, omdat zij thans in een andere samenstelling zitting houdt.” betreft een kennelijke verschrijving, waardoor de verdachte niet in zijn verdediging is geschaad. Van een eerdere (definitieve) dagvaarding dan die voor de zitting van 19 juli 2017 is geen sprake geweest. De verdachte beschikte dus op dat moment over de definitieve tekst van de tenlastelegging. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 juli 2017 is de zaak aldaar voorgedragen, zoals de wet voorschrijft. De functie van de voordracht is de bekendmaking van de beschuldiging. De op schrift gestelde voordracht is als bijlage aan het proces-verbaal van de zitting gehecht. Ook langs die weg is de verdachte nog eens op de hoogte gesteld van de precieze tekst van de beschuldigingen. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 juli 2017 vermeldt geen vordering tot wijziging van de tenlastelegging en het hof heeft een dergelijke vordering ook niet in het dossier aangetroffen. Voorafgaand aan de (regie)zitting van 19 juli 2017 had de verdachte onderzoekswensen ingediend. De zaak tegen de verdachte werd gelijktijdig behandeld met de zaak tegen de medeverdachte [persoon 1] (parketnummer 13/845015–11). In die zaak was wel sprake van eerdere zittingen. Ook hier was de verdediging in de gelegenheid gesteld voorafgaand aan de zitting onderzoekswensen in te dienen. In de zaak van de medeverdachte [persoon 1] is ter terechtzitting van 19 juli 2017 een vordering tot wijziging van de tenlastelegging toegewezen. Vervolgens heeft de rechtbank, gelet op die wijziging van de tenlastelegging, de verdediging in die zaak in de gelegenheid gesteld om nadere onderzoekswensen in te dienen. Daarna heeft de rechtbank op alle onderzoekswensen – de al door de verdachte ingediende en de nadere onderzoekswensen in de zaak van de medeverdachte naar aanleiding van de wijziging van de tenlastelegging in die zaak – gelijktijdig beslist. Daarbij is, zoals blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van 19 juli 2017, mede bezien of toewijzing van nadere onderzoekswensen in de zaak van de medeverdachte [persoon 1] van invloed zou kunnen zijn op de zaak van de verdachte. Ten slotte is een nieuwe zittingsdatum bepaald waarop de beslissing op de onderzoekswensen zou worden meegedeeld. Daarbij is bepaald dat op die zitting geen – naar het hof begrijpt: nieuwe – onderzoekswensen van de verdachte zouden worden besproken. De uitvoerig gemotiveerde beslissing op de onderzoekswensen van de verdachte is vervolgens niet op 11 september 2017 uitgesproken, maar later, aangezien de rechtbank meer tijd nodig had voor een goede beoordeling van die wensen. Daarbij is mede kennisgenomen van een brief van de verdachte van 11 augustus 2017 naar aanleiding van het besprokene op de zitting van 19 juli
  4. Ter terechtzitting van 4 april 2018 is de rechtbank teruggekomen op haar afwijzing tot het doen horen van [persoon 2] , aangezien zij had vernomen dat [persoon 2] inmiddels geen verdachte meer was. De rechtbank heeft alsnog ambtshalve het horen als getuige van [persoon 2] ter terechtzitting in de zaak van de verdachte bevolen. Vervolgens is de tenlastelegging op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 24 september 2018 gewijzigd. Deze handgeschreven wijzigingen zijn opgenomen in de tekst van de oorspronkelijke tenlastelegging. Het betreft naar het oordeel van het hof beperkte wijzigingen. De verdachte is daarop gehoord en niet blijkt van enig bezwaar van zijn kant daartegen. Dat de verdachte zich bewust was van wat er op de tenlastelegging stond, blijkt uit de discussie die ter terechtzitting van 27 september 2018 is ontstaan over het voorhouden van stukken. Die discussie heeft er overigens toe geleid dat de rechtbank bij haar beoordeling van de zaak, de zaaksdossiers die niet als zodanig zijn genoemd in de tenlastelegging buiten beschouwing heeft gelaten. Het is deze laatste tekst van de tenlastelegging waarop het onderzoek ter terechtzitting en het vonnis zijn gestoeld, zo blijkt uit de herstelbeschikking van de rechtbank van 16 januari
  5. De tekst die als bijlage 1 bij het vonnis is gevoegd is niet de juiste tekst. Die laatste tekst betreft een wijziging van de tenlastelegging die niet in de zaak van de verdachte is gevorderd. Mogelijk is deze vordering tot wijziging in de zaak van een of meer medeverdachten gedaan. Waar de rechtbank dus in haar beschikking over een wijziging van 19 juli 2017 in de zaak van deze verdachte spreekt, vergist zij zich klaarblijkelijk. Ten overvloede merkt het hof op dat de tekst van bijlage 1 op ondergeschikte punten afwijkt van de tekst van de (gewijzigde) tenlastelegging in deze zaak, maar dit heeft gezien het voorgaande voor deze zaak geen consequenties en behoeft deze ook niet te hebben. Conclusie Uit het vorenstaande blijkt dat de verdachte in eerste aanleg steeds over de juiste tekst van de tenlastelegging heeft beschikt en heeft geweten waartegen hij zich had te verdedigen. Dat de verdachte door de hiervoor beschreven kennelijke vergissingen van de rechtbank en de gang van zaken ten aanzien van de onderzoekswensen in enige mate in zijn verdediging zou zijn geschaad, ziet het hof niet. Daarbij heeft de rechtbank op zich daarvoor lenende momenten in de behandeling oog gehad voor het feit dat rechtsbijstand ontbrak en daarvoor compensatie geboden. De verdachte heeft zich verder bij de volgende behandeling in feitelijke instantie, de behandeling in hoger beroep, laten bijstaan door een rechtsgeleerd raadsman. Bij die gelegenheid zijn ook de grieven tegen de behandeling in eerste aanleg volop aan de orde geweest en door het hof onderzocht en beoordeeld. In het licht van al het vorenstaande is het hof van oordeel dat sprake is van een – as a whole – fair trial in de zin van artikel 6 EVRM. Het verzoek tot terugwijzing wordt daarom ook in zoverre afgewezen. Nietigheid van de dagvaarding De feiten 2, 4, 5, 6, 7, 9 en 11 op de tenlastelegging zijn, anders dan (na wijziging van de tenlastelegging) de feiten 3, 8 en 10, ten laste gelegd in primair/subsidiaire vorm. Daarbij is per zaaksdossier primair (telkens) ten laste gelegd het medeplegen van enerzijds het valselijk opmaken van afzonderlijk omschreven geschriften uit dat zaaksdossier en anderzijds het medeplegen van het voorhanden hebben van die geschriften. Subsidiair is (telkens) ten laste gelegd het door de verdachte feitelijk leidinggeven aan deze strafbare handelingen, gepleegd door een of meer rechtspersonen. Standpunt van de verdediging De verdediging stelt zich op het standpunt dat het het hof niet vrijstaat aan het subsidiair ten laste gelegde toe te komen wanneer enig feit dat primair is ten laste gelegd bewezen wordt geacht. Daarbij heeft de verdediging aangevoerd dat primair telkens één feit is ten laste gelegd, en niet twee feiten. Zou dat anders zijn dan is niet kenbaar voor welk van deze feiten een subsidiair feit is ten laste gelegd. Indien het hof meent dat het wel mogelijk is ondanks bewezenverklaring van enig primair ten laste gelegd feit toe te komen aan het subsidiaire, dan moet de dagvaarding in zoverre nietig worden verklaard. In dat geval is namelijk de verhouding van het primaire tot het subsidiaire feit nooit voor de verdachte begrijpelijk geweest. Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft desgevraagd ter terechtzitting in hoger beroep meegedeeld dat zij bewezenverklaring niet mogelijk acht van zowel het (mede)plegen van als het feitelijk leidinggeven aan het plegen door een rechtspersoon van hetzelfde feit. Dat laat in haar visie onverlet dat de tenlastelegging op alle onderdelen als impliciet cumulatief/alternatief moet worden aangemerkt. Een gedeeltelijke bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde (mede)plegen leidt er daarom niet toe dat aan geen enkel onderdeel van het subsidiair ten laste gelegde meer kan worden toegekomen. Die (impliciet cumulatief/alternatief) ten laste gelegde feiten die niet in primaire vorm bewezen worden geacht, kunnen in de subsidiaire vorm wel degelijk nog bewezen worden verklaard. Overwegingen en oordeel van het hof Het hof volgt de advocaat-generaal in haar uitleg van de tenlastelegging en de consequenties die zij daaraan verbindt. Dat er in het primaire deel sprake zou zijn van tenlastelegging van slechts één feit is alleen al onjuist omdat daarin zowel het (mede)plegen van het valselijk opmaken van geschriften als het voorhanden hebben van die geschriften is opgenomen. Verder worden in zowel het primaire als het subsidiaire gedeelte van de tenlastelegging de geschriften waar het per zaaksdossier om gaat, steeds elk afzonderlijk benoemd en omschreven, waarbij zij (en hun inhoud) van elkaar gescheiden worden door de woorden “en/of”. De systematiek van de tenlastelegging is zo dat er primair (en overigens ook subsidiair) telkens sprake is van twee strafbare handelingen per geschrift. In het geval dat drie geschriften zijn ten laste gelegd, levert dat zes afzonderlijke (cumulatief/alternatief ten laste gelegde) strafbare feiten op. Zou worden vrijgesproken van het (mede)plegen van een van deze strafbare feiten, dan ligt de subsidiaire variant van het feitelijk leidinggeven daaraan alsnog ter beoordeling voor. Vorenstaande systematiek is in de uitvoering niet anders dan – na wijziging van de tenlastelegging – de feiten 3, 8 en
  6. De verdediging heeft er geen blijk van gegeven de systematiek van de tenlastelegging bij die feiten niet te begrijpen. Niet valt in te zien noch heeft de verdediging aangevoerd waarom dat dan voor de overige feiten anders zou zijn. De verdachte heeft er tijdens de behandeling ook geen blijk van gegeven de systematiek niet te begrijpen. Het hof merkt in dat verband op dat dit punt eerst bij dupliek in hoger beroep aan de orde is gesteld. Het hof houdt het er daarom voor dat het de verdachte steeds duidelijk is geweest waartegen hij zich moest verdedigen. Voor een nietigverklaring van de dagvaarding op dit punt ziet het hof geen aanleiding. Ook overigens zijn er geen gronden om te komen tot nietigverklaring van de dagvaarding. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie De raadsman heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging in het geval dat het hof tot de conclusie komt dat terugwijzing niet alsnog kan leiden tot een “fair trial as a whole” in twee instanties. Aangezien het hof niet tot die conclusie komt, behoeft dit verweer geen verdere bespreking. Tenlastelegging Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging tenlastelegging luidt de tenlastelegging zoals deze als bijlage is gevoegd bij dit arrest. De inhoud hiervan geldt als hier herhaald en ingelast. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Overzicht aan de orde zijnde zaakdossiers 01 [naam zaaksdossier 1] feit 2 02 [naam zaaksdossier 2] feiten 1 en 12 03 [naam zaaksdossier 3] feit 3 04 [naam zaaksdossier 4] feit 4 05 [naam zaaksdossier 5] feit 5 12 [naam zaaksdossier 12] feit 6 13 [naam zaaksdossier 13] feiten 1 en 12 16 [naam zaaksdossier 16] feit 7 17 [naam zaaksdossier 17] feiten 1 en 12 20 [naam zaaksdossier 20] feiten 1 en 12 28 [naam zaaksdossier 28] feiten 1 en 12 31 [naam zaaksdossier 31] feit 8 32 [naam zaaksdossier 32] feiten 1 en 12 35 [naam zaaksdossier 35] feit 9 40 [naam zaaksdossier 40] feit 10 56 [naam zaaksdossier 56] feit 11 66 [naam zaaksdossier 66] feiten 1 en 12 Overzicht van belangrijkste na te noemen (rechts)personen Voor de leesbaarheid van dit arrest is hierna een aantal veel voorkomende namen van rechts(personen) opgenomen, evenals informatie die hierbij van belang is. Voor een volledig overzicht van aandeelhouders/gerechtigdheid en bestuurders in/van de diverse rechtspersonen van de [naam trustkantoor] en daaraan nauw gerelateerde rechtspersonen verwijst het hof naar de gedingstukken D420 e.v. (bijlagen bij (materiële) ambtshandeling AH–27). Tot 2005 heette het trustkantoor [oude naam trustkantoor] , daarna is de naam gewijzigd in [naam trustkantoor] . Voor zover in het navolgende gesproken wordt over de betrokkenheid van de verdachte bij (de rechtspersonen van) het trustkantoor, is dit doorgaans aangeduid als [naam trustkantoor] of [naam trustkantoor] . [persoon 1] Directeur. In 1997 gaan werken bij [oude naam trustkantoor] , later [naam trustkantoor] , tot eind
  7. Daarna voor zichzelf gaan werken voor met name [rechtspersoon 12] ( [rechtspersoon 12] ) , verder voor [rechtspersoon 2] , [rechtspersoon 3] , [rechtspersoon 4] , [rechtspersoon 5] , [rechtspersoon 6] en [rechtspersoon 7] . Werkzaam in Amsterdam. [persoon 3] Vanaf 1994 secretaresse van de verdachte en accountmanager in de trustpraktijk. In 2008 vertrokken naar [rechtspersoon 8] (uitgeleend), per 1 januari 2010 in dienst getreden. Werkzaam in Amsterdam. [persoon 2] Zelfstandig gevestigd administrateur. Met ingang van 1 januari 2005 [rechtspersoon 9] . Onder meer werkzaam voor [oude naam trustkantoor] , later [naam trustkantoor] 2007 [rechtspersoon 8] . Op 12 oktober 2011 benoemd tot bestuurder van [rechtspersoon 8] . Werkzaam in Amsterdam. [persoon 4] Sinds 2000 werkzaam bij [naam trustkantoor] Directeur van trustkantoor [naam trustkantoor] en via die weg directeur van [rechtspersoon 10] , [rechtspersoon 11] en [rechtspersoon 2] . Werkzaam in Amsterdam. [persoon 5] Account manager. In september 2000 in dienst gekomen bij [rechtspersoon 34] tot en met eind
  8. Vanaf mei 2008 in dienst bij [rechtspersoon 8] . Werkzaam in Amsterdam. [persoon 6] Administrateur/boekhouder. In juni 1996 als receptioniste in dienst gekomen bij [naam trustkantoor] / [naam trustkantoor] , later [naam trustkantoor] . Werkzaam in Amsterdam. [persoon 7] Receptioniste/telefoniste/secretaresse/office manager. Medio 2000 in dienst gekomen bij [naam trustkantoor] , later [naam trustkantoor] , [rechtspersoon 12] , [rechtspersoon 9] (in 2010), vanaf 2011 [rechtspersoon 3] . Werkzaam in Amsterdam. [persoon 8] Directeur [rechtspersoon 13] , afgevaardigd bestuurder voor de aandeelhouders, kantoorhoudend in Monaco. Tot 1999 werkzaam voor [rechtspersoon 14] , een vennootschap van de [naam bank] . [persoon 9] Oprichter en aandeelhouder van [rechtspersoon 13] , vanaf 1 april 2003 bestuurder. Met ingang van 2009 of 2010 voorzitter van de raad van bestuur. Heeft samen met zijn zus [naam zus] en boekhouder [persoon 10] [naam notariskantoor] in [plaatsnaam] , Zwitserland. [naam notariskantoor] is directievoerder van verschillende offshores. Voor de navolgende rechtspersonen worden de volgende afkortingen gebruikt: [afkorting] [rechtspersoon 29] [afkorting] [rechtspersoon 15] , 100% aandeelhouder: [verdachte] [afkorting] [naam trustkantoor] , trustbedrijf [afkorting] gevestigd te Nevis, middellijk aandeelhouder inhouse vennootschappen [afkorting] [rechtspersoon 16] , gevestigd te Nevis, middellijk aandeelhouder inhouse vennootschappen [afkorting] [rechtspersoon 17] , gevestigd te Londen, aandeelhouder inhouse vennootschappen [afkorting] [rechtspersoon 18] , gevestigd te Amsterdam, opgericht op 25 augustus 2000 [afkorting] [rechtspersoon 8] , gevestigd te Schiphol, opgericht op 16 november 2006 [naam bank] , bank, gevestigd te [land] [afkorting] [rechtspersoon 13] , gevestigd te Monaco, trustkantoor [afkorting] [rechtspersoon 19] , gevestigd op de Bahamas/Dubai (VAE) trustkantoor, [naam notariskantoor] Zie [naam zus] . [afkorting] [rechtspersoon 11] , inhouse vennootschap, gevestigd te Amsterdam (tot 06 juli 2006: [rechtspersoon 11] ) , opgericht op 23 oktober1996 [afkorting] [rechtspersoon 7] , inhouse vennootschap, gevestigd te Amsterdam, opgericht op 3 maart 1999 [rechtspersoon 5] inhouse vennootschap, gevestigd te Amsterdam, opgericht op 18 mei 2000 [afkorting] [rechtspersoon 4] , inhouse vennootschap, gevestigd te Amsterdam, opgericht op 1 augustus1988 [afkorting] [rechtspersoon 12] , inhouse vennootschap, gevestigd te Amsterdam, opgericht op 28 juli1997 [afkorting] [rechtspersoon 20] , gevestigd te VAE, directeur [verdachte] [afkorting] [rechtspersoon 3] , inhouse vennootschap, gevestigd te Amsterdam, opgericht op 9 juli1992 [afkorting] [rechtspersoon 21] , doelvennootschap, gevestigd te Amsterdam, opgericht op 20 december 1996, UBO: [persoon 11] , directeur van 2 april 2009 tot 29 juli 2010: [persoon 2] , vanaf 28 april 2011 tot in ieder geval 18 februari 2014: [verdachte] [afkorting] [rechtspersoon 2] , inhouse vennootschap, gevestigd te Den Bosch, opgericht op 30 december1966 [afkorting] [rechtspersoon 22] , gevestigd te Ras Al Khaimah (VAE), inhouse vennootschap, aandeelhouderschap (via [rechtspersoon 16] ) en directie/bestuur sinds 22 juli 2007: [verdachte] [afkorting] [rechtspersoon 23] , gevestigd te Hong Kong, in house vennootschap, 50% aandeelhouder: [rechtspersoon 22] , andere 50%: [persoon 8] via [rechtspersoon 24] . [afkorting] [rechtspersoon 25] , in house vennootschap, gevestigd te Amsterdam, opgericht op 30 januari1998, op 25 juni2007 van naam gewijzigd in [rechtspersoon 25] , opgeheven op 30 september 2007 Algemene bewijsoverweging (en bespreking verweren) Algemeen De verdachte heeft bij een accountantskantoor gewerkt voordat hij in de jaren ’90 met [aangever] een trustkantoor is begonnen. Tot 2005 heette het trustkantoor [naam trustkantoor] en daarna werd de naam ‘ [naam trustkantoor] ’. De klanten van het trustkantoor werden aangeleverd door fiscalisten, zij deden het fiscale advieswerk. Het trustkantoor was de uitvoerder van de door fiscalisten bedachte structuren. Voor de klant werd onder meer door het trustkantoor een vennootschap opgericht (in het dossier aangeduid met “doelvennootschap”), die door het trustkantoor werd beheerd. Vanuit die doelvennootschap stroomden geldbedragen verder naar landen met een mild belastingklimaat gevestigde in dit arrest als “offshore vennootschappen” aan te duiden entiteiten. In de jaren ’90 is het idee ontstaan om niet langer voor iedere klant een vennootschap op te richten, maar om gebruik te maken van een vennootschap waarvan de aandelen in handen waren van de [naam trustkantoor] . De marge die achterbleef van geldbedragen van klanten (verder ook aan te duiden als: EU–debiteur) die door de Nederlandse vennootschap (aangeduid als inhouse vennootschap) stroomden, was van het trustkantoor en niet van de klant. In 2003 is de verdachte vertrokken naar Monaco. Hij werkte daar onder andere samen met [persoon 8] voor [rechtspersoon 13] , een vennootschap gevestigd in Monaco. De aandelen van [rechtspersoon 13] zijn voor 51% gekocht door [rechtspersoon 26] op 10 juli
  9. De verdachte is in 2007 vertrokken naar Dubai. Daar heeft hij de vennootschap [rechtspersoon 22] opgericht, van waaruit hij werkte. Voordat hierna de ten laste gelegde feiten afzonderlijk worden besproken, wordt ingegaan op verweren die betrekking hebben op alle ten laste gelegde feiten. Deze verweren komen er in de kern op neer dat het gebruik van doorstroomvennootschappen en rulings destijds volledig geaccepteerd was, dat het gebruik daarvan daarom niet strafbaar was en dat de verdachte geen wetenschap had van valse documenten of “fake” structuren achter de doorstroomvennootschappen en daar geen betrokkenheid bij had. Gebruik van doorstroomvennootschappen en rulings was algemeen geaccepteerd. Standpunt van de advocaat-generaal Het verwijt dat de advocaat-generaal de verdachte maakt, ziet niet op het misleiden of benadelen van de Nederlandse Belastingdienst. De [naam trustkantoor] ontleende haar bestaansrecht aan het voordeel dat destijds geen bronbelasting werd geheven op bijvoorbeeld rente en royalty’s die via Nederland stroomden. Voor de structuren van de inhouse vennootschappen van de [naam trustkantoor] is nooit een ruling aangevraagd. Over het verschil tussen het bedrag dat vanuit een EU–debiteur naar de inhouse vennootschap werd overgemaakt en het bedrag dat vervolgens werd doorbetaald aan een offshore vennootschap, de fee, werd vennootschapsbelasting betaald. De verdachte screende zijn klanten omdat het geld geen verband mocht houden met bijvoorbeeld drugs en wapenhandel. Dit alles was er op gericht niet op te vallen in Nederland en hopelijk daardoor ook niet in het buitenland. Het gaat er volgens de advocaat-generaal in deze zaak om dat met behulp van valse documenten in dossiers van Nederlandse vennootschappen, buitenlandse belastingdiensten werden opgelicht, misleid en benadeeld. Geld waarover belasting had moeten worden afgedragen in het land waar het verdiend was, werd via Nederland witgewassen en overgebracht naar een offshore vennootschap in een belastingparadijs waar geen of weinig belasting werd geheven. Standpunt van de verdediging Door de verdediging is naar voren gebracht dat in de jaren ’90 en 2000 in Nederland wezenlijk andere opvattingen bestonden over de activiteiten die ten grondslag liggen aan de hier aan de orde zijnde zaaksdossiers dan ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep. Destijds werd in de financiële wereld afgegaan op iemands reputatie en compliance ontbrak nagenoeg geheel in de gehele sector. Het fenomeen ‘doorstromer’ bestond al voor deze strafrechtelijke procedure en de opvattingen over doorstromers hebben vanuit de overheid uiteengelopen van ‘gratis geld voor de schatkist’ tot ‘ongewenst ondoorzichtig’. Kenmerk van een standaard doorstroomstructuur was dat een papieren werkelijkheid werd gecreëerd die niet overeenstemde met een andere werkelijkheid. Op papier deed men het voorkomen alsof de doel– of inhouse vennootschap zelf werkzaamheden verrichtte in plaats van doorstromen minus commissie. De verdachte heeft over de ten laste gelegde feiten 2 tot en met 11 onder meer verklaard dat de klanten werden aangeleverd door fiscalisten in de periode dat de verdachte nog in Nederland woonde. Na zijn emigratie naar Monaco in 2003 werden de meeste klanten aangeleverd door de [naam bank] in [land] . Deze klanten werden gescreend voordat zij bij deze bank een rekening konden openen. Bij klanten van [rechtspersoon 13] werd onderzoek gedaan naar de aard van de activiteiten om te voorkomen dat die bijvoorbeeld samenhingen met terrorisme, drugs, wapenhandel, witwassen of de porno–industrie. De bevindingen van dit onderzoek werden, als de klant werd geaccepteerd, vermeld op een ‘fiche-cliente’. De feiten 2 tot en met 11 – en naar het hof aanneemt: ook de zaaksdossiers 02 ( [naam zaaksdossier 2] ), 13 ( [naam zaaksdossier 13] ), 17 ( [naam zaaksdossier 17] ), 20 ( [naam zaaksdossier 20] ), 28 ( [naam zaaksdossier 28] ), 32 ( [naam zaaksdossier 32] ) en 66 ( [naam zaaksdossier 66] ) – hebben volgens de verdachte, in ieder geval op het eerste gezicht, betrekking op gewone doorstroomconstructies. Doorstroomvennootschappen, waaronder inhouse vennootschappen, waren in Nederland geaccepteerd en bedoeld om gebruik te maken van gunstige Nederlandse fiscale regels. De aangifte vennootschapsbelasting werd gedaan overeenkomstig het beleid voor belastingrulings. De betrokkenen, zoals [persoon 8] , [persoon 1] en anderen, werkzaam bij de [naam trustkantoor] , werkten mee aan het creëren van die papieren werkelijkheid die in overeenstemming was met de doorstroom- en rulingpraktijk. Iedereen was er van overtuigd dat aan een legale structuur werd gewerkt. Juist daarom kwamen deze structuren zo openlijk en compleet tot stand. De doorstroomvennootschap had voldoende substance omdat deze in Nederland was gevestigd, een Nederlandse bankrekening had en Nederlandse UBO’s (hof: Ultimate Beneficial Owners) had die bekend waren bij de Nederlandse toezichthouders. Dat de UBO’s bekend waren en dat de omvang van de commissies aan het beleid van de Belastingdienst voldeed, was de reden waarom de verdachte geen verdergaand overleg heeft gezocht met de Belastingdienst. Alle betrokkenen bij de handelstak (waarvan de inhouse vennootschappen deel uitmaakten) van [naam trustkantoor] waren te goeder trouw. De verdachte zag een economisch voordeel voor de klant. Die kon met de structuur een fiscaal mild regiem opzoeken en daarmee belasting ontwijken. De verdachte deed onderzoek naar de activiteiten van klanten en voldeed daarmee aan zijn verplichtingen die werden opgelegd door de toezichthouders. Trustwetten werden niet overtreden, laat staan de strafwet. Het gebruik maken van een doorstroomvennootschap die aangifte doet op basis van het rulingbeleid kan daarom geen strafbaar feit opleveren. Oordeel van het hof Gebruik van doorstroomvennootschappen en rulings Het hof overweegt dat rulings bedoeld zijn om vooraf zekerheid te krijgen over de omvang van het belastbare bedrag voor activiteiten van een in Nederland gevestigde vennootschap. Voor deze strafzaak is van belang dat de beloning voor activiteiten van een internationaal opererende onderneming zakelijk (‘at arms length’) moest zijn. Met name voor gelieerde vennootschappen kan niet altijd eenvoudig worden vastgesteld wat een zakelijke beloning is die overeenkomt met een beloning die tussen onafhankelijke partijen zou worden overeengekomen. Door aan de belastinginspecteur hierover duidelijkheid te vragen, was de omvang van de beloning die een in Nederland gevestigde vennootschap voor een bepaalde activiteit in de aangifte vennootschapsbelasting moest aangeven, vooraf bekend. Deze informatie kon worden vastgelegd in een ruling, dat wil zeggen een door de inspecteur binnen de wet, met inbegrip van jurisprudentie en resoluties, vooraf verstrekte standpuntbepaling. Geen ruling kon worden afgegeven indien sprake was van misbruik van recht dan wel indien sprake was van een handelen dat in strijd komt met de goede trouw die verdragspartners ten opzichte van elkaar zijn verschuldigd. In die gevallen werd geen zekerheid vooraf verstrekt over de omvang van de in Nederland aan te geven beloning voor activiteiten van gelieerde vennootschappen. Voor bepaalde situaties zijn standaardrulings gepubliceerd; houdsterrulings, financieringsrulings, royalty-rulings, cost-plus rulings, Foreign Sales Corporations, informeel-kapitaalrulings en resale minus rulings. Als de beloning voor activiteiten van een in Nederland gevestigde vennootschap kon worden bepaald op basis van één van de hiervoor bedoelde standaardrulings, hoefde vooraf geen zekerheid te worden gevraagd aan de belastinginspecteur. In de aangifte kon een bedrag worden aangegeven op basis van het gepubliceerde rulingbeleid. Evenals bij een beloning waarvoor vooraf wel zekerheid werd gevraagd aan de belastinginspecteur, kon geen aangifte gedaan worden op basis van het rulingbeleid als sprake was van misbruik van recht, dan wel van handelen in strijd met de goede trouw die verdragspartners ten opzichte van elkaar verschuldigd zijn. Het hof volgt het standpunt van de verdediging, dat gebruik maken van een doorstroomvennootschap met toepassing van het rulingbeleid nooit een strafbaar feit kan opleveren, niet. De verdachte stelt ten onrechte dat slechts onderzoek nodig was om te voorkomen dat geldbedragen die werden ontvangen door een doorstroomvennootschap afkomstig waren van terrorisme, drugs, wapenhandel, witwassen of de porno–industrie en of werd voldaan aan de eisen gesteld door DNB aangaande de trustpraktijk. Het afgaan op een screening door een bank en de reputatie van een klant volstond niet. Nagegaan moest ook worden of de overeenkomsten die aan de te ontvangen en door te betalen bedragen ten grondslag lagen in overeenstemming waren met de realiteit. Er moest gecontroleerd worden of sprake was van bijvoorbeeld reële intellectuele eigendom, wie daartoe gerechtigd was, wat de waarde hiervan was en op welke wijze deze werd ingebracht of overgedragen aan de offshore vennootschap. Een fiscaal deskundige in het land waar de EU–debiteur was gevestigd zou een opinie moeten hebben afgegeven over de vraag of de voorgestelde constructie in het betreffende land werd geaccepteerd. Er zou moeten blijken dat in Nederland was onderzocht of een voorgestelde constructie onder het rulingbeleid viel en niet in Nederland zou kunnen leiden tot misbruik van recht of handelen in strijd met de goede trouw in de relatie tot verdragspartners. Pas als aan het voorgaande was voldaan – en dat was in geen van de aan de orde zijnde zaaksdossiers het geval – kan worden aangenomen dat het ging om een legale, algemeen geaccepteerde constructie, waarbij gebruik mocht worden gemaakt van het Nederlandse rulingbeleid. Dat betekent dat ook niet volgehouden kan worden dat de voorstellingen op papier in de diverse aan de orde zijnde zaaksdossiers die niet in overeenstemming waren met de werkelijkheid een algemeen geaccepteerde reguliere handelwijze waren. Voor zover het derde bewijsverweer van de verdediging hierop ziet, wordt dit verworpen. Kennis van de verdachte over doorstroom - en rulingstructuren De verdachte was in de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 januari 2012 op de hoogte van de wijze waarop acceptabele doorstroomconstructies moesten worden opgezet. Dit volgt uit de verklaring van getuige [persoon 12] . Hij werkte van 1980 tot 2005 bij het toenmalige accountantskantoor [naam accountantskantoor 1] . De verdachte werkte sinds 1985 bij dit kantoor op de administratie en [persoon 12] heeft hem daar leren kennen. [persoon 12] heeft verklaard dat de trustadviseur bij het opzetten van een structuur het volledige plaatje moet kennen met een Europese vennootschap (hof: de EU–debiteur), een offshore vennootschap, een inhouse vennootschap en de eigenaren c.q. UBO's. Zo'n constructie moet eerst worden uitgedacht en vervolgens worden uitgevoerd. In het geval van [rechtspersoon 29] kende de verdachte in ieder geval de UBO van de doel– of inhouse vennootschap. [verdachte] was degene die met de klanten nadacht over de structuren. [persoon 12] wist dat omdat hij de verdachte kende en hem had zien opereren. De verdachte had de leiding qua klantenbeheer. Hij had het overzicht. Hij wist waaraan de klanten behoefte hadden en aan welke regels moest worden voldaan.. De verdachte heeft ter terechtzitting bij de rechtbank verklaard dat er rulings waren voor alle structuren, zowel royaltystructuren als herfactureringsstructuren. Hij was bekend met standaardstructuren en IE (hof: intellectuele eigendom) was het grootste deel van zijn praktijk. Hij heeft ook genoemd dat een voorwaarde voor het afsluiten van een ruling was, dat de UBO bekend moest zijn (het hof begrijpt: alle UBO’s van de bij de structuren betrokken vennootschappen). Kwade trouw Het hof komt tot de conclusie dat het bij de (zaaks)dossiers 1 tot en met 5, 12, 13, 16, 17, 20, 28, 31, 32, 35, 40, 56 en 66 nooit de bedoeling is geweest om een doorstroomfaciliteit te leveren overeenkomstig het rulingbeleid en dat de verdachte hiervan op de hoogte was en dit aanstuurde. Ondanks het feit dat bekend was dat voor een ruling de UBO bekend moest zijn, was de praktijk van [naam trustkantoor] in de hiervoor genoemde dossiers hier niet mee in overeenstemming. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat een voordeel van de inhouse vennootschappen was dat de UBO’s daarvan Nederlanders waren en dus geen ingezetene van het land waar de EU–debiteur was gevestigd. In een verslag van [persoon 4] wordt bevestigd dat bekend was dat er klanten waren die er belang bij hadden dat niet bekend was wie de UBO was en wat de reden daarvan was. Naar aanleiding van een bezoek aan Rome op 7 maart 2002 schrijft [persoon 4]: ‘Volgens informatie van onze Monegaskische collega (het hof begrijpt: [persoon 8] ) is [persoon 13] naarstig op zoek naar een manier om zijn beeldrechten etc. uit de handen van de Italiaanse fiscus te houden: vandaar dat [naam trustkantoor] veel voor hem kan betekenen. [persoon 4] (hof: [persoon 4] ) werd afgevaardigd, met in het hoofd het hele scala trajecten dat [naam trustkantoor] aan kan bieden: de "ouderwetse" BV-NV constructie, maar met name de "inhouse"-opzet. Als speciale route was er de klapper: via Hongarije "inhouse" naar de Antillen, belastingheffing minimaal. Dit verhaal kwam zeer goed voor het voetlicht, met name het gedeelte waar er (met veel omhaal van woorden) op werd gewezen dat (gezien het "inhouse"-karakter) er nauwelijks mogelijkheden tot traceren van de naam van de Beneficial Owner bestaan, aangezien de b.o.'s Nederlands zijn. Dit gedeelte was een groot succes.’ De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij op de hoogte zal zijn geweest van de inhoud van dit verslag. [persoon 8] heeft bevestigd dat de klanten door de bank in [land] naar [rechtspersoon 13] werden gestuurd voor een fiscale structuur. Volgens [persoon 8] is op voorstel van de verdachte op enig moment [rechtspersoon 23] tussengevoegd. De verdachte had hierop aangedrongen omdat het in Nederland een beter beeld schiep als zaken liepen via Hong Kong dan via de Britse Maagdeneilanden of via Panama. In zaaksdossier 16 ( [naam zaaksdossier 16] ) hebben de UBO’s van het Italiaanse bedrijf [naam onderneming 9] ( [persoon 14] , [persoon 15] en [persoon 16] ) verklaard dat de werkzaamheden waarvoor [rechtspersoon 11] of [rechtspersoon 12] [naam onderneming 9] factureerde, door [naam onderneming 9] zelf zijn uitgevoerd, met eigen personeel. De facturen waren bedoeld om geld naar het buitenland te sluizen. Het doel van de samenwerking met [rechtspersoon 11] en [rechtspersoon 12] was het creëren van valse facturen om de winst in Italië laag te houden en gelden onder te brengen in een offshore waartoe zij gerechtigd waren. [persoon 17] , Italiaans betrokkene in zaaksdossier 40 ( [naam zaaksdossier 40] ) heeft verklaard – voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven: “ik kreeg de vraag of ik mensen en/of bedrijven kende die geld konden verplaatsen. Via [persoon 18] heb ik de naam van [persoon 1] en [rechtspersoon 12] genoemd.” En verder: “Ik beken de aanklacht met betrekking tot het gebruik van facturen van [rechtspersoon 12] aan [rechtspersoon 28] voor fictieve transacties. [persoon 1] is aan mij voorgesteld door [persoon 8] . [persoon 8] deed het voorstel om de Amerikaanse bedrijven te vervangen die op dat moment werden gebruikt voor het uitschrijven van de fictieve facturen; hij gaf aan dat het in Amsterdam gevestigde bedrijf [rechtspersoon 12] die aan dit soort dienstverlening deed, handiger was.” “ [persoon 1] was volstrekt op de hoogte van het illegale karakter van de operatie.” Het enige doel van deze klanten was dus gelden voor de UBO’s van of andere belanghebbenden bij de EU–debiteuren, tevens UBO’s van de offshores, buiten het zicht van de plaatselijke fiscus te houden, waarvoor verschillende valse voorstellingen van zaken werden gebruikt. Het antedateren van overeenkomsten en facturen maakte een wezenlijk deel uit van deze valse voorstellingen van zaken en was daarvoor ook nodig. Het hof verwijst op dit onderdeel verder naar de besprekingen van/bewijsoverwegingen in de onderscheiden zaaksdossiers hierna. [naam trustkantoor] was de aanbieder van deze dienst en de klanten kwamen juist daarvoor bij deze ondernemingen. Wat er aan valse facturen werd opgemaakt, werd door de medewerkers in Amsterdam dan wel elders in de administratie opgenomen en aldus voorhanden gehouden, om tot bewijs van de inhoud te dienen. Formele zeggenschap van de verdachte Uit een overzicht van de bedrijfsstructuren van de [naam trustkantoor] en de betrokkenheid daarbij van de verdachte blijkt dat de verdachte bij ieder afzonderlijk deel van de [naam trustkantoor] , met uitzondering van [rechtspersoon 29] , op enig moment middellijk of onmiddellijk als aandeelhouder of bestuurder formeel betrokken is geweest. Hetzelfde geldt voor [rechtspersoon 13] en [rechtspersoon 23] . Wat [rechtspersoon 22] betreft is hij 100% DGA vanaf de oprichting in 2007, en via [rechtspersoon 22] voor 50% in [rechtspersoon 23] . Aldus had hij steeds formele zeggenschap over en/of financieel belang bij de activiteiten van de handelstak en de daarbij ingeschakelde vennootschappen. Kennis over het antedateren van overeenkomsten en facturen Betrokkenheid bij klanten Over het antedateren van overeenkomsten en facturen heeft de verdachte in hoger beroep verklaard dat hij niet wist dat dit gebeurde en dat hij weinig contact had met klanten. De verdachte had hoog opgeleide mensen aangesteld en een ‘vierogen systeem’ waardoor hij er op mocht vertrouwen dat op het kantoor in Amsterdam niet geantedateerd zou worden. Met name na zijn vertrek naar Monaco in 2003 hield de verdachte zich vooral bezig met de organisatie van verschillende trustkantoren in diverse landen. Hij was slechts bekend met de hoofdlijnen van activiteiten van klanten doordat hij daarnaar onderzoek deed in het kader van compliance. Getuige [persoon 12] heeft hierover verklaard: ‘In de periode dat [verdachte] in Monaco zat stuurde hij van daar uit veel klanten aan. [persoon 1] en [persoon 4] en de rest van het team waren belast met de uitvoering. [verdachte] moet de uitvoerende mensen op de hoogte hebben gebracht van de structuur, zodat zij daaraan uitvoering konden geven. (...) U vraagt mij of [verdachte] alle klanten kende, ook toen hij niet meer in Nederland was. [verdachte] had het bedrijf zo in de hand dat hij van de klanten op de hoogte was. In het begin deed hij veel via de fax en belde hij en later communiceerde hij steeds meer digitaal. Ik heb aan veel dingen gemerkt dat hij echt wist wat er gaande was. Veel gesprekken over klanten en over zijn organisatie deed hij zonder dat de anderen erbij zaten. Dit is zeker het geval geweest zolang ik betrokken was, dat wil zeggen tot ergens in 2005.’ [persoon 3] heeft verklaard dat de verdachte, toen hij niet meer in Nederland woonde, het kantoor in Amsterdam aanstuurde. De echte leiding lag volgens haar bij de verdachte. Hij was de grote baas. Ook [persoon 6] heeft verklaard dat toen de verdachte was vertrokken (hof: uit Amsterdam naar het buitenland) hij de grote baas bleef. [persoon 8] heeft altijd de indruk gehad dat [verdachte] de baas was omdat [verdachte] de opdrachten gaf aan [persoon 1] . [persoon 3] heeft op 2 mei 2011 in een verhoor naar aanleiding van een Duits onderzoek in de zaak [naam zaaksdossier 1] verklaard dat zij en [persoon 1] werknemers waren en de instructies volgden van de verdachte. De verdachte had de absolute en enige bevoegdheid om beslissingen te nemen en hij besprak deze beslissingen niet met haar of [persoon 1] . De verdachte gaf in het algemeen een minimum aan informatie. Dit was zijn algemene manier van handelen in de vennootschap. Hij zette deze manier van managen voort nadat hij Nederland had verlaten en niet langer geregistreerd was als directeur van de vennootschap. Ze hadden geen toestemming om te handelen zonder zijn voorafgaande toestemming. Getuige [persoon 1] heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat de verdachte, toen bij in Monaco verbleef, hem wel eens belde dat hij een klant had gesproken. Bij zaaksdossier 02 ( [naam zaaksdossier 1] ) was de verdachte volgens [persoon 1] betrokken. Nieuwe klanten werden altijd gemeld bij de verdachte of bij [persoon 8] . [persoon 8] en de verdachte spraken over de klanten. Dit leidde de getuige af uit opmerkingen van de verdachte. [persoon 8] vertelde het als hij zaken over klanten met de verdachte had besproken. De verdachte had in laatste instantie de zeggenschap en als er problemen waren, werd contact opgenomen met hem. Dat betrof de klanten en de gehele bedrijfsvoering. [persoon 9] heeft verklaard dat de verdachte werkzaamheden uitvoerde van afgevaardigd bestuurder en zich bezig hield met die dossiers die hij bij de [naam trustkantoor] onderbracht, dat waren meer in het bijzonder de grotere transacties. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd dat hij zich bezighield met de klant [naam klant] , maar dat dit met name betrekking had op de afwikkeling van een nalatenschap. In een e-mail van de verdachte d.d. 13 september 2004 gericht aan [persoon 6] en [persoon 4] geeft de verdachte instructies over het overmaken van een geldbedrag aan [vennootschap klant] . Betrokkenheid bij facturen en contracten [persoon 1] heeft verklaard dat facturen werden opgemaakt in Amsterdam. Volgens [persoon 1] is het pertinent niet waar dat de verdachte niets wist van het antedateren van documenten. De betrokkenheid van de verdachte bij het opstellen van facturen blijkt mede uit het volgende. Alhoewel de verdachte tot 8 maart 2003 directeur van [rechtspersoon 11] was, stuurde hij op 1 maart 2005 een e-mail aan [persoon 1] en [persoon 4] met de volgende inhoud: ‘Ik had het dossier [naam dossier] met video games nodig en merkte tot mijn ongerustheid toch nog wel zaken die verbetering behoeven. Inmiddels is er een bedrag binnengekomen en het dossier is wat mij betreft gewoon niet op orde. En dat terwijl er over 2004 toch een bedrag van ruim 3 miljoen euro wordt gefactureerd. Ik zie daarbij op 12 november 2004 een mailtje van [persoon 1] aan [persoon 3] (hof: [persoon 1] aan [persoon 3] ) om een contract op te stellen tussen de licensor en [rechtspersoon 11] . Volgens mij is dat er nog niet. (…) De normale gang lijkt me dat er een nieuw dossier binnen [rechtspersoon 11] wordt geopend (geleideformulier) en er stukken worden verzameld. Uiteraard een getekend contract tussen de Italiaanse vennootschap en [rechtspersoon 11] en [rechtspersoon 11] en, in dit geval [offshore vennootschap 1] . (…) Indien [persoon 3] (hof: [persoon 3] ) bovenstaande gegevens heeft gecompleteerd en het geleideformulier heeft geparafeerd, stel ik voor dat het geleideformulier naar [persoon 4] (hof: [persoon 4] ) gaat. Hij controleert of alles er is en parafeert eveneens. Uiteindelijk gaat het formulier ter ondertekening naar de directie en pas dan kan er betalingsverkeer plaatsvinden.’ Uit deze e-mail leidt het hof af dat de verdachte er mee bekend was dat in dit geval betalingen zijn verricht terwijl er geen overeenkomst aan ten grondslag lag. De verdachte geeft, nadat betalingen zijn verricht, opdracht om een overeenkomst op te stellen. Op 15 juli 2003 stuurt de verdachte een e-mail aan [persoon 1] , [persoon 3] , [persoon 5] (hof: [persoon 5] ) en [zoon aangever] (Hof: [zoon aangever] ) waaruit blijkt dat de verdachte de gang van zaken in Amsterdam nauwlettend volgde. Hij schrijft: ‘Voor alle duidelijkheid wil ik nogmaals herhalen dat ik belangrijke brieven in een laatste versie onder ogen wil krijgen en het niet accepteer dat deze brieven door jullie getekend en verzonden worden zonder dat ik akkoord heb gegeven.’ Daarna op 13 juni 2005 mailt de verdachte aan [zoon aangever] , met in de cc [persoon 1] : ‘Had hier een kokende en terneergeslagen [persoon 8] (hof: [persoon 8] ), die door de adviseur van cliënt werd uitgefoeterd. Je stuurde namens [rechtspersoon 30] de facturen van het Italiaanse bedrijf, maar ook de factuur van de offshore naar Italië. Op dit laatste staat natuurlijk de doodstraf..... Het geeft aan dat de kern van de zaak toch nog niet helemaal duidelijk is en derhalve stel ik voor dat je voor de [kantoor in UK] handelstak ALLE correspondentie die de deur uitgaat laat nazien door [persoon 1] . Dit ter bescherming van ons allen, maar bovenal van cliënten.’ Ook informeert de verdachte op 15 maart 2007 [persoon 1] en [persoon 4] over ontwikkelingen in Monaco waarbij activiteiten voor facturen en overeenkomsten een rol spelen: ‘Vandaag werden 7 offshores verkocht in Monaco, totaal tot nu op 48 voor dit jaar. Daarbij de deals… tja dat loopt dan toch niet gek...’ Het hof verwijst overigens op dit punt nog naar wat hierna in de verschillende zaaksdossiers wordt overwogen en bewezen geacht, en naar de daar gebruikte bewijsmiddelen. Betrokkenheid bij de inhoud van facturen De verdachte mailt op 9 oktober 2007 aan [persoon 3] de gegevens van een boot van een Spaanse cliënt en verzoekt haar een conceptfactuur op te maken. Uit de meegezonden e-mails tussen de verdachte en ene ' [naam] ' volgt dat [naam] een factuur vraagt voor bemiddeling bij de aankoop van een boot door het bedrijf [rechtspersoon 31] . Onderaan een e-mail van de verdachte staat de volgende tekst van [naam] : "The concept of the invoice could be, either related with consulting in the area of engineering related to water technologies, sea research, etc or in relation to the purchase of the boat in Holland. Maybe you could put something like research, and finding of a boat for the company [rechtspersoon 31] in the market. Consultancy and advise as well as assistance in the purchase of the boat etc etc etc. Please send the invoice to me with the details for the payment to my office, either by fax or by mail." De verdachte mailt aan [naam] dat hij een maritieme onderneming beschikbaar heeft voor dat doel: ‘we have a Maritime company available in Amsterdam, the Netherlands for that purpose. I suggest to use the following wording for the work done: For professional services rendered in respect of finding a suitable boat in the market, related consultancy, research and assistance in the purchase of the boat."(...) Uit deze e-mails volgt dat de klant een suggestie doet voor een omschrijving van werkzaamheden die zouden zijn verricht. De verdachte mailt een omschrijving die vervolgens op de factuur is vermeld en informeert de klant dat het beter is als de gegevens van de boot ook op de factuur staan. De betaling van de factuur vindt plaats op 17 oktober
  10. Op 5 februari 2009 mailt de verdachte aan onder andere [persoon 1] : ‘Laten we vandaag even spreken, wat doet [rechtspersoon 5] ? Schepen, antiek ? Wie houdt daar zicht op, geloof niet dat [rechtspersoon 8] dat doet. Ik zal afschriften etc opvragen en zal de administratie hier gaan doen’. In een e-mailbericht van 8 oktober 2010 van de verdachte aan [persoon 3] schrijft hij: [rechtspersoon 12] : ‘Bij intangible natuurlijk geen Brand..Een brand is een merk. Het gaat hier om...jawel... Patents, patenten. In de toelichting dan: "This item represents the acquisition cost of various patents in respect of a so called power breather". Een meedenker begrijpt dat dit goed is voor de substance..Helemaal mooi natuurlijk als je dan een overzicht maakt van patent number en country....maar ja zal wel geen zicht op zijn... we doen ook maar wat tenslotte…’ Uit een e-mail van 8 november 2007 volgt dat de verdachte aan [persoon 3] vraagt om kopieën van een factuur en nadat hij deze heeft gekregen verzoekt hij om wat meer informatie over de activiteiten. In een e-mailwisseling van 15 juni 2011 over ‘Subject [onderwerp] (.. .) vraagt [persoon 1] aan de verdachte: ‘ [verdachte] , Kun jij op basis van bijgesloten facturen een factuur vanaf [rechtspersoon 22] sturen voor Euro 408.500? Hierop antwoordt de verdachte: ‘Dacht al waar blijven ze… altijd lekker..’ Op 1 december 2012 vraagt [persoon 7] aan de verdachte hoe hij de door haar opgestelde facturen 9/10 inzake [rechtspersoon 20] , opgeslagen in Word op de externe schijf, wil ontvangen. Ze vraagt of deze tezamen met een kopie van de [rechtspersoon 21] factuur per koerier moet worden verzonden of per e-mail. Op 4 december 2011 vraagt de verdachte haar: ‘Kun je alle omschrijvingen vanaf faktuur 1 in een lijst zetten met omschrijving? Dus faktuur 1 per omschrijving 1, 2, 3,
  11. Faktuur
  12. 6,
  13. Lijst is dan nl een library..copy paste volgens mij...’ Op 7 december 2011 stuurt [persoon 7] een concept, maar ze is er niet zeker van of dit is wat de verdachte bedoelt. Ze vraagt of de verdachte de bedragen er ook op wil of alleen de omschrijvingen. Bijgevoegd is een factuur waarop de datum 15 november 2009 staat, afkomstig van [rechtspersoon 20] aan [rechtspersoon 21] in Laren, The Netherlands, voor een bedrag van $ 864.500,00 en met vermelding ‘invoice 2009-1 en ‘For our license fees as based on amount as received by you less 5% commission as per our agreement.’ De verdachte reageert dezelfde dag: ‘Ja zoiets maar liefst in word, gewoon een soort boekenlijst. niet aantallen etc.’ Het hof verwijst overigens ook op dit punt nog naar wat hierna in de verschillende zaaksdossiers wordt overwogen en bewezen geacht, en naar de daar gebruikte bewijsmiddelen. Conclusie Het hof is van oordeel dat de verklaring van de verdachte, dat hij geen bemoeienis had met klanten, dat hij niet op de hoogte was van misbruik van de doorstroomstructuren doordat er sprake was van fictieve activiteiten, dat hij geen wetenschap had van valse facturen en/of overeenkomsten en dat hij op werknemers in Amsterdam kon en mocht vertrouwen, geen steun vindt in de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen. De verdachte was degene die de gang van zaken op het kantoor in Amsterdam nauwlettend volgde, ook na zijn vertrek naar Monaco en vervolgens naar Dubai. Hij had vaak contact met klanten en over klanten, aldus onder meer de getuigen [persoon 12] , [persoon 1] en [persoon 8] . Hij instrueerde werknemers in Amsterdam over de inhoud van facturen en het opstellen van overeenkomsten. Ten aanzien van die gevallen waarin sprake was van verzonnen activiteiten van klanten zijn er concrete aanwijzingen dat de verdachte daarvan op de hoogte was. De e-mail over [rechtspersoon 5] waarin iets over schepen of antiek wordt geopperd en de omschrijving op de factuur van [rechtspersoon 31] in combinatie met de overige bewijsmiddelen bevestigen dit. Dat de verdachte zich van deze praktijk bewust was, kan ook worden afgeleid uit het e-mail bericht van oktober 2010 aan [persoon 3] waarin hij schrijft: ‘We doen ook maar wat tenslotte’. De verklaring van getuige [persoon 1] , dat de verdachte op de hoogte was van de valsheid van documenten, wordt onder meer ondersteund door het bericht van december 2012 waarin [persoon 7] aan de verdachte informatie vraagt over het opstellen van valse facturen over 2009 en
  14. Het hof zal gelet op het voorgaande het verweer, dat de verdachte geen wetenschap had van valse facturen en/of overeenkomsten verwerpen. Vrijspraak van het primair dan wel als eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde van de feiten 2 tot en met 12 Uit de tenlastelegging volgt dat bij de feiten 2 tot en met 11 primair dan wel als eerste cumulatief/alternatief telkens het opmaken van valse geschriften en/of het voorhanden hebben van valse geschriften is ten laste gelegd door de verdachte. Subsidiair dan wel als tweede cumulatief/alternatief is bij deze feiten ten laste gelegd het feitelijk leiding geven aan het opmaken en/of voorhanden hebben van valse geschriften door de genoemde rechtspersonen. In feit 12 is primair ten laste gelegd (kort gezegd) het witwassen van geldbedragen en subsidiair dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan witwassen door [rechtspersoon 11] en/of [rechtspersoon 12] en/of haar mededaders. De verdediging heeft voor alle feiten vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair ten laste gelegde, dan wel het geheel cumulatief/alternatief ten laste gelegde. De advocaat-generaal heeft in hoger beroep gerekwireerd tot bewezenverklaring van in beginsel het primair dan wel als eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde bij de feiten 2 tot en met
  15. Alleen ten aanzien van geschriften waarvoor onvoldoende directe betrokkenheid van de verdachte uit het dossier kan worden afgeleid, kan het feitelijk leiding geven bewezen worden verklaard. Het hof ziet aanleiding om de verdachte voor de feiten 2 tot en met 12 vrij te spreken van het primair dan wel als eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde. Hiervoor is doorslaggevend dat de rol van de verdachte, gelet op het voorgaande en de overwegingen bij de verschillende zaaksdossiers en het witwassen, eerst en voornamelijk die van feitelijk leidinggever is geweest. Het dossier bevat weliswaar concrete aanwijzingen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het vals opmaken en het voorhanden hebben van bepaalde valse geschriften, dan wel dat hij heeft witgewassen, maar aan de rol van de verdachte als feitelijk leidinggevende kent het hof in die gevallen een zwaardere betekenis toe. Feitelijke leiding Het hof stelt voorop dat een rechtspersoon als dader van een strafbaar feit kan worden aangemerkt indien de gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen: het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon; de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon; de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door haar uitgeoefende bedrijf; de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede is begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op het voorkomen van de gedraging. De strafbare handelingen van de verdachte en zijn mededaders voor zover deze betrekking hebben op de feiten 2 tot en met 12, zijn in hoofdzaak verricht in naam van vennootschappen van de [naam trustkantoor] . Deze vennootschappen waren bedoeld om activiteiten te verrichten zoals in de omschrijving van hun statuten was opgenomen, zoals bijvoorbeeld werkzaamheden op het gebied van intellectuele eigendom, vastgoedtransacties of zeescheepvaart. Alle overeenkomsten en facturen die werden opgesteld om uitvoering te geven aan constructies om belasting te ontduiken in EU landen, werden opgesteld op naam van de inhouse rechtspersonen en pasten binnen hun normale bedrijfsuitoefening. Dat de gedragingen dienstig zijn geweest aan de rechtspersonen wordt afgeleid uit de vergoedingen die werden gekregen als gevolg van de ontvangst en doorbetaling van bedragen via de inhouse vennootschappen. Deze vergoedingen waren aanzienlijk hoger dan de vergoedingen die werden bedongen van klanten van doelvennootschappen die de traditionele trustactiviteiten verzorgden en waarvan de UBO’s bekend waren. De vergoedingen lagen daarvoor in de regel tussen de € 7.500,00 en € 15.000,00 per jaar. De personen die formeel en materieel zeggenschap hadden over de activiteiten van de rechtspersonen bepaalden dat en op welke wijze vorm werd gegeven aan de ontduikingsconstructies. In overleg met de klanten bepaalden zij wat de aard van de activiteiten van de inhouse vennootschap zogenaamd zou zijn. Dit leidt er toe dat deze rechtspersonen erover konden beschikken of de gedragingen al dan niet zouden plaatsvinden en deze gedragen blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersonen werden aanvaard. Hiervoor is reeds vermeld dat de verdachte (op enig moment) formele zeggenschap had bij de inhouse vennootschappen die in de tenlastelegging worden genoemd, hetzij omdat hij middellijk of onmiddellijk aandeelhouder was, hetzij omdat hij bestuurder is geweest. Dit geldt ook voor de bij de constructies betrokken vennootschappen [rechtspersoon 13] en [rechtspersoon 23] . Wat [rechtspersoon 22] betreft is hij 100% DGA vanaf de oprichting in 2007, en via [rechtspersoon 22] voor 50% in [rechtspersoon 23] . Ook nadat de verdachte was vertrokken naar Monaco en vervolgens naar Dubai en formeel geen bestuurder meer was, verrichtte de verdachte werkzaamheden ten behoeve van de betreffende rechtspersonen en behield hij materieel de zeggenschap in deze vennootschappen. In de tijd dat de verdachte in Monaco verbleef, kreeg [rechtspersoon 13] klanten doorgestuurd van de [naam bank] bank in [land] . De verdachte was onder andere met [persoon 8] degene die in Monaco de zaken voor klanten regelde en aanstuurde. In aansluiting daarop gaf de verdachte instructies aan de directie en personeelsleden van de inhouse vennootschappen in Amsterdam. Daarbij valt op dat hij in bepaalde gevallen instructies geeft aan medewerkers in Amsterdam, door bijvoorbeeld een concept fax of email aan te leveren, terwijl zijn naam in de correspondentie met de klant niet zichtbaar is. De verdachte was ook goed op de hoogte van wensen van klanten en knelpunten die zich konden voordoen. Hiervoor geldt eveneens dat de verdachte in de meeste zaaksdossiers buiten beeld bleef en instructies aan andere medewerkers gaf die met vermelding van hun naam werden uitgevoerd. Conclusie De conclusie op basis van het vorenstaande is dat er wat betreft de ten laste gelegde feiten sprake is geweest van strafbare handelingen, gepleegd in de sfeer van de daarbij betrokken rechtspersonen. Zij zijn immers door die rechtspersonen verricht in hun normale bedrijfsuitoefening en de gedragingen zijn ook dienstig geweest aan het door die rechtspersonen uitgeoefende bedrijf. De verboden gedragingen zijn het onvermijdelijke gevolg geweest van beleid van de verdachte als feitelijk leidinggever. De verdachte was bekend met de handelwijze in de trustsector. Op enig moment is hij met behulp van inhouse doelvennootschappen belastingontduikingconstructies (al dan niet via [persoon 1] en/of [persoon 8] ) gaan aanbieden aan klanten waaraan hij flink kon verdienen. Hij wist dat deze constructies niet in overeenstemming waren met de bestaande rulingpraktijk en hij heeft instructies gegeven om valse documenten op te stellen en in dossiers van de rechtspersonen op te nemen. Via zijn (middellijk) aandeelhouderschap bewerkstelligde hij dat hij de beschikking kreeg over de opbrengsten hiervan. Aldus heeft hij opzettelijk leiding gegeven aan het (mede)plegen van handelen in strijd met artikel 225, eerste en tweede lid, Sr en gewoontewitwassen zoals is ten laste gelegd, voor zover een en ander in het hierna volgende bewezen wordt geacht. Het hof verwijst voor de bewijsmiddelen mede naar de afzonderlijke zaaksdossiers en de daar opgenomen overwegingen en conclusies. Hetgeen onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 subsidiair, 5 subsidiair, 6 subsidiair, 7 subsidiair, 8, 9 subsidiair, 10, 11 subsidiair en 12 subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hierna wordt bewezen verklaard, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de voetnoten van dit arrest. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Feit 2 Zaaksdossier 01 – [naam zaaksdossier 1] Ten laste gelegde geschriften De verdachte wordt, voor zover nog aan de orde, verweten dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het valselijk opmaken dan wel laten opmaken, alsmede aan het opzettelijk voorhanden hebben van de volgende stukken: De Know-How License Agreement tussen [offshore vennootschap 2] en [rechtspersoon 11] , gedateerd 25 januari 2002 (NL01-D002, NL01-D256, DU01-005); De Know-How License Agreement tussen [rechtspersoon 11] en [rechtspersoon 32] , ongedateerd (NL01-D254, DU01-D002, DU01-D003); De factuur van [rechtspersoon 11] aan [rechtspersoon 32] , gedateerd 4 december 2003 (NL01-D139, NL01-D257). Standpunt advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden verklaard dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het medeplegen van valsheid in geschrift en het voorhanden hebben van valse geschriften. Als (mede)bedenker, initiator en uitventer is hij – veelal in zijn hoedanigheid van (indirect) statutair bestuurder en in elk geval eigenaar – van meet af aan betrokken bij de verboden gedragingen. Hij heeft zelf fysieke uitvoeringshandelingen verricht en is actief betrokken geweest. Het begaan van strafbare feiten was de dienstverlening van de [naam trustkantoor] en daarmee is het opzet van de verdachte (en de rechtspersonen binnen de groep) gegeven. Zij heeft verder aangevoerd dat [rechtspersoon 33] en [rechtspersoon 32] vanaf aanvang de eigenaressen waren van de auteursrechten, zodat [persoon 20] deze niet kon overdragen aan [offshore vennootschap 2] . De license agreement tussen [persoon 20] en [offshore vennootschap 2] is opgemaakt op 18 september 2003, zodat [offshore vennootschap 2] pas toen beschikte over de rechten en die rechten niet eerder overgedragen kon hebben aan [rechtspersoon 11] . Uit e-mailcorrespondentie blijkt dat de verdachte nauw betrokken was bij deze zaak, nu hij supervisie wilde houden en op de hoogte werd gehouden van de ontwikkelingen in de zaak. Ook heeft hij de license overeenkomst tussen [offshore vennootschap 2] en [rechtspersoon 11] ondertekend. De verdachte was daarnaast in die periode directeur van [rechtspersoon 11] . Standpunt verdediging De verdediging heeft vrijspraak van het ten laste gelegde feit bepleit en heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte niet het oogmerk tot misleiding had in de overeengekomen structuur. De verdachte ziet in deze zaak een standaard royalty-structuur die onder het rulingbeleid viel, waarbij in zijn algemeenheid gold dat bij doorstroomstructuren de inhouse vennootschappen per definitie geen economische activiteiten verrichtten. [persoon 20] was de uitvinder van de leermethode en bezat de intellectuele eigendom van die leermethode. De verdachte ging ervan uit dat die rechten door [persoon 20] bij een onafhankelijk kantoor waren ingebracht. Ook is allereerst de leermethode ingebracht en daarna nog andere know how, zodat niet gezegd kan worden dat een latere overdracht van know how gerelateerd is aan die eerste overeenkomst. Er is zodoende ook geen sprake van antedateringen. Oordeel van het hof Valsheden [persoon 20] exploiteerde via zijn vennootschappen [rechtspersoon 32] en [rechtspersoon 33] een leermethode en bijbehorende studiematerialen. Uit een know-how license agreement tussen [persoon 20] en de in Liechtenstein gevestigde offshore vennootschap [offshore vennootschap 2] volgt dat [persoon 20] de licentie voor ‘distance learning materials’ overdraagt aan [offshore vennootschap 2] . Deze overeenkomst is gedateerd op 18 september 2003 en treedt in werking op 1 oktober
  16. Een know-how license agreement tussen [offshore vennootschap 2] en de inhouse vennootschap [rechtspersoon 11] is gedateerd op 25 januari 2002 en is door de verdachte en [persoon 20] ondertekend en daaruit blijkt dat [offshore vennootschap 2] de licentie overdraagt aan [rechtspersoon 11] . Ook is een know-how license agreement opgemaakt waaruit voortvloeit dat [rechtspersoon 11] een sublicentie aan [rechtspersoon 32] uitgeeft. Met datum 4 december 2003 is een factuur van [rechtspersoon 11] aan [rechtspersoon 32] gestuurd ten behoeve van het gebruik van de sublicentie door [rechtspersoon 32] met omschrijving ‘studying material’. Dat de samenwerking zou gaan om het distribueren van ‘distance learning materials’ door middel van de inhouse vennootschap van de [naam trustkantoor] wordt bevestigd in een brief van [rechtspersoon 11] aan [persoon 20] . Uit een Duits onderzoeksrapport blijkt dat de eigenaressen van de op de studiemappen bestaande rechten [rechtspersoon 33] en [rechtspersoon 32] waren, omdat de studiemappen door en binnen de onderneming werden voortgebracht. In de studiemappen wordt ook verwezen naar het bij de firma’s [rechtspersoon 33] en [rechtspersoon 32] liggende copyright. In het rapport is geconcludeerd dat het auteursrecht op de studiemappen niet op enig moment rechtsgeldig aan [persoon 20] is overgedragen. De auteursrechten waren vanaf aanvang in het bezit van [rechtspersoon 33] en [rechtspersoon 32] , zodat [persoon 20] niet gerechtigd was deze in te brengen in [offshore vennootschap 2] . Dit heeft tot gevolg dat ten laste gelegde overeenkomsten en de factuur zijn gebaseerd op niet-rechtsgeldige licenties. Daar komt bij dat aan de ten laste gelegde overeenkomsten en de factuur geen enkele economische realiteit ten grondslag lag. De partner van [persoon 20] , [naam partner] , stuurde [persoon 1] op 19 februari 2002 een e-mail waarin zij [persoon 1] verzoekt een brief op te stellen met een datum die ergens ligt in het midden van het voorgaande jaar en waardoor wordt verzekerd dat [persoon 1] een overeenkomst op zal maken die start vanaf 2002, voor het geval ze dat op enig moment nodig zouden hebben. De inhoud van de op te maken facturen wordt aangedragen door de partner van [persoon 20] , dan wel [persoon 20] zelf. Ook in overige correspondentie wordt enkel gesproken over het in orde maken van papierwerk. [naam partner] verzoekt [persoon 1] op enig moment om meer overeenkomsten op te maken en aan haar toe te sturen zodat zij de juiste (start)data erop kan zetten. Zij laat aan [persoon 1] weten dat zij een overeenkomst heeft aangepast, zodat het meer in lijn is met hetgeen de fiscale autoriteiten verwachten aan te treffen in een dergelijk contract. Niet is gebleken dat partijen op enig moment hebben gesproken over de daadwerkelijke waarde van de intellectuele eigendom dan wel dat enige economische activiteit aan de samenwerking ten grondslag lag. Ook is niet gebleken dat [rechtspersoon 11] studiemateriaal maakte en vanuit Amsterdam verstuurde. De bedragen voor betalingen die door [rechtspersoon 11] werden gedaan aan de drukker [naam] in Duitsland, werden in werkelijkheid overgemaakt vanuit [rechtspersoon 33] / [rechtspersoon 32] naar Amsterdam. Deze betalingen waren slechts bedoeld om het te doen voorkomen dat [rechtspersoon 33] / [rechtspersoon 11] feitelijke werkzaamheden verrichtten, hetgeen niet het geval was. Aldus zijn de stukken niet overeenkomstig de waarheid en zodoende valselijk opgemaakt. Wetenschap van de verdachte Op 12 februari 2001 is de verdachte door [persoon 21] geïnformeerd over een mogelijke nieuwe klant, [persoon 20] en op 15 februari 2001 is door [persoon 21] aan de verdachte informatie gestuurd over het efficiënter exploiteren van intellectuele eigendomsrechten. Op 12 februari 2001 heeft de verdachte per email aan [persoon 1] gevraagd of mevrouw [naam partner] is gebeld. [persoon 20] en zijn partner komen in maart 2001 naar Amsterdam voor een bijeenkomst en daar zal de verdachte, samen met [persoon 1] bij aanwezig zijn. Vervolgens stuurt de verdachte op 10 mei 2001 een email aan [persoon 3] en [persoon 1] waarin hij vraagt een briefje te sturen aan [persoon 20] en daarin te vermelden dat de documenten zijn ontvangen en uit te leggen wat de volgende stappen zijn. De verdachte denkt aan het afsluiten van een contract met [naam] en vraagt het even aan hem voor te leggen alvorens te versturen. De verdachte stuurt een email aan [persoon 3] op 4 oktober 2001 waarin hij schrijft dat [persoon 20] o.k. is en dat hij supervisie wil. [persoon 3] stuurt de verdachte diezelfde dag een bericht dat zij heeft gesproken met [naam partner] en dat zij binnen 6 weken van start wil gaan. De know-how license agreement tussen [offshore vennootschap 2] en de inhouse vennootschap [rechtspersoon 11] , gedateerd op 25 januari 2002, is door de verdachte getekend. Op 27 maart 2002 stuurt de verdachte een email aan [persoon 3] waarin hij schrijft: ‘Graag bevestiging dat voor [persoon 20] , Anstalt, alles in orde is, d.w.z. geleideformulier, documentatie, getekende contracten en voorschot nota ad 10.000 Euro.’ Getuige [persoon 1] heeft ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd dat de verdachte betrokken was bij het dossier [persoon 20] . Het hof leidt uit het voorgaande af dat de verdachte vanaf het begin nauw betrokken was bij dit zaaksdossier. Hij was onder meer aanwezig bij het gesprek met de klant in maart 2001, hij wilde de supervisie over dit dossier houden, hij vroeg [persoon 1] en [persoon 3] de klant te informeren dat de documenten zijn ontvangen en uit te leggen wat de volgende stappen zouden zijn. De verdachte heeft de know-how license agreement tussen [offshore vennootschap 2] en [rechtspersoon 11] , gedateerd op 25 januari 2002, getekend. Gelet op hetgeen in de algemene bewijsoverweging is opgenomen werkte de verdachte bewust mee om een schijnconstructie te creëren voor [persoon 20] die daardoor in Duitsland en/of Zwitserland belastingheffing kon ontduiken. [rechtspersoon 11] heeft hiervoor een fee ontvangen van € 279.766,
  17. Voorhanden hebben De ten laste gelegde geschriften zijn aangetroffen bij [naam trustkantoor] dan wel bij [rechtspersoon 12] in Amsterdam. Rol van de verdachte: feitelijk leidinggever De werkzaamheden werden verricht binnen de sfeer van de rechtspersoon [rechtspersoon 11] . Bewezen wordt verklaard dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het opmaken en het voorhanden hebben van de ten laste gelegde valse geschriften. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder twee subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: [rechtspersoon 11] in de periode van 1 januari 2002 tot en met 30 juni 2004 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk geschriften, te weten: (NL01-D002, NL01-D256, DU0l-005) de Know-How License Agreement tussen [offshore vennootschap 2] ("licensor") en [rechtspersoon 11] ("licensee"), gedateerd 25 januari 2002, en; (NL01-D254, DU01-D002, DU01-D003) de Know-How License Agreement tussen [rechtspersoon 11] ("licensor") en [rechtspersoon 32] ("licensee"), ongedateerd, en; (NL01-D139, NL01-D257) de factuur "invoice 2003069" van [rechtspersoon 11] aan [rechtspersoon 32] , gedateerd 4 december 2003 zijnde telkens geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en [rechtspersoon 11] (voorheen [rechtspersoon 11] ) in de periode van 1 januari 2002 tot en met 12 maart 2012 te Amsterdam, valse geschriften, te weten de hiervoor genoemde onder 1, 2 en 3, opzettelijk voorhanden heeft gehad, terwijl zij wist dat deze geschriften bestemd waren om als echt en onvervalst te gebruiken. Voornoemde valsheden bestaan hieruit dat in die geschriften valselijk en in strijd met de waarheid is opgenomen dat: ad
  18. en ad 2.: de licensor "is the owner of certain Know-how relating to distance learning materials for (university) students", en; ad 3.: [rechtspersoon 11] voor [rechtspersoon 32] werkzaamheden en/of diensten heeft verricht en/of gerechtigd is tot een bedrag van € 87.593,04 betreffende "Studying material" over de periode "January 2002 until October 2003" (terwijl [rechtspersoon 11] over voornoemde in rekening gebrachte periode niet over de know-how en/of licenties en/of rechten met betrekking tot het studie materiaal beschikte (zie ook NL01-D008 getekend 18 september 2003, ingaande 1 oktober 2003), aan welke bovenomschreven verboden gedragingen de verdachte telkens feitelijk leiding heeft gegeven. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: het medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd en opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die zijn strafbaarheid ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde uitsluit. Feit 3 Zaaksdossier 03 – [naam zaaksdossier 3] Ten laste gelegde geschriften De verdachte wordt, voor zover nog aan de orde, verweten dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het valselijk opmaken dan wel laten opmaken, alsmede aan het opzettelijk voorhanden hebben van de volgende stukken: De Agency Agreement tussen [offshore vennootschap 3] en [rechtspersoon 25] gedateerd 6 september 2006, (NL03-D052, MC03-D030); De agentenovereenkomst tussen [persoon 22] , optredend voor [naam onderneming] en [rechtspersoon 25] , gedateerd 1 oktober 2005 (NL03-D053(A); Twee facturen, van [rechtspersoon 25] aan [naam onderneming] , gedateerd 4 juli 2006 (NL03-D062, LU03-D036) en van [rechtspersoon 25] aan [naam onderneming 2] SA, gedateerd 4 juli 2006 (NL03-D063); Twee facturen, van [rechtspersoon 25] aan [naam onderneming] , gedateerd 25 juli 2006 (NL03-D064) en van [rechtspersoon 25] aan [naam onderneming 2] SA, gedateerd 25 juli 2006 (NL03-D065); De factuur van [rechtspersoon 22] aan [rechtspersoon 25] , gedateerd 22 juli 2007 (NL03-D075). Standpunt advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden verklaard dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het medeplegen van valsheid in geschrift en het voorhanden hebben van valse geschriften. Als (mede)bedenker, initiator en uitventer is hij – veelal in zijn hoedanigheid van (indirect) statutair bestuurder en in elk geval eigenaar – van meet af aan betrokken bij de verboden gedragingen. Hij heeft zelf fysieke uitvoeringshandelingen verricht en is actief betrokken geweest. Het begaan van strafbare feiten was de dienstverlening van de [naam trustkantoor] en daarmee is het opzet van de verdachte (en de rechtspersonen binnen de groep) gegeven. Zij heeft verder aangevoerd dat de in de ten laste gelegde stukken opgenomen werkzaamheden niet door [rechtspersoon 11] zijn verricht en dat de verdachte dit ook heeft bekend. De verdachte heeft bij de rechtbank verklaard dat hij de factuur van 22 juli 2007 heeft geantedateerd en de daarop geschreven werkzaamheden niet kloppen. De verkoopwerkzaamheden voor het project [naam] waren al verricht toen de overeenkomst werd gesloten. Uit mailcorrespondentie tussen [persoon 1] en de verdachte en uit de verklaring van [persoon 1] blijkt dat de verdachte op de hoogte was van dit dossier. De verdachte was mede-eigenaar en directeur van de inhouse vennootschap [rechtspersoon 25] . Standpunt verdediging De verdediging heeft vrijspraak van het ten laste gelegde feit bepleit en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De factuur van [rechtspersoon 22] ziet niet op een doorstroomvergoeding, maar op een winstdeel waartoe de verdachte gerechtigd was. Deze factuur was bedoeld om de boekhouding kloppend te maken en niet om enige klant te faciliteren. Daarbij is de factuur niet geantedateerd, omdat de vermelde datum niet beoogde de opmaakdatum weer te geven. Een factuurdatum is naar Dubaise maatstaven niet hetzelfde als de opmaakdatum. De overige in deze zaak ten laste gelegde stukken zijn geantedateerd en de bewezenverklaring van de rechtbank van de valsheid van die stukken wordt niet betwist. De verdachte heeft daaraan echter geen feitelijk leiding gegeven en was niet op de hoogte van die antedateringen, noch heeft hij dat bevorderd. Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting Door de verdediging is aangevoerd dat het niet anders kan dan dat gedingstuk NL03–D075a uit Dubai afkomstig is. Bij gebreke van toestemming van de autoriteiten van de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) voor het gebruik van stukken uit Dubai dient NL03–D075a uitgesloten te worden van het bewijs. Voor het document NL03–D075 (een pfd-file) stelt de verdediging dat hieruit niet kan worden opgemaakt wanneer het is opgesteld. De FIOD heeft vijf jaar na het vinden van NL03–D075 haar toevlucht gezocht tot het gebruiken van de wordversie met document eigenschappen uit NL03–D075a dat in Dubai in beslag is genomen. De gegevens van NL03–D075a mogen niet worden gebruikt om vast te stellen wanneer NL03–D075 is opgemaakt. Het hof constateert op basis van de inhoud van het proces-verbaal 0–AH–170 en alle daaraan voorafgaande correspondentie met betrekking tot de in Dubai onder de verdachte in beslag genomen stukken dat van een ondubbelzinnige schriftelijke toestemming van de autoriteiten van de VAE om deze stukken in een strafrechtelijke procedure in Nederland voor het bewijs te gebruiken geen sprake is. NL03–D075a zal daarom niet worden gebruikt voor het bewijs. Dit doet er overigens niet aan af dat het hof op basis van andere, hierna opgenomen bewijsmiddelen en de daarbij gegeven bewijsmotivering, het feitelijk leiding geven aan het valselijk opmaken en daarvan voorhanden hebben van het in de tenlastelegging genoemde stuk NL03–D075 dat is aangetroffen in Amsterdam wel bewezen acht. Oordeel van het hof Valsheden De in Spanje gevestigde onderneming [naam onderneming] , waarvan [persoon 22] eigenaar was, hield zich bezig met een project ten aanzien van de verkoop van percelen grond onder de naam [naam] . [persoon 22] heeft verklaard dat [persoon 1] noch [naam onderneming 2] noch de offshore [offshore vennootschap 3] activiteiten hebben verricht ten behoeve van de verkoop en dat er weliswaar een agentenovereenkomst was, maar dat er geen werkelijk agentschap is geweest. Bovendien is die agentenovereenkomst tussen [naam onderneming] en [rechtspersoon 25] pas eind 2006 gesloten toen de verkoop van de percelen al had plaatsgevonden. [persoon 22] heeft verder verklaard dat ook de agentenovereenkomst ten aanzien van [offshore vennootschap 3] tot stand is gekomen nadat de feitelijke transactie van de percelen had plaatsgevonden, dat hij de facturen heeft uitgebracht uitsluitend om eigen vermogen te kunnen storten ten behoeve van de herfinanciering, dat hij in december 2006 kennelijk een probleem had bij een overmaking via [naam onderneming 2] en vervolgens de constructie met [persoon 1] is opgezet. Dat de verkoop van de percelen al was afgerond voordat [persoon 1] en [persoon 22] elkaar in december 2006 ontmoetten, wordt bevestigd door aangetroffen bankafschriften van [naam onderneming 2] , waaruit overboekingen van [naam onderneming] blijken. Blijkens de bij [naam onderneming 2] aangetroffen bijbehorende facturen hebben deze overboekingen betrekking op een verkoopcommissie voor de verkoop van percelen grond in [naam] . [persoon 22] stuurt per e-mail de agentenovereenkomst tussen [persoon 22] en [rechtspersoon 25] naar [persoon 1] op 11 december 2006, waarna hij deze op 20 december 2006 van [persoon 1] ondertekend retour ontvangt, waarbij [persoon 1] zelfs nog opmerkt dat hij, gelet op de datum van de overeenkomst van 1 oktober 2005, de naam van de directie van [rechtspersoon 25] heeft aangepast naar [rechtspersoon 34] in verband met een recente naamswijziging. De overeenkomst tussen [rechtspersoon 25] en [naam onderneming] is aldus medio december 2006 ondertekend en niet op 1 oktober 2005 zoals in de overeenkomst staat. Partijen hadden elkaar op 1 oktober 2005 ook nog niet ontmoet. De overeenkomst tussen [rechtspersoon 25] en [naam onderneming] is aldus niet overeenkomstig de waarheid opgemaakt. Gelet op de datering van de agentenovereenkomst tussen [offshore vennootschap 3] en [rechtspersoon 25] van 6 september 2006, is ook dit stuk niet overeenkomstig de waarheid opgemaakt. Daar komt bij dat in voornoemde overeenkomsten is voorgewend dat [rechtspersoon 25] zogenoemde broker activiteiten zou verrichten, terwijl hiervan, gelet op het voorgaande, geen sprake was. Aldus zijn de overeenkomsten valselijk opgemaakt. Wetenschap van de verdachte In de periode 8 maart 2004 tot en met 30 september 2007 was [rechtspersoon 18] directeur van [rechtspersoon 25] en in de periode 18 mei 2005 tot en met 4 oktober 2007 was [rechtspersoon 15] aandeelhouder. De verdachte was 50% aandeelhouder van [rechtspersoon 10] , die op haar beurt 100% aandeelhouder was van [rechtspersoon 25] . Via zijn aandeelhouderschap in [rechtspersoon 15] , waarvan de verdachte UBO was, kon hij invloed uitoefenen op [rechtspersoon 18] , [rechtspersoon 10] en haar dochter [rechtspersoon 25]. [persoon 1] en [persoon 2] hebben in een interview op 15 september 2009 aan [persoon 23] van [naam] verklaard dat alle vennootschappen en holdings naar de verdachte zijn gegaan in het kader van de exit van [aangever]. De facturen van 4 juli 2006 en 25 juli 2006 De ten laste gelegde twee facturen van [rechtspersoon 25] aan [naam onderneming] , gedateerd 4 juli 2006 en van [rechtspersoon 25] aan [naam onderneming 2] , gedateerd 4 juli 2006, alsmede de twee facturen van [rechtspersoon 25] aan [naam onderneming] , gedateerd 25 juli 2006 en van [rechtspersoon 25] aan [naam onderneming 2] , gedateerd 25 juli 2006, zijn vals nu deze zijn gebaseerd op valse overeenkomsten. De facturen zijn voorzien van een datum die gelegen is vóór de ontmoeting tussen [persoon 1] en [persoon 22] in december
  19. Ze zijn verder gebaseerd op verkoopcommissies, terwijl uit het voorgaande volgt dat geen activiteiten door [rechtspersoon 25] zijn verricht. Dit oordeel vindt onder meer steun in de omstandigheid dat [persoon 22] op 19 december 2006 de conceptfacturen voor [naam onderneming] heeft gemaild naar [persoon 1] met het verzoek om die facturen over te nemen op briefpapier van [rechtspersoon 25] . Ook uit overige correspondentie tussen [persoon 22] en [persoon 1] blijkt dat [persoon 22] meermalen verzoekt om aanpassingen van facturen, onder andere omdat een factuurbedrag niet overeenkwam met een reeds verrichte betaling en er wordt verzocht om facturen te richten aan [naam onderneming 2] , een andere onderneming van [persoon 22] . Dit terwijl [naam onderneming 2] blijkens haar oprichting in Luxemburg enkel maritieme activiteiten mag verrichten. Naar het oordeel van het hof zijn de overeenkomsten en de hiervoor genoemde facturen valselijk opgemaakt. Overigens betwist de verdediging deze valsheden niet. Dat [persoon 22] heeft verklaard dat hij de verdachte nooit heeft ontmoet en geen contact met hem heeft gehad, staat er niet aan in de weg dat het hof van oordeel is dat de verdachte kennis had van dit zaaksdossier. Het hof verwijst hiervoor naar hetgeen bij de algemene bewijsoverweging is opgenomen. Verder heeft [persoon 1] verklaard dat de verdachte het dossier kende. De klant [persoon 22] is via de [naam bank] in [land] klant geworden. Getuige [persoon 9] heeft de handtekening van de verdachte herkend op het klantenfiche van [rechtspersoon 13] van 6 september 2006 van de UBO van [offshore vennootschap 3] , [persoon 22] . Uit het dossier volgt dat op 16 maart 2007 door [rechtspersoon 25] bedragen zijn ontvangen van [naam onderneming] en [naam onderneming 2] van in totaal € 5.506.560,
  20. Op 19 maart 2007 is hiervan een bedrag van € 1.192.700,00 overgemaakt naar [naam] in Zwitserland en € 4.073.380,00 naar [offshore vennootschap 3] , een offshore vennootschap van [persoon 22] . Het restant van € 240.480,00 was kennelijk bedoeld als vergoeding voor [rechtspersoon 25] om ruim 5,5 miljoen euro vanuit Spanje naar onder andere de offshore van [persoon 22] te verplaatsen. Het gaat om een aanzienlijke vergoeding voor [rechtspersoon 25] , te meer nu vast staat dat deze vennootschap hiervoor in werkelijkheid geen commissiewerkzaamheden heeft verricht. Dat de verdachte op de hoogte was van de doorbetaling van de hiervoor bedoelde bedragen op 19 maart 2007, leidt het hof af uit de e-mails van de verdachte van diezelfde datum waarin hij [persoon 1] instructies geeft voor diverse betalingsopdrachten (15:26): ‘Graag faktuur [rechtspersoon 6] 20, [rechtspersoon 23] stuurt 50, [rechtspersoon 13] 50, rest 100.’ Daarna (15:29) ‘Rest 100, 30.000 Naar stichting ovv tax [rechtspersoon 25] , 70 naar stichting c/a shareholder’ en (15:32) ‘70 van stichting, 20 naar KW ovv on behalf of [naam trustkantoor] inv UK, 50 naar mij privé ovv [kantoor in UK] / [rechtspersoon 16] ’. [rechtspersoon 6] is een vennootschap waarvan [persoon 1] sinds 24 februari 1998 enig aandeelhouder en directeur was. [persoon 1] heeft over de overboeking van dit bedrag naar zijn vennootschap verklaard dat dit een vergoeding of compensatie was voor de problemen die er zijn geweest met [aangever]. Gelet op de hiervoor gegeven instructies van de verdachte heeft hij de verdeling van de vergoeding die [rechtspersoon 25] zou ontvangen voor de betrokkenheid bij [naam onderneming] / [naam onderneming 2] geregeld. Factuur van 22 juli 2007 Het hof overweegt ten aanzien van de factuur van [rechtspersoon 22] met datum 22 juli 2007 aan [rechtspersoon 25] het volgende. [rechtspersoon 22] is een vennootschap die op 22 juli 2007 in de VAE is opgericht en waarvan de verdachte enig aandeelhouder was. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat [aangever] in 2007 het kantoor in Monaco heeft verkocht aan de zittende directie en dat eind 2007 ook het trustkantoor gedesintegreerd was, terwijl de verdachte jarenlang voor het trustkantoor gewerkt had. Deze factuur ziet op het winstdeel waartoe hij gerechtigd was, aldus de verdachte. De verdachte verklaart verder: “We hadden in maart (het hof begrijpt: van het jaar 2007) al gesprekken gehad over wat we met de verdiensten zouden doen. [aangever] zat achter iedereen aan. Deze factuur moest voor de liquidatiedatum van [rechtspersoon 25] in de administratie verwerkt worden. Ik had ook oktober kunnen vermelden.”De factuur is gedateerd op dezelfde datum als de datum van de oprichting van [rechtspersoon 22] . Niet is gebleken dat [rechtspersoon 22] in de daarvoor liggende periode werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van het project [naam] . Dat is ook niet aannemelijk, aangezien uit het hiervoor overwogene volgt dat geen werkzaamheden zijn uitgevoerd door de verdachte, dan wel door [rechtspersoon 22] of een aan het trustkantoor gelieerde vennootschap. De verdachte was enig aandeelhouder van [rechtspersoon 22] en had zodoende als enige belang bij het opmaken van deze factuur. De verdachte heeft ter terechtzitting bij de rechtbank verklaard dat hij een datum heeft gezocht die lag voor de datum van liquidatie van [rechtspersoon 25]. Volgens de verdachte was de factuur slechts bedoeld om de administratie kloppend te maken en was naar het recht van Dubai geen sprake van antedatering. Het hof is van oordeel dat dit verweer niet slaagt. De verdachte heeft, in strijd met de werkelijkheid, in de factuur opgenomen dat door [rechtspersoon 22] werkzaamheden zijn verricht. Reeds daarom is sprake van een valse factuur. De factuur is in Nederland aangetroffen en op basis van het Nederlandse recht is wel degelijk sprake van antedatering van deze factuur. Voorhanden hebben De documenten NL03-D052, NL03-D053(A), NL03-D62 tot en met D 65 en D03-D075 zijn aangetroffen in Nederland. Rol van de verdachte: feitelijk leidinggever De werkzaamheden werden verricht binnen de sfeer van de rechtspersonen [rechtspersoon 25] . Het hof acht bewezen dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het opmaken en voorhanden hebben van de ten laste gelegde valse documenten. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het als feit 3, tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: [rechtspersoon 25] (voorheen [rechtspersoon 25] ) en/of [rechtspersoon 22] in de periode van 1 december 2006 tot en met 31 oktober 2007 te Amsterdam en/of Spanje en/of Monaco en/of de Verenigde Arabische Emiraten, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk geschriften, te weten: (NL03-D052, MC03-D030) de Agency Agreement tussen [offshore vennootschap 3] ("principal") en [rechtspersoon 25] ("agent"), gedateerd 6 september 2006, en; (NL03-D053(A) de agentenovereenkomst ("Contrato de Agencia") tussen [persoon 22] , optredend voor [naam onderneming] ("ondernemer") en [rechtspersoon 25] ("agent"), gedateerd 1 oktober 2005, en; 2 facturen, te weten (NL03-D062, LU03-D036) de factuur "invoice 60701" van [rechtspersoon 25] aan [naam onderneming] , gedateerd 4 juli 2006 en (NL03-D063) de factuur "invoice 60701" van [rechtspersoon 25] aan [naam onderneming 2] , gedateerd 4 juli 2006, en; 2 facturen, te weten (NL03-D064) de factuur "invoice 60702" van [rechtspersoon 25] aan [naam onderneming] , gedateerd 25 juli 2006 en (NL03-D065) de factuur "invoice 60702" van [rechtspersoon 25] aan [naam onderneming 2] , gedateerd 25 juli 2006, en; (NL03-D075) de factuur "invoice 07805" van [rechtspersoon 22] aan [rechtspersoon 25] , gedateerd 22 juli
  21. zijnde telkens geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en [rechtspersoon 25] (voorheen [rechtspersoon 25] ) en [rechtspersoon 22] in de periode van 1 december 2006 tot en met 31 oktober 2007 te Amsterdam, tezamen en in vereniging valse geschriften (te weten de hiervoor genoemde onder 1, 2, 3, 4 en 5) opzettelijk voorhanden heeft gehad, terwijl zij wisten dat deze geschriften bestemd waren om als echt en onvervalst te gebruiken. Voornoemde valsheden bestaan hieruit dat in die geschriften valselijk en in strijd met de waarheid is opgenomen, dat ad 1.: deze overeenkomst is ondertekend op 6 september 2006, en; ad 2.: deze overeenkomst is aangegaan/gesloten en/of ondertekend op 1 oktober 2005 en/of dat (NL03-D053A, pag. 2) [rechtspersoon 25] een vennootschap is "waarvan het bedrijfsdoel, onder anderen, bestaat uit advies, beheer en promotieprojecten, marketing, werving van toekomstige cliënten, totstandbrenging en presentatie van promotie-evenementen op beurzen en feesten, en bemiddeling namens derden bij vastgoedtransacties, etc, betreffende wooncomplexen met hoog aanzien" en dat [rechtspersoon 25] de wens heeft "om als agent samen te werken met [naam onderneming] voor de verkoop van grond en onroerend goed", en; ad 3.: [rechtspersoon 25] voor [naam onderneming] en/of [naam onderneming 2] werkzaamheden heeft verricht en/of gerechtigd is tot een bedrag van € 2.154.240 wegens "sales commission for the plot RC305/306 in [naam] " en dat die facturen zijn opgemaakt op 4 juli 2006, en; ad 4.: [rechtspersoon 25] voor [naam onderneming] en/of [naam onderneming 2] werkzaamheden heeft verricht en gerechtigd is tot een bedrag van € 3.352.320 wegens "sales commission for the plots RA-261 TO 266/RA-287 TO 286 (Condo-II)" en dat die facturen zijn opgemaakt op 25 juli 2006, en; ad 5.: [rechtspersoon 22] voor [rechtspersoon 25] werkzaamheden heeft verricht en gerechtigd is tot een bedrag van € 66.200 wegens "professional services during March on [naam] , time spent, co-ordination in Spain as requested and agreed with directors [rechtspersoon 25] including of disbursments", en/of deze factuur is opgemaakt op 22 juli 2007, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen de verdachte telkens feitelijk leiding heeft gegeven. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: het medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd en het medeplegen van opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die zijn strafbaarheid ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde uitsluit. Feit 4 – [naam zaaksdossier 4] Ten laste gelegde geschriften De verdachte wordt, voor zover nog aan de orde, verweten dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het valselijk opmaken dan wel laten opmaken, alsmede aan het opzettelijk voorhanden hebben van de volgende stukken: - De Nominee Agreement tussen [offshore vennootschap 4] en [rechtspersoon 12] , gedateerd 25 september 2006 (NL04-D102, MC04-D034); De Service Agreement tussen [rechtspersoon 12] en [naam onderneming 4] , gedateerd 1 maart 2006 (NL04-D099); De factuur van [rechtspersoon 12] aan [naam onderneming 4] , gedateerd 30 juni 2006 (NL04-D103, NL04-D025, IT04-D001). Standpunt advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het subsidiair ten laste gelegde, namelijk het voorhanden hebben van valse geschriften als eigenaar van [rechtspersoon 12] via [rechtspersoon 17] en het feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrift bewezen kan worden verklaard. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdediging de valsheid van de in deze zaak ten laste gelegde stukken niet betwist. De verdachte heeft daarnaast feitelijk leiding gegeven aan de verboden gedragingen, omdat het initiatief tot het opzetten en vervolmaken van de doorstroomstructuren van de verdachte uitging en de verdachte daarnaast wetenschap had dat die fraudeconstructie met al haar valsheden en verhullingen binnen de groep brede toepassing vond en staande praktijk was geworden. Daaraan doet niet af dat de verdachte bepaalde periodes elders verbleef. Standpunt verdediging De verdediging heeft vrijspraak van het ten laste gelegde feit bepleit en heeft daartoe aangevoerd dat de verdediging niet betwist dat de in deze zaak ten laste gelegde stukken zijn geantedateerd, maar dat de verdachte daaraan geen feitelijk leiding heeft gegeven en niet op de hoogte was van die antedateringen, noch heeft hij die antedateringen bevorderd. De verdachte heeft nooit een beleid uitgedragen waarin antedateren onvermijdelijk was en hij liet eveneens geen maatregelen achterwege waartoe hij redelijkerwijs gehouden was om antedateren te voorkomen. Oordeel van het hof Valsheden [persoon 24] heeft verklaard dat [persoon 1] bij hem op kantoor is geweest en dat [persoon 1] hem een constructie heeft voorgehouden om de winsten van zijn in Italië gevestigde onderneming, [naam onderneming 4] te verlagen. Deze constructie zou eruit bestaan dat de vennootschappen van [persoon 1] werden gebruikt om de door [naam onderneming 4] verrichte werkzaamheden te factureren en dat die factuurbedragen, onder inhouding van een fee voor de vennootschap van [persoon 1] , via een op te richten offshore, in dit geval [offshore vennootschap 4] , weer bij [persoon 24] terecht zouden komen. [persoon 24] verklaart dat de facturen betrekking hadden op, al dan niet volledig, niet bestaande transacties en dat [offshore vennootschap 4] was opgericht om overboekingen te ontvangen op basis van valse facturen. De ontmoeting tussen [persoon 1] en [persoon 24] vond plaats in juni
  22. Op 26 juni 2006 geeft [persoon 8] per e-mail de naam van de aan te wenden offshore, te weten [offshore vennootschap 4] door aan [persoon 1] . Op 30 juni 2006 stuurt [medewerker rechtspersoon 13] , werkzaam bij [rechtspersoon 13] te Monaco, de overeenkomst tussen [offshore vennootschap 4] en [rechtspersoon 12] aan [persoon 1] . Uit het voorgaande blijkt dat de samenwerking pas is gestart in juni 2006 en de overeenkomst eveneens in die periode is opgemaakt. In de nominee agreement staat vermeld dat deze ‘effective is as of 22 Februari 2006.’ Nu niet is gebleken dat de samenwerking eerder is aangevangen, acht het hof, gelet op het hiervoor overwogene, deze overeenkomst niet overeenkomstig de werkelijkheid opgemaakt. De service agreement tussen [rechtspersoon 12] en [naam onderneming 4] is gedateerd op 1 maart 2006, zijnde eveneens een datum gelegen vóór de ontmoeting tussen [persoon 1] en [persoon 24] , zodat ook deze overeenkomst niet overeenkomstig de werkelijkheid is opgemaakt. De definitieve versie van de service agreement wordt overigens pas op 25 juli 2006 door [persoon 1] per e-mail aan [persoon 24] gezonden, zodat ook om die reden de datering onjuist is. Op woensdag 28 juni 2006 verzoekt [persoon 24] per e-mail aan [persoon 1] om voor die aanstaande maandag een factuur op te maken van bijna 1,3 miljoen euro en te refereren aan een overeenkomst van maart
  23. Er volgt een factuur van [rechtspersoon 12] aan [naam onderneming 4] , gedateerd 30 juni 2006, die op 10 juli 2006 door [persoon 1] aan [persoon 24] per e-mail wordt toegezonden. Gelet op de omstandigheid dat de samenwerking pas in juni 2006 is gestart, acht het hof ongeloofwaardig dat reeds in diezelfde maand werkzaamheden ter waarde van bijna 1,3 miljoen euro zouden zijn verricht, mede in acht nemend de verklaring van [persoon 24] dat er sprake was van een schijnconstructie. De verdediging betwist de valsheid van de stukken ook niet. Het hof is van oordeel dat zodoende de factuur valselijk is opgemaakt. Overigens zijn de ten laste gelegde stukken naar het oordeel van het hof enkel opgemaakt om de winsten van [naam onderneming 4] in Italië te verlagen en vertegenwoordigen die stukken zodoende geen enkele economische realiteit, zodat reeds om die reden de stukken valselijk zijn opgemaakt. Wetenschap van de verdachte De verdachte was in de ten laste gelegde periode middellijk aandeelhouder van [rechtspersoon 12] en had vanaf 1 oktober 2007 als bestuurder van [rechtspersoon 35] , die 2,5% van de aandelen [rechtspersoon 12] bezit, zeggenschap in [rechtspersoon 12] . Van de klant is een cliënt-fiche aangetroffen met daarop de handtekening van de verdachte. [persoon 1] heeft verklaard dat hij denkt dat de verdachte het dossier kent omdat hij het fiche heeft getekend. Volgens [persoon 9] was [persoon 24] klant van [rechtspersoon 13] en uit het fiche van [offshore vennootschap 4] blijkt dat deze klant is aangebracht door [naam bank] . De verdachte wist volgens [persoon 9] en [persoon 8] dat de directeur en aandeelhouder van [naam onderneming 4] en [offshore vennootschap 4] dezelfde persoon is. Zowel [persoon 9] als [persoon 8] , beiden mededirecteur van [rechtspersoon 13] hebben verklaard dat degene die het fiche heeft medeondertekend - mede – due diligence op de klant heeft verricht. De fee voor de werkzaamheden van [rechtspersoon 12] bedroeg € 377.680,
  24. Dat de verdachte van de schijnconstructie op de hoogte was, baseert het hof ook op de hiervoor opgenomen algemene bewijsoverweging. Voorhanden hebben De in de tenlastelegging genoemde documenten NL04-D102, NL04-D99, NL04-D103 en NL04-D025 zijn in Amsterdam aangetroffen. Rol van de verdachte: feitelijk leidinggever De werkzaamheden werden verricht binnen de sfeer van de rechtspersoon [rechtspersoon 12] . Het hof acht bewezen dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het opmaken en voorhanden hebben van de ten laste gelegde valse documenten. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: [rechtspersoon 12] in de periode van 1 juni 2006 tot en met 30 september 2006 te Amsterdam en/of Italië en/of Monaco, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk geschriften, te weten: (NL04-D102, MC04-D034) de Nominee Agreement tussen [offshore vennootschap 4] en [rechtspersoon 12] , gedateerd 25 september 2006, en; (NL04-D099) de Service Agreement tussen [rechtspersoon 12] en [naam onderneming 4] , gedateerd 1 maart 2006, en; (NL04-D103, NL04-D025, IT04-D001) de factuur "invoice 60630" van [rechtspersoon 12] aan [naam onderneming 4] , gedateerd 30 juni 2006 zijnde telkens geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken, en [rechtspersoon 12] in de periode van 1 juni 2006 tot en met 12 maart 2012 te Amsterdam valse geschriften, (te weten de hiervoor genoemde onder 1, 2 en 3) opzettelijk voorhanden heeft gehad, terwijl zij wist dat deze geschriften bestemd waren om als echt en onvervalst te gebruiken. Voornoemde valsheden bestaan hieruit dat in die geschriften valselijk en in strijd met de waarheid is opgenomen, dat ad 1.: "this agreement is effective as of 22 February 2006", en; ad 2.: "this service agreement is effective as of 1 March 2006" en dat deze overeenkomst is "Signed this 1st day of March 2006", en; ad 3.: de factuurdatum 30 juni 2006 is en dat [rechtspersoon 12] de in die factuur vermelde services ten behoeve van [naam onderneming 4] heeft verricht aan welke bovenomschreven verboden gedragingen de verdachte telkens feitelijk leiding heeft gegeven. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 4 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd. en opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die zijn strafbaarheid ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde uitsluit. Feit 5 – [naam zaaksdossier 5] Ten laste gelegde geschriften De verdachte wordt, voor zover nog aan de orde, verweten dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het valselijk opmaken dan wel laten opmaken, alsmede aan het opzettelijk voorhanden hebben van de volgende stukken: De Know-How License Agreement tussen [rechtspersoon 11] en [naam onderneming 5] , ongedateerd (NL05-D094, MC05-D011); De factuur van [rechtspersoon 11] aan [naam onderneming 5] , gedateerd 12 juli 2004 (NL05-D098, IT05-D003); De factuur van [rechtspersoon 11] aan [naam onderneming 5] ., gedateerd 11 oktober 2004 (NL05-D099, IT-D004). Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden verklaard dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het medeplegen van valsheid in geschrift en het voorhanden hebben van valse geschriften. Als (mede)bedenker, initiator en uitventer is hij – veelal in zijn hoedanigheid van (indirect) statutair bestuurder en in elk geval eigenaar – van meet af aan betrokken bij de verboden gedragingen. Hij heeft zelf fysieke uitvoeringshandelingen verricht en is actief betrokken geweest. Het begaan van strafbare feiten was de dienstverlening van de [naam trustkantoor] en daarmee is het opzet van de verdachte (en de rechtspersonen binnen de groep) gegeven. Zij heeft daartoe verder aangevoerd dat [persoon 25] gegevens aandraagt voor de op te maken en te antedateren documenten. De stukken zijn opgemaakt, omdat [persoon 25] en [persoon 26] in 2004 geld weg willen sluizen. Duidelijk is dat [rechtspersoon 11] niets doet met de license agreement. De verdachte is alert op de compleetheid van het dossier, aangezien een incompleet dossier kan zorgen voor een controle en daarmee voor het aan het licht komen van de schijnconstructie. Er volgen verschillende instructies van de verdachte via de e-mail. De betrokkenheid van de verdachte blijkt daarnaast uit het feit dat hij UBO is van [rechtspersoon 36] (waar de betaling naartoe moet) en eigenaar van [rechtspersoon 11] via [rechtspersoon 10] . Standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak van het ten laste gelegde feit bepleit en heeft daartoe aangevoerd dat de verdediging niet betwist dat de in deze zaak ten laste gelegde stukken zijn geantedateerd, maar dat de verdachte daaraan geen feitelijk leiding heeft gegeven en niet op de hoogte was van die antedateringen, noch heeft hij die antedateringen bevorderd. De verdachte heeft nooit een beleid uitgedragen waarin antedateren onvermijdelijk was en hij liet eveneens geen maatregelen achterwege waartoe hij redelijkerwijs gehouden was om antedateren te voorkomen. Oordeel van het hof Valsheden [persoon 25] van [naam bank 2] stuurt [persoon 1] op 18 oktober 2004 een e-mailbericht, waarin hij meedeelt dat één van zijn Italiaanse cliënten grote winsten heeft gemaakt en dat [persoon 8] deze klant al heeft ontmoet en een structuur heeft voorgesteld. Een ontmoeting met de klanten stond gepland op 22 oktober
  25. Per e-mail van 9 november 2004 laat [persoon 25] weten dat het gaat om een onderneming die handelt in videogames en hij noemt [persoon 26] als contactpersoon. Het blijkt te gaan om de in Italië gevestigde vennootschap [naam onderneming 5] van [persoon 27] en [persoon 28] , die zich bezig hield met het ontwikkelen van software voor videogames. Op 12 november 2004 verzoekt [persoon 1] per e-mail van [persoon 3] om een conceptovereenkomst op te stellen. Op 26 november 2004 mailt [persoon 1] aan [persoon 25] en [persoon 26] twee concepten van know-how overeenkomsten en vermeldt daarbij dat de datum van de overeenkomst naar wens kan worden aangepast en verzoekt om hem hun voorkeursdatum te laten weten. Vervolgens stuurt [persoon 1] op 14 december 2004 de definitieve versie van de overeenkomst en verzoekt deze ondertekend te retourneren. Bijgevoegd is de know-how license agreement tussen [rechtspersoon 11] en [naam onderneming 5] , zoals ten laste is gelegd. Daarnaast verzoekt [persoon 1] om de details voor de op te maken facturen toe te sturen, zodat die diezelfde week nog in orde gemaakt kunnen worden. [persoon 25] stuurt [persoon 1] vervolgens per e-mail op 21 december 2004 een lijst met factuurdata, royaltyperiodes en de te factureren bedragen. [persoon 1] stuurt op 28 december 2014 een e-mail waarin hij vermeldt dat twee facturen niet in lijn zijn met de datum van de overeenkomst waarin 1 mei 2004 als begindatum is vermeld. [persoon 26] antwoordt dat de datum van de overeenkomst aangepast dient te worden van 1 mei 2004 naar 1 januari
  26. [persoon 1] laat aan [persoon 26] op 6 januari 20

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.