afdeling strafrecht parketnummer: 23-001233-21 datum uitspraak: 18 november 2021 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 29 april 2021 in de strafzaak onder parketnummer 15-308169-19 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 2002, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 november 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot 60 dagen jeugddetentie waarvan 59 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren alsmede een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 100 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 50 dagen jeugddetentie. Verder heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel wordt toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof de overweging tot vrijspraak van de rechtbank onder 3.3 vervangt door de navolgende overweging. Overwegingen strekkende tot vrijspraak Aangeefster was ten tijde van het ten laste gelegde feit werkzaam als mentor van minderjarige asielzoekers in het asielzoekerscentrum in [plaats] . Verdachte verbleef in dit asielzoekerscentrum en was een van haar pupillen. In de nacht van 30 op 31 augustus 2018 had aangeefster nachtdienst en heeft volgens zowel aangeefster als de verdachte seksueel contact plaatsgevonden tussen hen beiden. Aangeefster heeft op 4 september 2018 bij haar assistent manager melding gedaan van het seksuele contact en heeft zich daarna op diezelfde dag bij de politie gemeld voor een informatief gesprek, waarna zij op 25 september 2018 aangifte heeft gedaan. Zij heeft -kort gezegd- verklaard dat de seksuele handelingen in de bewuste nacht in haar slaapkamer tegen haar wil hebben plaatsgevonden en dat zij dat kenbaar heeft gemaakt aan verdachte door dit tegen hem te zeggen en door te proberen hem tegen te houden met haar handen. Aangeefster heeft voorts verklaard dat de verdachte vaker toenadering zocht bij haar, ook op ongepaste wijze. Bij haar aangifte op 25 september 2018 heeft aangeefster kleding (een trui/jurk en een legging) afgegeven, die in beslag is genomen. Getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben in mei en juni 2019 verklaard dat aangeefster hun in de periode na het seksuele contact heeft verteld dat zij was aangerand. Aangeefster is in juli en augustus 2019 aanvullend gehoord. Op 22 augustus 2019 is besloten de door aangeefster op 25 september 2018 afgegeven kledingstukken op te sturen voor forensisch onderzoek. Tijdens het sporenonderzoek van 19 september 2019 zijn op de trui/jurk en op de binnen- en buitenzijde van de legging zijn sporen van de verdachte aangetroffen. Op de legging zijn bovendien zowel aan de binnen-als de buitenkant spermasporen van de verdachte aangetroffen. Tegenover de verklaring van aangeefster staat de verklaring van verdachte, die voor het eerst is verhoord op 31 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.