Afdeling strafrecht Parketnummer: 23-000563-20 Datum uitspraak: 9 november 2021 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 18 februari 2020 in de strafzaak onder parketnummer 15-298197-19 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1976, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 november 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1.hij op of omstreeks 13 december 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en (zwarte) (Nike) rugtas, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; 2.hij op of omstreeks 11 december 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer een (bagage)trolley, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; 3.hij op of omstreeks 14 december 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer een (zwarte)rugzak, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan een tot op heden onbekend gebleven persoon, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, vanwege proceseconomische redenen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1.hij op 13 december 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en zwarte Nike rugtas, die toebehoorde aan [slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. 2.hij op 11 december 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer een (bagage)trolley, die toebehoorde aan [benadeelde] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. 3.hij op 14 december 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer een zwarte rugzak, die toebehoorde aan een tot op heden onbekend gebleven persoon, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde levert op: telkens: diefstal. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feiten 1, 2 en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, een voorwaardelijke gevangenisstraf passend is. Na lange tijd geen vaste woon-, of verblijfplaats te hebben gehad, is de verdachte sinds februari 2021 woonachtig bij [adres] . Dit is een beschermd wonen project waar 24 uur per dag woonbegeleiding aanwezig is. Het wonen op de [adres] maakt dat de verdachte minder cocaïne gebruikt dan voorheen. De reclassering is dan ook voorzichtig positief. Naar omstandigheden gaat het goed met de verdachte en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou dit niet alleen doorkruisen, maar afhankelijk van de duur ervan zou de verdachte ook zijn plek bij [adres] kwijt kunnen raken, hetgeen zeer onwenselijk zou zijn. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie diefstallen van bagage van toeristen op de luchthaven Schiphol. Toeristen hebben vaak naast waardevolle bagage ook reisbescheiden bij zich, waarvan het verlies groot ongemak met zich brengt. Tevens worden hierdoor de in de samenleving reeds bestaande gevoelens van onveiligheid versterkt. Het hof heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies van 6 augustus
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.