← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2021:3828

afdeling strafrecht parketnummer eerste aanleg : 13-215835-18 parketnummer hoger beroep : 23-001318-20 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam, enkelvoudige strafkamer, van 19 april 2021 gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 18 juni 2020 in de zaak tegen de verdachte: naam: [verdachte] voornamen: [verdachte] geboren: op [geboortedag] 1956 te [geboorteplaats] adres: [adres]. Kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: mishandeling. Pleegdatum en -plaats Gepleegd op 31 oktober 2018 te Amsterdam. Toepasselijke wettelijke voorschriften De artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 300,00 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis. Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 6 (zes) maanden aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 165,29 (honderdvijfenzestig euro en negenentwintig cent) bestaande uit € 15,29 (vijftien euro en negenentwintig cent) materiële schade en € 150,00 (honderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 165,29 (honderdvijfenzestig euro en negenentwintig cent) bestaande uit € 15,29 (vijftien euro en negenentwintig cent) materiële schade en € 150,00 (honderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 15 november 2018. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 31 oktober 2018. Gewezen door mr. J.J.I. de Jong, in bijzijn van mr. B.K.M. Pouw, griffier. mr. J.J.I. de Jong De verdachte heeft ter terechtzitting afstand gedaan van het recht beroep in cassatie in te stellen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.