beschikking GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling strafrecht rekestnummer(s): 000673-21 (530 Sv) en 000674-21 (533 Sv) parketnummer in eerste aanleg: 13-223512-19 Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 14 januari 2021 op het verzoekschrift op de voet van de artikelen 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker] , geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] ([geboorteland]), domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. K. Cras, H.J.E. Wenckebachweg 150 D, 1114 AD Amsterdam. 1Procesverloop Het hoger beroep is op 10 februari 2021 beperkt ingesteld door verzoeker (hierna appellant) en richt zich enkel tegen de beslissing die is genomen met betrekking tot het verzoek op de voet van artikel 533 Sv. Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 9 november 2021 de advocaat-generaal ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant en zijn advocaat zijn niet in raadkamer verschenen. 2Inhoud van het verzoek Het verzoek - zoals gewijzigd in raadkamer in hoger beroep - strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van: schade die appellant stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 17.650,00; kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in eerste aanleg ten bedrage van € 280,00; kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in hoger beroep ten bedrage van € 280,00. 3Beoordeling Het hoger beroep is tijdig ingesteld. Het inleidende verzoek is tijdig ingediend. Appellant is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 april 2020 ontslagen van alle rechtsvervolging. Op diezelfde datum is een zorgmachtiging voor de duur van zes maanden afgegeven. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen en dit als volgt gemotiveerd: Verzoeker heeft -in de strafzaak met parketnummer 13/223512-19- in voorlopige hechtenis gezeten, op de grond dat de kans op herhaling groot werd geacht omdat de psychiatrische problematiek die tot het strafbare feit had geleid onverminderd bij verzoeker aanwezig was. De maatregelen van ISD en van artikel 37 Sr behoorden in de strafzaak tot de afdoeningsmogelijkheden en het onderzoek ter voorbereiding van een verzoekschrift voor het afgeven van een zorgmachtiging werd tijdens de voorlopige hechtenis verricht. Zonder zorgmachtiging was er geen passend alternatief (een plaats in een GGZ-instelling) voor de voorlopige hechtenis. De zorgmachtiging in de zin van artikel 2.3 Wfz valt aan te merken als een tot vrijheidsbenemende strekkende maatregel in de zin van artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering’ (Sv), reden waarom de voorlopige hechtenis kon voortduren zonder dat sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 67a lid 3 Sv. De rechtbank Amsterdam heeft op 22 april 20202 vonnis gewezen en het ten laste gelegde strafbare feit bewezen geacht maar geconcludeerd dat de verzoeker ten tijde van de bewezenverklaarde bedreiging leed aan een psychotische stoornis en dat het feit niet aan hem kon worden toegerekend. Verzoeker is dan ook ontslagen van alle rechtsvervolging. De rechtbank overweegt in het vonnis dat, anders dan de psycholoog heeft geadviseerd, zij een tbs-maatregel echter niet aan de orde acht. Wel heeft de rechtbank aan verdachte in de zaak met rekestnummer 20-1985, welk rekest tegelijkertijd met de strafzaak is behandeld, een zorgmachtiging op grond van artikel 2.3, eerste lid, Wfz voor de duur van zes maanden verleend. Daarmee is onder meer machtiging verleend voor een gedwongen opname van verzoeker. Weliswaar is de strafzaak van verzoeker uiteindelijk geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel in de zin van het Wetboek van Strafrecht, maar tegelijkertijd is door de rechtbank een (civiele) zorgmachtiging voor de duur van 6 maanden afgegeven in welk kader de vrijheid van verzoeker wordt ontnomen. De rechtbank is van oordeel dat gelet op deze feiten en omstandigheden geen gronden van billijkheid aanwezig zijn voor schadevergoeding voor de dagen, doorgebracht in detentie. Het verzoek om vergoeding van deze dagen zal dan ook worden afgewezen. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek terecht is afgewezen en verenigt zich met de beslissingen van de rechtbank en de motivering. Appellant heeft gesteld dat ruimte is voor vergoeding, nu het strafrechtelijk voorarrest eigenlijk te lang op oneigenlijke gronden 'gebruikt' is - bij gebrek aan andere civiele zorgmiddelen en machtigingen - om appellant simpelweg van de straat te houden, terwijl bij justitie reeds langere tijd bekend was wat de psychische gesteldheid van appellant was. Het was duidelijk dat appellant niet in een strafrechtelijk kader behoorde en toch is hij daarin maandenlang vastgehouden. Gelet hierop ziet appellant gronden van billijkheid om tot toewijzing van het verzoek tot schadevergoeding over te gaan, dan wel om dit te matigen naar een bedrag dat het hof passend acht. Het hof is van oordeel dat beslissing van de rechtbank juist is en op goede gronden berust. Het hof verenigt zich derhalve met de beschikking waarvan beroep en de gronden waarop deze berust. 4Beslissing Het hof: Wijst het hoger beroep af. Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant. Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. F.A. Hartsuiker, V.M.A. Sinnige en A.W.T. Klappe, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is bij ontstentenis van de griffier alleen ondertekend door de voorzitter en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van dit hof van 7 december 2021.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.