GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civiel recht en belastingrecht Team III (familie- en jeugdrecht) Zaaknummer: 200.285.723/01 Zaak- en rekestnummer eerste aanleg: C/13/678276 / FA RK 19-8444 beschikking van de meervoudige kamer van 7 december 2021 inzake [de vrouw] , verblijvende te [woonplaats] , appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. N. Rastegar te Amsterdam, tegen [de man] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellant in incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. F.R. Brouwer te Amsterdam. 1Het verdere geding in hoger beroep Het hof heeft op 30 juli 2021 een tussenbeschikking gewezen waarin op het principaal hoger beroep van de vrouw is beslist. De beslissing op het incidenteel hoger beroep van de man is aangehouden tot heden. 2.Het geschil in incidenteel hoger beroep 2.1 Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang, bepaald dat de man een bedrag van € 676,- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. De vrouw had (na aanvulling) verzocht om een bijdrage in haar levensonderhoud van € 1.129,- bruto per maand. 2.2 De man verzoekt in incidenteel hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, om het inleidend verzoek van de vrouw om een onderhoudsbijdrage af te wijzen en, voor zover het hof van oordeel is dat hij een onderhoudsbijdrage aan de vrouw dient te voldoen, een bijdrage vast te stellen die het hof juist acht en deze bijdrage na anderhalf jaar op nihil te stellen, dan wel na een termijn die het hof juist acht. 2.3 De vrouw verzoekt in incidenteel hoger beroep om bekrachtiging van de bestreden beschikking. 3Beoordeling van het incidenteel hoger beroep 3.1 De man heeft in incidenteel hoger beroep tien grieven aangevoerd tegen de bestreden beschikking. In de grieven richt de man zich tegen: - de (omvang van de) behoefte aan een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw; - de toepassing door de rechtbank van de zogeheten hofnorm bij de vaststelling van de behoefte van de vrouw; - het meenemen door de rechtbank van het salaris dat de vrouw verdiende tijdens het huwelijk bij het bepalen van het Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI); - de hoogte van het salaris van de vrouw dat de rechtbank heeft meegenomen bij het bepalen van het NBGI; - het buiten beschouwing laten door de rechtbank van de verdiencapaciteit van de vrouw; - de door de rechtbank vastgestelde aanvullende behoefte van de vrouw; - de berekening van de draagkracht van de man; - de door de rechtbank toegepaste jusvergelijking; - de afwijzing door de rechtbank van het verzoek de partneralimentatie op een termijn van anderhalf jaar op nihil te stellen. 3.2 De rechtbank heeft geoordeeld dat de door de man in eerste aanleg aangevoerde omstandigheden onvoldoende zwaarwegend zijn om niet uit te gaan van de op de hofnorm gebaseerde huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw en is uitgegaan van het gezinsinkomen van partijen in 2019, het laatste volledige jaar voor het uiteengaan van partijen. Volgens de rechtbank maakte het salaris van de vrouw deel uit van het gezinsinkomen. Voor de berekening van de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw heeft de rechtbank de behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage berekend door haar netto inkomen op € 1.052,- per maand te stellen en dit bedrag van de huwelijksgerelateerde behoefte van € 1.826,- netto per maand af te trekken. Aldus komt de rechtbank op een aanvullende behoefte van € 1.459,- bruto per maand. Vervolgens heeft de rechtbank verwezen naar de aan de beschikking gehechte draagkrachtberekening en jusvergelijking en aldus de door de man te betalen bijdrage op € 676,- per maand bepaald. Voor wat betreft het verzoek tot limitering van de partneralimentatie tot anderhalf jaar heeft de rechtbank overwogen dat de vrouw zich moet gaan inspannen om in haar eigen behoefte te gaan voorzien door het aanvaarden van een fulltime dienstverband. Omdat het voor de rechtbank onduidelijk is op welke termijn dit van de vrouw kan worden verwacht gelet op haar (tijdelijke) arbeidsongeschiktheid en beperkte verdiencapaciteit, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien de partnerbijdrage op de verzochte korte termijn op nihil te stellen. 3.3 Het hof dient bij de beantwoording van de vraag of de vrouw behoefte heeft aan een door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud rekening te houden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk. Daarin kan een aanwijzing worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd. Verder dient zoveel mogelijk rekening te worden gehouden met concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde. 3.4 Uit de stukken blijkt dat de vrouw, die [in] 1971 is geboren en op dit moment derhalve 50 jaar oud is, in 2011 vanuit Spanje naar Nederland is gekomen en in dat jaar met de man is gehuwd. In Marokko heeft de vrouw vanaf haar zevende tot haar zestiende jaar op school gezeten. Daarna stelt zij in 2009 naar Spanje te zijn gegaan, waar zij nimmer heeft gewerkt. In Nederland heeft de vrouw vanaf 2016 gedurende 15 uur per week schoonmaakwerkzaamheden verricht tot 7 oktober 2019 toen zij in de ziektewet belandde. Door het stranden van het huwelijk en de toewijzing van het huurrecht van de voormalig echtelijke woning aan de man, verblijft de vrouw in een opvanghuis in afwachting van eigen woonruimte. De vrouw ontvangt een bijstandsuitkering. Blijkens de specificatie van juni 2021 ontvangt zij maandelijks het basisbedrag voor een alleenstaande van € 1.075,44 waarop in mindering wordt gebracht een verlaging in verband met de woonsituatie van € 307,27 en een reservering vakantiegeld van € 38,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.