GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.268.460/01 zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/283316/HA ZA 19-17 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 december 2021 inzake [appellant] , wonend te [woonplaats] , appellant, advocaat: mr. J.J. Kunst te Hoorn (NH), tegen GEMEENTE LANDSMEER, zetelend te Landsmeer, geïntimeerde, advocaat: mr. H. van Lingen te Alkmaar. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellant] en de gemeente genoemd. [appellant] is bij dagvaarding van 10 oktober 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 31 juli 2019, onder bovenvermeld zaak- / rolnummer gewezen in een zaak tussen de gemeente als eiseres en [appellant] als gedaagde. Bij arrest van 26 november 2019 heeft het hof een comparitie van partijen gelast, ter beproeving van een minnelijke regeling. Deze comparitie heeft niet plaatsgevonden. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties; - memorie van antwoord. Partijen hebben de zaak ter zitting van 30 maart 2021 doen bepleiten door hun voornoemde advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord. De gemeente heeft op verzoek van het hof een nadere productie in het geding gebracht. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vorderingen van de gemeente zal afwijzen, met veroordeling van de gemeente in de kosten van het geding in beide instanties en veroordeling van de gemeente tot terugbetaling van hetgeen [appellant] krachtens het bestreden vonnis heeft betaald. De gemeente heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 2Feiten De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.9 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende. 2.1 Op 29 juni 2007 is tussen de gemeente en [appellant] als verzoeker tot het verlenen van een bouwvergunning een zogenoemde planschadeovereenkomst (hierna: de overeenkomst) tot stand gekomen. In deze overeenkomst is het volgende opgenomen: (…) In aanmerking nemende: - dat de verzoeker bij de gemeente een bouwplan heeft ingediend voor het bouwplan op het perceel [perceel] , kadastraal bekend gemeente Landsmeer, sectie [sectie] nr. [nummer] ; - - dat dit bouwplan in strijd is met het geldende bestemmingsplan “Het Lint”; - dat derhalve de bouwvergunning door de gemeente geweigerd behoort te worden, tenzij de gemeente bereid is om mee te werken aan herziening of vrijstelling van het bestemmingsplan; (…) - dat het verzoek om bouwvergunning tevens een verzoek om tijdelijke vrijstelling van het bestemmingsplan is ten behoeve van het bouwplan [perceel] ; - dat de gemeente uit eerste onderzoek niet is gebleken van doorslaggevende planologische beletselen om mee te werken aan het gemelde verzoek; - dat er evenwel uit de gevraagde vrijstelling van het bestemmingsplan schade kan voortvloeien als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, om welke reden er bij de gemeente gerede twijfel bestaat over de vereiste economische uitvoerbaarheid van de gevraagde planologische maatregel; - dat de gemeente bereid is de door de verzoeker gevraagde planologische maatregel verder in procedure te brengen, onder voorwaarde dat de verzoeker zich ten behoeve van de economische uitvoerbaarheid van de maatregel bereid verklaart de daaruit voortvloeiende voor vergoeding in aanmerking komende planschade volledig aan de gemeente te compenseren; - dat de Raad op 23 augustus 2005 een Procedureregeling planschadevergoeding heeft vastgesteld op grond waarvan een derde-belanghebbende zoals de verzoeker betrokken wordt bij de behandeling van aanvragen om planschadevergoeding; Komen overeen als volgt: 1. De gemeente zal de planologische maatregel zoals deze door de verzoeker is gevraagd en nader door de gemeente is en wordt vormgegeven in openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in artikel 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) brengen. 2. (…) 3. De gemeente zal verzoeker schriftelijk in kennis stellen van een aanvraag om vergoeding van schade als bedoeld in artikel 49 WRO die voortvloeit uit de herziening of vrijstelling van het bestemmingsplan zoals deze naar aanleiding van het door verzoeker ingediende verzoek wordt vastgesteld door de gemeente en in werking treedt. De gemeente zal de verzoeker bij de behandeling van zo’n aanvraag betrekken op de wijze zoals voorgeschreven in de Procedureregeling planschadevergoeding. 4. De verzoeker verbindt zich om aan de gemeente het totale bedrag te compenseren van de schade als bedoeld in artikel 49 WRO die onherroepelijk voor vergoeding door de gemeente in aanmerking komt en die voortvloeit uit de herziening of vrijstelling van het bestemmingsplan zoals deze naar aanleiding van het door de verzoeker ingediende verzoek daartoe wordt vastgesteld door de gemeente en in werking treedt. 5. De gemeente zal zo spoedig mogelijk na iedere aparte en onherroepelijke vaststelling van een bedrag van planschade die voortvloeit uit de in artikel 4 bedoelde herziening of vrijstelling van het bestemmingsplan het bedrag schriftelijk aan de verzoeker meedelen. Ter uitvoering van het in artikel 4 bepaalde verplicht de verzoeker zich het desbetreffende bedrag na iedere mededeling aan de gemeente over te maken binnen twee weken na de verzending van de mededeling (…) 6. Deze overeenkomst vervalt zodra onherroepelijk komt vast te staan dat de gevraagde wijziging of vrijstelling van het bestemmingsplan niet wordt vastgesteld respectievelijk niet in werking zal treden. 7. Het is de verzoeker zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de gemeente niet toegestaan rechten en verplichtingen uit deze overeenkomst over te dragen aan derden. (…) 2.2 In de ‘Proceduregeling planschadevergoeding 2005’ (hierna: de procedureregeling) van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente (hierna: B&W) is onder meer bepaald: Artikel 1: Begripsbepalingen De regeling verstaat onder: (…) f. adviseur: een persoon of commissie belast met het adviseren inzake de door het college te nemen beschikking op een aanvraag om vergoeding van planschade en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan; (…) Artikel 2 1. Een aanvraag om vergoeding van planschade wordt bij het college ingediend met gebruikmaking van een door het college vastgesteld formulier. 2. (…) Van de aanvraag wordt een afschrift toegezonden aan de derde-belanghebbende. (…) Artikel 6: Werkwijze van de adviseur 1.De adviseur stelt de aanvrager, een derde belanghebbende en het college in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling hun visie te geven over de aanvraag om vergoeding van planschade. (…) Artikel 7: Advisering (…) 3. De adviseur zendt een afschrift van het conceptadvies aan de aanvrager en een derde-belanghebbende, en stelt de aanvrager en de derde-belanghebbende in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van het conceptadvies schriftelijk een reactie daarop ter kennis van de adviseur te brengen. (…) 6. De adviseur zendt een afschrift van het definitieve advies aan de aanvrager en de derde-belanghebbende. 2.3 Op 18 november 2008 heeft de gemeente aan [appellant] een bouwvergunning eerste fase verleend voor het geheel oprichten van een woning op het perceel [perceel] en kadastraal bekend als gemeente Landsmeer, sectie [sectie] nr. [nummer] (hierna: bouwvergunning eerste fase) en daarbij vrijstelling verleend conform artikel 19 lid 2 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO). In de considerans van het besluit is onder meer het volgende overwogen: De aanvraag is in strijd met het bestemmingsplan “Purmerland 1989” aangezien het bouwplan wordt gerealiseerd op de bestemming “Erven” van de bestemming “Meergezinshuizen” en de oprichting van een woning op deze bestemming niet is toegestaan. De aanvraag behoort evenwel tot de categorieën van gevallen waarvoor vrijstelling van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 19 lid 2 WRO kan worden verleend. Tijdens de periode dat het ontwerpbesluit ter inzage heeft gelegen zijn schriftelijke zienswijzen ingediend door: 1. [A] , wonende [adres 1] en 2. [B] (hierna: [B] ), wonende te [adres 2] . Deze bedenkingen vormen evenwel geen beletsel voor het verlenen van medewerking aan de aanvraag. 2.4 Aan de bouwvergunning eerste fase zijn onder meer de volgende voorwaarden verbonden: 1. (…) 2. 2. De bouwvergunning eerste fase geeft geen toestemming om te bouwen. 3. Voor het verkrijgen van die toestemming moet binnen een termijn van twee jaar de aanvraag voor bouwvergunning tweede fase worden ingediend. 4. Bij het indienen van een aanvraag bouwvergunning 2e fase dient een exemplaar van deze vergunning bij de aanvraag gevoegd te worden. 5. Binnen 26 weken na dagtekening van de bouwvergunning 2e fase moet van de vrijstelling gebruik zijn gemaakt. 2.5 [C] (hierna: [C] ), de toenmalige echtgenote van [appellant] en eigenares van het perceel, heeft het perceel verkocht aan MiTiHolding B.V. (hierna: MiTi) en op 26 mei 2010 de eigendom van het perceel overgedragen. 2.6 Op 7 juli 2010 heeft Miti een reguliere bouwvergunning aangevraagd voor het geheel vergroten van bijgebouwen met kantoorruimte op het perceel [perceel] . Bij besluit van 15 december 2010 heeft B&W in reactie op deze aanvraag besloten ontheffing te verlenen conform artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening en een bouwvergunning verleend. 2.7 Op enig moment is op het perceel [perceel] (onder meer) een woning gebouwd op basis van een vergunning die verleend is aan de rechtsopvolger van [appellant] ; [appellant] heeft - naar tussen partijen vast staat - van de aan hem verleende vergunning geen gebruik gemaakt. 2.8 Op 14 september 2012 heeft [B] een verzoek ingediend bij de gemeente tot het verkrijgen van een planschadevergoeding. Hij stelt in dat verzoek dat als gevolg van de gerealiseerde nieuwbouw (woning) op het perceel [perceel] zijn eigen perceel in waarde is verminderd. Als maatregel die volgens [B] oorzaak is van de schade vermeldt [B] het besluit van 18 november 2008 (de verlening van de bouwvergunning eerste fase). 2.9 Bij brief van 21 december 2012 heeft de gemeente [appellant] als derde-belanghebbende ingelicht over de ontvangst van dit planschadeverzoek. De gemeente heeft [appellant] verder geïnformeerd dat zij voornemens is om Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ) aan te wijzen als onafhankelijk adviseur en [appellant] erop gewezen dat hij binnen twee weken na verzending van de brief een schriftelijk gemotiveerd verzoek om wraking kon indienen. [appellant] heeft zich niet verzet tegen de aanwijzing van SAOZ als onafhankelijk adviseur. 2.10 Bij brief van 28 februari 2013 heeft de SAOZ [appellant] uitgenodigd voor een onderhoud met de adviseur (mr. ir. [adviseur] ) en een ambtenaar van de gemeente (dhr. [gemeente ambtenaar] ) inzake de planschade-aanvraag van [B] . 2.11 Bij besluit van 21 november 2013 heeft B&W het planschadeverzoek van [B] afgewezen. Bij besluit van 28 mei 2014 heeft B&W van de gemeente het tegen die afwijzing ingediende bezwaar van [B] ongegrond verklaard. Tegen de beslissing op bezwaar heeft [B] beroep ingesteld bij de rechtbank. 2.12 Bij tussenuitspraak van 22 april 2015 heeft de rechtbank Noord-Holland een gebrek geconstateerd in het aangevochten besluit van 28 mei 2014 en B&W in de gelegenheid gesteld om met in achtneming van die tussenuitspraak dat gebrek te herstellen. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen: 2. Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze de planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen op grond van het voordien geldende planologische regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking daarvan heeft plaatsgevonden. Bij de beoordeling of sprake is van een planologisch nadeliger situatie ten gevolge van een planologische wijziging, zijn slechts ruimtelijke gevolgen relevant. Slechts ingeval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken. 3. (…) Op 28 augustus 2012 hebben eisers hof: [B] ] een aanvraag ingediend om een tegemoetkoming in de planschade die zij stellen te hebben geleden ten gevolge van de vrijstelling op grond van artikel 19 van de (toen geldende) Wet op de Ruimtelijke Ordening en bouwvergunning eerste fase die is verleend voor realisering van een woning op het naastgelegen perceel [perceel] . (…) 9. (…) Om het gebrek te herstellen, moet verweerder hof: B&W] een nieuwe beslissing op bezwaar nemen waarbij wordt uitgegaan van het ontbreken van voorzienbaarheid ten aanzien van perceel [perceel] . Verweerder dient hierbij tevens te betrekken de eigenaar van [perceel] , [appellant] , met wie – blijkens de bij de bouwvergunning eerste fase behorende ruimtelijke onderbouwing – op 20 maart 2008 een planschadeovereenkomst is gesloten. 2.13 De gemeente heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. 2.14 Bij uitspraak van 3 juli 2015 heeft de rechtbank het beroep van [B] gegrond verklaard, het besluit van 28 mei 2014 vernietigd en B&W opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de einduitspraak en de tussenuitspraak van de rechtbank. 2.15 Op 15 maart 2016 heeft B&W een nieuwe beslissing op bezwaar genomen waarbij zij het bezwaar van [B] alsnog gegrond verklaard heeft en alsnog een bedrag aan planschade heeft toegekend aan [B] van € 27.200,00 vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag dat de aanvraag tot schadevergoeding door de gemeente was ontvangen. Tevens is aan [B] terugbetaling van een bedrag van € 500,00 toegekend dat [B] moest betalen voor het in behandeling nemen van zijn planschadeverzoek. De gemeente heeft uiteindelijk een bedrag van € 30.244,61 uitgekeerd aan [B] . 2.16 Bij factuur van 31 december 2016 heeft de gemeente aan [appellant] verzocht om een bedrag van € 30.244,61 aan de gemeente over te maken. 2.17 Bij brief van 26 juli 2017 heeft de gemeente [appellant] gesommeerd om het door haar in rekening gebrachte bedrag te voldoen en, voor het geval [appellant] hier niet tijdig aan voldoet, in gebreke gesteld. Bij brief van 21 november 2017 heeft de gemachtigde van de gemeente wederom een ingebrekestelling verzonden. 2.18 Bij brief van 6 december 2017 heeft [appellant] aan de gemachtigde van de gemeente geantwoord dat hij de verkeerde persoon heeft aangeschreven, omdat zijn bouwaanvraag is ingetrokken en niet gehonoreerd, het perceel is verkocht op 26 mei 2010 en de nieuwe eigenaar klaarblijkelijk een geheel nieuwe omgevingsvergunning heeft aangevraagd. 2.19 Bij brief van 28 maart 2019 heeft de advocaat van [C] aan de gemeente geschreven: Namens cliënte , mevrouw [C] te [plaats] , wordt bij deze onder verwijzing naar art. 1:88 BW de tussen uw gemeente en de heer [appellant] gesloten planschadeovereenkomst vernietigd nu cliënte voor het aangaan daarvan geen toestemming heeft gegeven. Zij was ten tijde van het sluiten van de overeenkomst gehuwd met de heer [appellant] . 3Beoordeling 3.1 In eerste aanleg heeft de gemeente gevorderd - samengevat - veroordeling van [appellant] tot betaling van € 32.517,81, vermeerderd met rente en kosten. De gemeente heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat zij op grond van artikel 4 van de overeenkomst de door de gemeente aan [B] uitgekeerde planschade in rekening mag brengen bij [appellant] . 3.2 [appellant] heeft in eerste aanleg als verweer aangevoerd:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.