GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.299.106/01 zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/638402 / HA ZA 17-1159 (oud: C/13/577813 / HA ZA 14-1192) arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 december 2021 inzake [appellant] , wonend te [woonplaats] , appellant in de hoofdzaak, verweerder in het incident ex artikel 234 Rv, eiser in het voorwaardelijke incident ex artikel 235 Rv, advocaat: mr. J.N.T. van der Linden te Amsterdam, tegen [geïntimeerde] , wonend te [woonplaats] (België), geïntimeerde in de hoofdzaak, eiser in het incident ex artikel 234 Rv, verweerder in het voorwaardelijke incident ex artikel 235 Rv, advocaat: mr. E.C. Kerkhoven te Den Haag. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd. [appellant] is bij dagvaarding van 12 juli 2021 – hersteld bij exploot van 15 juli 2021 – in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 11 februari 2015 en 3 februari 2016 (beide C/13/577813 / HA ZA 14-1192) en van 3 april 2019 en 7 juli 2021 (beide C/13/638402 / HA ZA 17-1159), gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] als gedaagde. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - incidentele conclusie ex artikel 234 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), met producties, van [geïntimeerde] ; - antwoordconclusie in het incident ex artikel 234 Rv, tevens voorwaardelijke incidentele vordering ex artikel 235 Rv, met een productie, van [appellant] . Vervolgens is arrest gevraagd in de incidenten. In het incident ex artikel 234 Rv heeft [geïntimeerde] gevorderd dat het bestreden vonnis van 7 juli 2021 (hierna: het vonnis) alsnog uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard, met veroordeling van [appellant] in de kosten van dit incident. [appellant] heeft geconcludeerd dat het hof de incidentele vordering ex artikel 234 Rv zal afwijzen. Indien het hof die vordering wel toewijst, heeft [appellant] incidenteel gevorderd aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde te verbinden dat door [geïntimeerde] afdoende zekerheid wordt gesteld. [appellant] heeft geconcludeerd tot veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van – zo begrijpt het hof – beide incidenten. 2Beoordeling in de incidenten 2.1 Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank, op vordering van [geïntimeerde] , [appellant] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 622.891,32, vermeerderd met de contractuele rente van 5% per jaar over het toegewezen bedrag met ingang van 15 april 2010 tot de dag van volledige betaling, [appellant] veroordeeld in de proces- en nakosten en het meer of anders gevorderde afgewezen. Het vonnis is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 2.2 Ter toelichting op zijn incidentele vordering heeft [geïntimeerde] , kort samengevat, het volgende aangevoerd. Bij de inleidende dagvaarding heeft hij geen uitvoerbaarverklaring bij voorraad gevorderd, maar hij heeft dit alsnog gedaan bij B16-formulier ten behoeve van de rolzitting van 23 december 2020. Kennelijk heeft de rechtbank dit over het hoofd gezien, althans die vordering zonder motivering afgewezen. De inhoud van het vonnis kan een uitvoerbaarverklaring bij voorraad evenwel dragen, waarmee tevens het belang van [geïntimeerde] daarbij is gegeven. Het verweer in eerste aanleg van [appellant] heeft [geïntimeerde] als chicaneus ervaren en hij vreest dat ook de procedure in hoger beroep jaren zal gaan duren, terwijl hij ( [geïntimeerde] ) inmiddels 72 jaar is. [geïntimeerde] houdt het ervoor dat [appellant] louter procedeert om hem dwars te zitten, omdat het gezien de welstand van [appellant] zeer onwaarschijnlijk is dat hij om financiële reden niet betaalt. Aangezien het uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling hangende een hogere voorziening ten uitvoer kan worden gelegd en niet is gebleken van een te respecteren belang aan de zijde van [appellant] dat afwijking van dit uitgangspunt zou rechtvaardigen, dient de belangenafweging die het hof moet maken in het voordeel van [geïntimeerde] uit te vallen. Aldus steeds [geïntimeerde] . 2.3 [appellant] heeft tegen de incidentele vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad verweer gevoerd en, voor het geval dat die vordering wordt toegewezen, op zijn beurt incidenteel gevorderd daaraan de voorwaarde te verbinden dat door [geïntimeerde] afdoende zekerheid wordt gesteld, een en ander op gronden die, zo nodig, bij de beoordeling zullen worden weergegeven. 2.4 Het hof constateert dat de rechtbank in het vonnis geen gemotiveerde beslissing over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft gegeven. Het doet evenwel, anders dan [appellant] heeft aangevoerd, niet ter zake of een dergelijke beslissing ontbreekt doordat in vorige instantie geen uitvoerbaarverklaring bij voorraad is gevorderd dan wel doordat de rechter in vorige instantie geen gemotiveerde beslissing op die vordering heeft gegeven. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat in beide gevallen, indien en zodra hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis, op de voet van artikel 234 Rv gevorderd kan worden dat vonnis alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Voor zover [appellant] heeft betoogd dat, in het geval dat in vorige instantie geen uitvoerbaarverklaring bij voorraad is gevorderd, deze incidentele vordering pas zou kunnen worden ingesteld na een eiswijzing op dat punt, omdat met de beoordeling van die vordering een voorschot zou worden genomen op de beoordeling van de hoofdzaak, overweegt het hof dat dit noch uit die rechtspraak noch uit (het systeem van) de wet volgt. 2.5 Bij de beoordeling van de onderhavige (voorwaardelijke) incidentele vorderingen stelt het hof het volgende voorop (vgl. HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026). Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. Bij de toepassing van deze maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.