GERECHTSHOF AMSTERDAM Kenmerken 20/00654, 20/00655 en 20/00664 17 augustus 2021 uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op de hoger beroepen van [X] , wonende te [Z] , belanghebbende, tegen de uitspraken in de zaken met kenmerken HAA 20/189 en HAA 20/190 en in de zaak met het kenmerk HAA 20/2618 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding Zaken 20/00654 en 20/00655 (2016 resp. 2017) 1.1.
(2018)1.4.1. Belanghebbende heeft de inspecteur in gebreke gesteld omdat hij niet tijdig heeft gereageerd op een door haar ingediende klacht en vervolgens beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit. 1.4.2. Belanghebbende heeft voorts de inspecteur in gebreke gesteld wegens het niet tijdig opleggen van een aanslag IB/PVV voor het jaar 2018. Zij heeft ook ter zake hiervan beroep ingesteld. 1.4.3. De inspecteur heeft met dagtekening 5 maart 2020 aan belanghebbende over het jaar 2018 een aanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.025. Belanghebbende heeft tegen deze aanslag zowel bezwaar gemaakt als beroep ingesteld. 1.4.4. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 27 maart 2020, de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende heeft daartegen eveneens beroep ingesteld. 1.5. Bij uitspraak van 27 oktober 2020 heeft de rechtbank het beroep gericht tegen de uitspraak op bezwaar van 27 maart 2020 ongegrond verklaard en de overige beroepen niet-ontvankelijk. Alle zaken 1.6. Het Hof heeft op 3 november 2020 het geschrift ontvangen waarin belanghebbende tegen de in 1.3 en 1.5 bedoelde uitspraken van de rechtbank hoger beroep heeft ingesteld. Dit is aangevuld bij brief van 8 november 2020. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Ten slotte is op 30 december 2020 een nader stuk van belanghebbende ontvangen dat in afschrift aan de inspecteur is verstrekt. 1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2021. Verschenen zijn belanghebbende en namens de inspecteur [...] en [...] . Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2Feiten 2.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak in de zaken HAA 20/189 en HAA 20/190 (zaken 20/00654 en 20/00655 bij het Hof) de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank is belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’): “1. Eiseres is geboren op [..-..-....] . 2. Met dagtekening 23 juni 2016 heeft verweerder aan eiseres een voorlopige aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 opgelegd. Het te ontvangen bedrag was € 2.512. 3. Het UWV heeft op 23 maart 2017 het inkomen van eiseres over 2016 aan verweerder gerenseigneerd. Volgens het bericht ontving eiseres in dat jaar loon ten bedrage van € 14.896, waarover € 3.203 aan loonheffing werd ingehouden. Als inhoudingsplichtige wordt de gemeente [Z] genoemd. De code voor het soort inkomen is volgens het bericht ‘43 - Participatiewet’. 4. Bij brief van 17 december 2018 heeft eiseres op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) een verzoek om gegevenswissing ingediend bij verweerder. Hierover loopt inmiddels een beroep bij de Rechtbank Amsterdam. 5. Met dagtekening 1 februari 2019 heeft verweerder aan eiseres een voorlopige aanslag IB/PVV voor het jaar 2017 opgelegd conform de door haar ingediende aangifte. Het op de aanslag door eiseres te ontvangen bedrag was € 1.463. 6. Bij brief van 25 maart 2019 heeft verweerder eiseres laten weten dat hij voornemens is van haar aangifte voor het jaar 2016 af te wijken. In deze brief valt onder meer het volgende te lezen: “Ik heb uw aangifte inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2016 beoordeeld. Ik ben van plan van deze aangifte af te wijken. Hierna leest u waarom ik van plan ben van uw aangifte af te wijken. Onder punt twee leest u wat u kunt doen als u het niet eens bent met mijn voornemen om van uw aangifte af te wijken. […] Als u het niet eens bent met mijn voornemen om af te wijken van uw aangifte, verzoek ik u vóór 9 april 2019 te reageren. Bij het vaststellen van de aanslag kan ik nog rekening houden met uw opmerkingen. Als ik vóór 9 april 2019 geen reactie van u heb ontvangen, ontvangt u enige tijd daarna het aanslagbiljet, waarop de voorgestelde afwijkingen zullen zijn verwerkt.” 7. Op verzoek van eiseres heeft verweerder bij brief van 1 april 2019 aan eiseres uitstel voor haar reactie verleend tot 6 mei 2019. Eiseres heeft een inhoudelijke reactie gestuurd bij brief van 8 april 2019. 8. Met dagtekening 4 mei 2019 heeft verweerder aan eiseres de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 opgelegd. Op deze aanslag is een bedrag van € 2.708 (inclusief belastingrente) verschuldigd. Met dezelfde dagtekening heeft verweerder aan eiseres een aanslag Zvw voor het jaar 2016 opgelegd. Het te betalen bedrag op deze aanslag is € 0. 9. Bij brief van 27 mei 2019 heeft verweerder eiseres laten weten dat hij voornemens is van haar aangifte voor het jaar 2017 af te wijken. Deze brief is, voor zover hier aangehaald, gelijkluidend aan de brief van 25 maart 2019, met dien verstande dat de brief van 27 mei 2019 betrekking heeft op het jaar 2017 en een reactietermijn biedt die afloopt op 11 juni 2019. 10. Bij brief van 29 mei 2019, door verweerder ontvangen op 6 juni 2019, heeft eiseres verzocht om uitstel van de reactietermijn. Bij brief van 10 juni 2019, door verweerder ontvangen op 11 juni 2019, heeft eiseres een inhoudelijke reactie aan verweerder gezonden. 11. Bij brief van 12 juni 2019 heeft verweerder eiseres het volgende te kennen gegeven: “Met dagtekening 27 mei 2019 heb ik mijn brief met het voornemen tot afwijking van uw aangifte IB/PVV 2017 gestuurd. U kon hierop reageren vóór 11 juni 2019. U heeft op deze brief niet gereageerd. Ik stel het belastbaar bedrag uit werk en woning (box 1) vast zoals ik heb aangegeven in mijn brief van 27 mei 2019, namelijk op € 15.064.” 12. Met dagtekening 2 juli 2019 heeft verweerder aan eiseres de aanslag IB/PVV voor het jaar 2017 opgelegd. Op deze aanslag is een bedrag van € 1.472 (inclusief belastingrente) verschuldigd. Met dezelfde dagtekening heeft verweerder aan eiseres een aanslag Zvw voor het jaar 2017 opgelegd. Het te betalen bedrag op deze aanslag is € 0.” 2.2. In haar uitspraak in de zaak HAA 20/2618 (zaak 20/006664 bij het Hof) heeft de rechtbank daarnaast de volgende feiten vastgesteld: “2. Het inkomen van eiseres bestond in het jaar 2018 uit een uitkering in het kader van de Participatiewet ter hoogte van € 15.229. (…) 4. Op 29 maart 2019 is de aangifte IB/PVV van eiseres voor het jaar 2018 binnengekomen bij verweerder. 5. Bij brief van 29 oktober 2019 heeft verweerder aanvullende informatie opgevraagd bij eiseres naar aanleiding van haar aangifte IB/PVV voor het jaar 2018. Eiseres heeft deze informatie verstrekt bij brief van 6 november 2019. 6. Op 6 november 2019 heeft eiseres verweerder tevens in gebreke gesteld omdat hij niet had beslist op een klacht die eiseres op 30 september 2019 ten kantore van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam had ingediend. 7. Bij brief van 8 november 2019 heeft verweerder eiseres laten weten dat haar ingebrekestelling niet ziet op een aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat hij niet toekomt aan het beoordelen van het recht op een dwangsom. Deze kennisgeving is volgens de brief niet voor bezwaar en beroep vatbaar. 8. Bij brief van 11 november 2019 heeft verweerder eiseres in kennis gesteld van zijn voornemen van haar aangifte IB/PVV voor het jaar 2018 af te wijken. 9. Bij brief van 20 november 2019 heeft eiseres gereageerd op het voornemen van verweerder en hem verzocht om oplegging van een voorlopige aanslag conform haar aangifte. 10. Bij brief van 29 november 2019 heeft eiseres gereageerd op de brief van verweerder van 8 november 2019. Als onderwerp van deze brief is vermeld: “Uw brief dd 8 nov 2019 inzake IGS. Bezwaar”. 11. Op 5 december 2019 heeft verweerder aangekondigd de aanslag IB/PVV voor het jaar 2018 te zullen opleggen in overeenstemming met zijn brief van 11 november 2019. 12. Bij brief van 9 december 2019 heeft eiseres beroep ingesteld bij de Rechtbank Amsterdam tegen de weigering van verweerder om een (juist) besluit te nemen. De Rechtbank Amsterdam heeft dit beroep geregistreerd onder zaaknummer AMS 19/6551 en eiseres bij brief van 10 december 2019 verzocht een kopie toe te sturen van de ingebrekestelling. Bij brief van 18 december 2019 heeft eiseres onder andere de ingebrekestelling van 6 november 2019 en de brief van verweerder van 8 november 2019 aan de Rechtbank Amsterdam toegestuurd. 13. Bij brief van 8 december 2019, binnengekomen bij verweerder op 12 december 2019, heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de brief van 5 december 2019. Verweerder heeft deze brief opgevat als een bezwaar tegen de nog op te leggen aanslag IB/PVV voor het jaar 2018 en de behandeling van het bezwaar aangehouden. 14. Bij brief van 20 januari 2020 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld, omdat hij de aanslag IB/PVV voor het jaar 2018 nog niet had vastgesteld en geen uitspraak had gedaan op het bezwaar van 8 december 2019. 15. Op 22 januari 2020 heeft de Rechtbank Amsterdam het beroepschrift dat zij had geregistreerd onder zaaknummer AMS 19/6551 doorgestuurd naar de rechtbank, omdat zij zich onbevoegd achtte. De rechtbank heeft dit dossier geregistreerd onder zaaknummer HAA 20/2618. 16. Bij brief van 23 januari 2020 heeft verweerder eiseres laten weten dat haar ingebrekestelling van 20 januari 2020 niet ziet op een aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb, omdat het doen van aangifte geen aanvraag is. Hij komt daardoor niet toe aan het beoordelen van het recht op een dwangsom. Deze kennisgeving is volgens de brief niet voor bezwaar en beroep vatbaar. 17. Bij brief van 2 februari 2020 heeft eiseres bij de rechtbank “rechtstreeks beroep” ingesteld “betreffende IB 2018” en daarbij onder meer geklaagd dat verweerder geen aanslag IB/PVV voor het jaar 2018 had opgelegd. Eiseres verwijst hierbij ook naar de ingebrekestelling van 20 januari 2020. De rechtbank heeft deze brief gevoegd in het dossier van de zaak met nummer HAA 20/2618. 18. Met dagtekening 5 maart 2020 heeft verweerder aan eiseres de aanslag IB/PVV voor het jaar 2018 opgelegd. Op deze aanslag is een teruggaaf van € 79 (inclusief te vergoeden belastingrente) opgenomen. 19. Bij brief van 5 maart 2020 heeft eiseres bij de rechtbank beroep ingesteld tegen deze aanslag. De rechtbank heeft ook deze brief gevoegd in het dossier van de zaak met nummer HAA 20/2618. 20. Op 12 maart 2020 heeft verweerder eiseres verzocht haar bezwaar van 12 december 2019 te motiveren. Bij brief van 15 maart 2020 heeft eiseres hierop gereageerd en heeft zij verweerder verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep. 21. Op 27 maart 2020 heeft verweerder uitspraak gedaan op het bezwaar van 12 december 2019. 22. Bij brief van 6 april 2020, ingekomen bij de rechtbank op 7 april 2020, heeft eiseres haar beroep in de zaak met nummer HAA 20/2618 aangevuld, waarbij zij onder meer ingaat op de uitspraak op bezwaar”. 2.3. De hiervoor vermelde feiten hebben partijen op zichzelf niet bestreden. Het Hof zal daarom van deze feiten uitgaan, met dien verstande dat de voorlopige aanslag voor het jaar 2016 is opgelegd op 23 juni 2017 (en niet op 23 juni 2016, zoals vermeld in punt 2 van de uitspraak van de rechtbank in de zaken HAA 20/189 en HAA 20/190). 3Geschil in hoger beroep 3.1. In hoger beroep is – samengevat – in geschil of: (
- i)de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2016, 2017 en 2018 bevoegd, terecht, naar de juiste bedragen en ook overigens procedureel juist zijn opgelegd en in bezwaar zijn gehandhaafd; (
- ii)voor de jaren 2016 en 2017 terecht belastingrente in rekening aan belanghebbende is gebracht, en (iii) de rechtbank de beroepen van belanghebbende in de zaken HAA 20/189 en 20/190 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard voor zover zij betrekking hebben op de aanslagen Zvw en op kwijtschelding van de belastingrente. Verder klaagt belanghebbende – zakelijk weergegeven – over: (
- iv)de samenstelling van het dossier en ‘samenvoeging van procedures’ in de zaak HAA 20/2618; (
- v)formele gebreken in beide uitspraken van de rechtbank, en (
- vi)belemmering in haar toegang tot de rechter doordat zij geen advocaat heeft kunnen vinden. 3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal. 4De uitspraken van de rechtbank Zaken HAA 20/189 en HAA 20/190 4.1. De rechtbank heeft met betrekking tot het geschil – voor zover in hoger beroep van belang – in haar uitspraak in de zaken HAA 20/189 en HAA 20/190 het volgende geoordeeld: “Tijdigheid aanslag (…) 17. Het tijdvak waarover belasting wordt geheven is in dit geval het belastingjaar 2016. Dit tijdvak is geëindigd op 31 december 2016. Dit betekent dat verweerder de bevoegdheid had om tot en met 31 december 2019 een aanslag op te leggen. De aanslag is gedagtekend op 4 mei 2019 en in deze procedure is gesteld noch gebleken dat de aanslag pas na die datum aan eiseres is bekendgemaakt. De rechtbank is daarom van oordeel dat de aanslag tijdig is opgelegd. Afwijking van voorlopige aanslag in de definitieve aanslag (…) 22. Het enkele feit dat verweerder bij het opleggen van de definitieve aanslagen is afgeweken van de voorlopige aanslagen is, gelet op het voorgaande, op zichzelf geen reden om de definitieve aanslagen te vernietigen of te verminderen naar het bedrag van de voorlopige aanslagen. Van bijkomende omstandigheden als hiervoor bedoeld is de rechtbank niet gebleken. Voor zover eiseres heeft willen betogen dat de aanslagen in wezen navorderingsaanslagen zijn, zodat de regeling van artikel 16 van de AWR – waarin de eis van een nieuw feit wordt gesteld – van toepassing is, faalt haar betoog. De aanslagen zijn op het aanslagbiljet niet aangemerkt als navorderingsaanslagen. Uit de hiervoor beschreven wettelijke systematiek volgt bovendien dat een voorlopige aanslag in beginsel moet worden gevolgd door een definitieve aanslag, niet door een navorderingsaanslag. De rechtbank acht, gelet op de door verweerder gegeven beschrijving van de gang van zaken rondom de controle, niet aannemelijk dat verweerder de aangiften van eiseres op grond van oneigenlijke motieven aan een nadere controle heeft onderworpen of dat verweerder anderszins zijn bevoegdheden heeft misbruikt bij het vaststellen van de definitieve aanslagen. Verweerder was daarom naar het oordeel van de rechtbank niet gehouden de definitieve aanslagen vast te stellen conform de voorlopige aanslagen. Wel zal de rechtbank hierna bezien of de afwijkingen van de voorlopige aanslagen in de definitieve aanslagen kunnen standhouden in het licht van de overige beroepsgronden die eiseres heeft aangevoerd. Kwalificatie van het inkomen (…) 26. De rechtbank begrijpt dat de verschillende termen die worden gebruikt voor haar inkomen verwarrend kunnen zijn voor eiseres. Gelet op het renseignement dat verweerder van het UWV heeft ontvangen, acht de rechtbank aannemelijk dat het inkomen van eiseres in het jaar 2016 bestond uit een uitkering in het kader van de Participatiewet die zij ontving van de gemeente Amsterdam. Op grond van artikel 34, eerste lid, aanhef en letter a, van de Wet op de loonbelasting 1964, gelezen in verbinding met artikel 11, eerste lid, aanhef en letter g, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, is zo’n uitkering ingevolge de Participatiewet aan de loonbelasting onderworpen. Volgens de eerstgenoemde bepaling gebeurt dat om de heffing van de inkomstenbelasting te vergemakkelijken. De bepalingen zijn nodig, omdat uitkeringen ingevolge de Participatiewet, anders dan verweerder heeft betoogd, geen loon uit dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking vormen. Zonder deze bepalingen zou daarom geen loonbelasting worden ingehouden over de uitkeringen. 27. Uit het voorgaande volgt dat het inkomen van eiseres wel onder de loonbelasting valt, maar niet kan worden aangemerkt als loon uit dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een periodieke uitkering op grond van een publiekrechtelijke regeling, namelijk de Participatiewet. Zo’n uitkering behoort op grond van artikel 3.100, eerste lid, aanhef en letter a, en artikel 3.101, eerste lid, aanhef en letter a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2016 en 2017; Wet IB 2001) tot de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen en is daarom belast in box 1. De ingehouden loonbelasting kan worden verrekend op grond van artikel 15 van de AWR, gelezen in samenhang met artikel 9.2, eerste lid, aanhef en letter a, van de Wet IB 2001. Kosten voor het voeren van procedures 28. In haar aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 heeft eiseres een bedrag van € 1.533 aan juridische kosten in aftrek gebracht en in haar aangifte IB/PVV voor het jaar 2017 een bedrag van € 1.602. Deze kosten zijn in de aangiften gerangschikt onder de aftrekbare kosten van periodieke uitkeringen. Eiseres meent dat deze kosten haar draagkracht verminderen en daarom in aftrek behoren te komen. 29. Verweerder heeft dit bedrag niet in aftrek toegelaten. (…) 30. Eiseres wijst terecht erop dat de inkomstenbelasting door de wetgever is bedoeld als draagkrachtheffing (zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, pp. 4-7). Het is echter niet zo dat reeds deze bedoeling van de wetgever betekent dat eiseres aanspraak kan maken op aftrek van kosten die haar draagkracht verminderen. In diverse regelingen in de Wet IB 2001 (onder meer bij de persoonsgebonden aftrekposten, waarop eiseres aanspraak maakt) wordt rekening gehouden met bepaalde beperkingen van de draagkracht. Het is aan de wetgever om te bepalen met welke beperkingen rekening wordt gehouden en met welke niet. De beslissing van de wetgever om geen wettelijke voorziening te treffen voor het soort kosten waarmee eiseres wordt geconfronteerd, kan bij de rechter in beginsel niet met vrucht ter discussie worden gesteld, omdat de rechter in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen (artikel 11 van de Wet algemene bepalingen). Het staat de rechter in de gegeven staatsrechtelijke verhoudingen ook niet vrij om de wet te toetsen aan de algemene rechtsbeginselen, zou het draagkrachtbeginsel al daartoe gerekend moeten worden (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725). 31. Eiseres heeft de juridische kosten die zij heeft gemaakt in haar aangifte ondergebracht in het veld voor aftrekbare kosten ter zake van periodieke uitkeringen. Dat veld heeft betrekking op de kosten die drukken op uitkeringen en verstrekkingen voorzover zij zijn gemaakt tot verwerving, inning en behoud van die uitkeringen en verstrekkingen (artikel 3.108 van de Wet IB 2001). Op grond van hetgeen hiervoor werd overwogen over de kwalificatie van het inkomen van eiseres, verwerpt de rechtbank het betoog van verweerder dat eiseres geen recht heeft op deze aftrek omdat haar inkomen uit loon zou bestaan. Om kosten in aftrek te kunnen brengen, moet eiseres echter wel aannemelijk maken dat zij de kosten heeft gemaakt tot verwerving, inning en behoud van haar uitkering. Zij is daarin, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd. De rechtbank kan namelijk uit de stukken van het geding wel opmaken om wat voor soort kosten het gaat (griffiegelden, advocaatkosten, proceskosten, reiskosten, etc.), maar niet in hoeverre deze kosten zijn gemaakt voor procedures tot verwerving, inning en behoud van de uitkering op grond van de Participatiewet. De rechtbank begrijpt namelijk uit de stukken van eiseres dat het niet alleen gaat om procedures met betrekking tot een uitkering, maar bijvoorbeeld ook om procedures op het gebied van jeugdzorg, strafrecht, belastingen en ziektekostenverzekering. Welk deel van de kosten betrekking heeft op de procedures met betrekking tot een uitkering, kan de rechtbank uit de stukken echter niet afleiden. 32. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat de kosten die eiseres in de jaren 2016 en 2017 heeft gemaakt voor de diverse juridische procedures niet in aftrek komen. Specifieke zorgkosten 33. In de aangifte IB/PVV van eiseres voor het jaar 2016 is een bedrag van € 180 in aftrek gebracht voor fysiotherapie en een bedrag van in totaal € 3.287 aan incassokosten die eiseres in 2015 en 2016 aan de zorgverzekeraar heeft moeten betalen. In haar aangifte voor het jaar 2017 heeft eiseres € 884 in aftrek gebracht voor medische onderzoeken, € 1.226 voor hulpmiddelen (te weten een bril) en € 288 voor incassokosten. Deze kosten zijn op voorschrift van een arts gemaakt, zo stelt zij. Volgens eiseres zou het gelet op haar inkomen en haar draagkracht niet evenwichtig zijn de kosten van aftrek uit te sluiten. Als zij die kosten niet zou betalen, zou zij immers op straat komen te staan, zo luidt haar betoog. 34. Verweerder heeft die kosten niet in aftrek toegelaten (…). (…) 35. Draagkracht verminderende factoren kunnen, zoals hiervoor is overwogen, slechts in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de aanslag als daarvoor een wettelijke basis bestaat. In het geval van zorgkosten is die basis te vinden in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en letter d, gelezen in verbinding met artikel 6.17 van de Wet IB 2001. Deze kosten worden in het geval van eiseres op grond van artikel 6.20, eerste lid, aanhef en letter b, van de Wet IB 2001 slechts in aanmerking genomen voor zover zij samen, na toepassing van de verhoging ingevolge artikel 6.19 van de Wet IB 2001, meer bedragen dan 1,65% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek. Deze drempel komt voor eiseres uit op € 14.896 * 1,65% = € 245