GERECHTSHOF AMSTERDAM Kenmerken 20/00468 en 20/00469 30 november 2021 uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] , wonende te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: J.A. Klaver) tegen de uitspraak in de zaken met kenmerken HAA 18/4893 en HAA 18/4894 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2013 met dagtekening 28 oktober 2017 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.663. 1.1.2. De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2014 met dagtekening 28 oktober 2017 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.843. 1.2. Na tegen de hiervoor gemelde navorderingsaanslagen door belanghebbende gemaakte (in één geschrift vervatte) bezwaren heeft de inspecteur bij uitspraken op bezwaar, beide gedagtekend 4 september 2018, de navorderingsaanslagen gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. Bij uitspraak van 10 juli 2020 heeft de rechtbank daarop als volgt beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’): “De rechtbank: - verklaart de beroepen gegrond; - vernietigt de uitspraken op bezwaar; - vermindert de belastingaanslag 2013 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € 14.597 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit; - vermindert de belastingaanslag 2014 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € 14.707 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit; - veroordeelt verweerder in betaling van immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 375; - veroordeelt de Staat (de minister voor Rechtsbescherming) in betaling van immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 625; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 525; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiseres te vergoeden.” 1.4. Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 24 augustus 2020 en is aangevuld op 18 september 2020. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2021. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2Feiten 2.1. De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld: “Feiten 1. Eiseres heeft op 13 februari 2014 op papier aangifte ib/pvv 2013 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.024. In deze aangifte heeft eiseres onder meer een aftrek specifieke zorgkosten van € 2.639 in aanmerking genomen. 2. Eiseres heeft op 6 mei 2015 op papier aangifte ib/pvv 2014 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.986. In deze aangifte heeft eiseres onder meer een aftrek specifieke zorgkosten van € 4.857 in aanmerking genomen. 3. Verweerder heeft met dagtekening 23 mei 2014 de aanslag ib/pvv 2013 opgelegd conform de aangifte. 4. Verweerder heeft met dagtekening 9 april 2016 de aanslag ib/pvv 2014 opgelegd conform de aangifte. 5. Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 14 maart 2017 ten aanzien van de aanslagen over 2013 en 2014 vragenbrieven verzonden met vragen over de kostenaftrek. 6. Verweerder heeft met dagtekening 28 oktober 2017 een navorderingsaanslag 2013 opgelegd waarbij de aftrek specifieke zorgkosten is geschrapt. Deze resulteert in een te betalen bedrag van € 1.085 (inclusief € 130 belastingrente). 7. Verweerder heeft met dagtekening 28 oktober 2017 een navorderingsaanslag 2014 opgelegd waarbij de aftrek specifieke zorgkosten is geschrapt. Deze resulteert in een te betalen bedrag van € 1.904 (inclusief € 167 belastingrente). 8. Op 3 juli 2018 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. 9. Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 4 september 2018 de bezwaren ongegrond verklaard.” Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan. Het Hof voegt daar nog het volgende aan toe. 2.2. Van het op 3 juli 2018 plaatsgevonden hoorgesprek (zie hiervoor onder 8) is een verslag opgemaakt waarin - voor zover in hoger beroep van belang - het volgende is opgenomen: “De gemachtigde geeft aan dat de ter discussie staande kosten betreffende de alternatieve therapeut bij bezwaar over het jaar 2015 zijn goedgekeurd. In verband met, het opzeggen van het opgewekt vertrouwen met ingang van het belastingjaar 2018, is gemachtigde van mening dat deze kosten ook over de jaren 2013 en 2014 in aftrek genomen mogen worden. De behandelaar geeft aan dat dit inderdaad het geval is maar dat de cliënte dan evengoed nog moet aantonen of en voor welk bedrag zij in deze jaren kosten heeft gemaakt voor deze alternatieve therapeut. Er zijn tot op heden nog geen stukken overgelegd waaruit dit blijkt. De gemachtigde geeft aan deze stukken te zullen opvragen bij zijn cliënte. Cliënte heeft een nota van tandartskosten aan de gemachtigde toegezonden en de gemachtigde heeft deze aan de behandelaar overhandigd. Van de overige kosten zijn geen onderbouwende stukken overgelegd. (…) Er zijn de volgende afspraken gemaakt: - de gemachtigde zal alsnog bewijsstukken betreffende alternatieve therapeut bij zijn cliënte opvragen. Hiervoor is een uiterste inleverdatum van 3 augustus 2018 gesteld; (…)”. 2.3. Belanghebbende beschikte in de jaren 2013 tot en met 2015 niet over een auto. 3Geschil in hoger beroep 3.1. In hoger beroep is in geschil of belanghebbende recht heeft op meer aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten dan in aanmerking genomen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend; de inspecteur ontkennend. 3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal. 4Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft met betrekking tot het geschil - voor zover in hoger beroep van belang - het volgende overwogen: “2013 16. Eiseres claimt € 1.194 consultkosten voor een natuurgeneeskundig therapeute. Verweerder heeft in de beroepsfase het standpunt ingenomen dat op grond van het vertrouwensbeginsel deze kosten voor aftrek in aanmerking komen voor zover zij zijn onderbouwd met stukken, hetgeen voor dit jaar betekent dat recht bestaat op een aftrek van € 900. De rechtbank heeft geen aanleiding verweerder hierin niet te volgen. 17. Voorts claimt eiseres een aftrek voor tandartskosten van € 172 en € 38. Nu uit het vergoedingenoverzicht blijkt dat € 113 aan tandartskosten niet zijn vergoed, heeft verweerder in beroep aangegeven dit bedrag alsnog in aftrek te willen toelaten. De rechtbank heeft geen aanleiding verweerder hierin niet te volgen en acht ook niet aannemelijk geworden dat recht bestaat op hogere bedragen aan aftrek. Dit betekent dat recht bestaat op een aftrek voor tandartskosten van € 113. Het voorgaande leidt tot een aftrek genees- en heelkundige hulp van € 1.014. 2014 18. Eiseres claimt € 1.235 consultkosten voor een natuurgeneeskundig therapeute. Verweerder heeft in de beroepsfase het standpunt ingenomen dat op grond van het vertrouwensbeginsel voortvloeiend uit de toezegging gedaan tijdens de behandeling van het bezwaar tegen de aanslag ib/pvv 2015, deze kosten voor aftrek in aanmerking komen voor zover zij zijn onderbouwd met stukken, hetgeen voor dit jaar betekent dat recht bestaat op een aftrek van € 941. De rechtbank zal verweerder hierin volgen. Verder heeft eiseres een aftrek opgevoerd van € 1.211 wegens kosten voor een energetische gezondheidsbehandeling bij [A] . Ten aanzien van deze kosten geldt dat zij in het jaar 2015 niet aan de orde zijn geweest, hetgeen betekent dat deze kosten niet op basis van het vertrouwensbeginsel voor aftrek in aanmerking komen. Daarnaast heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat deze kosten anderszins op de voet van artikel 6.17 van de Wet IB 2001 voor aftrek in aanmerking komen, nu niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor aftrek. Overigens zijn geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat de betreffende kosten niet door de zorgverzekeraar worden vergoed. Nu uit de stukken niet kan worden afgeleid dat [A] kwalificeert als arts of paramedicus, voldoen deze kosten reeds daarom niet aan de voorwaarden voor aftrek. 19. Voorts claimt eiseres een aftrek voor tandartskosten van € 146. Nu uit het vergoedingen overzicht blijkt dat € 145,15 aan tandartskosten niet zijn vergoed, heeft verweerder in beroep aangegeven dit bedrag alsnog in aftrek te willen toelaten. De rechtbank heeft geen aanleiding verweerder niet te volgen in zijn nader ingenomen standpunt en acht ook niet aannemelijk geworden dat recht bestaat op een hoger bedrag aan aftrek. Dit betekent dat wegens tandartskosten een aftrek van € 146 zal worden toegelaten. Het voorgaande leidt tot een aftrek genees- en heelkundige hulp van € 1.087. Vervoerskosten 2013 en 2014 20. De rechtbank overweegt dat eiseres geen eigen auto heeft zodat kennelijk met het openbaar vervoer is gereisd. Nu onderbouwende stukken van de geclaimde vervoerskosten ontbreken heeft verweerder terecht een aftrek voor vervoerskosten niet verleend Aftrek extra kosten voor kleding en beddengoed 2013 en 2014 21. Eiseres heeft ter onderbouwing van deze kosten een verklaring van de huisarts overgelegd d.d. 17 januari 2018. Ter zitting heeft verweerder zich nader op het standpunt gesteld dat eiseres op basis van deze verklaring voor beide jaren recht heeft op de aftrek wegens extra kosten voor kleding en beddengoed ten bedrage van € 310. De rechtbank heeft geen aanleiding verweerder hierin niet te volgen en zal dienovereenkomstig beslissen. Immateriële schadevergoeding 22.1. Eiser heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding voor de schade die hij heeft geleden en lijdt in de vorm van de spanning en frustratie als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar. 22.2. De bezwaarschriften zijn ingediend op 21 november 2017, de uitspraken op bezwaar zijn gedaan op 4 september 2018, en de rechtbank doet uitspraak op 10 juli 2020, zodat in deze zaken de redelijke termijn is overschreden met (afgerond) 8 maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 1.000. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn verlengd zou moeten worden zijn door verweerder niet gesteld. Nu sprake is van samenhangende zaken wordt per fase van de procedure voor beide zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd (vergelijk HR 21 maart 2014, nr. 12/04057, ECLI:NL:HR:2014:540 en Hoge Raad 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252). Aangezien de bezwaarfase, gelet op de datum van de uitspraak op bezwaar, (afgerond) 9 maanden heeft geduurd, is een periode van 3 maanden van de overschrijding aan de bezwaarfase toe te rekenen. Het restant is toe te rekenen aan de beroepsfase. Verweerder dient daarom 3/8e deel van € 1.000 te betalen (€ 375) en de Staat (de minister voor Rechtsbescherming) 5/8e deel (€ 625). 23. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen gegrond te worden verklaard. Proceskosten 24. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 0,5 wegens gegrondverklaring op basis van toekenning van immateriële schadevergoeding, en een factor 1 wegens minder dan 4 samenhangende zaken). Nu eiseres alle onderbouwende stukken op basis waarvan in de beroepsfase extra aftrek is verleend eerst in de beroepsfase heeft overgelegd, kan het verweerder niet worden aangerekend dat hij de betreffende verminderingen niet eerder heeft toegekend. Dat eiseres reeds in de bezwaarfase een beroep op het vertrouwensbeginsel heeft gedaan, zonder overlegging van de onderbouwende stukken, maakt dat niet anders. Zulks leidt ertoe dat eiseres geen recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase noch voor de beroepsfase (anders dan het bedrag van € 525 wegens de gegrondverklaring als gevolg van de toekenning van immateriële schadevergoeding).” 5Beoordeling van het geschil in hoger beroep Vermindering van de navorderingsaanslagen onjuist berekend door de rechtbank 5.1. In beroep bij de rechtbank is alsnog komen vast te staan dat belanghebbende recht heeft op meer aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten dan de inspecteur bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen in aanmerking heeft genomen. Dit heeft geleid tot een vermindering van de navorderingsaanslagen; het belastbaar inkomen uit werk en woning voor het jaar 2013 is door de rechtbank vastgesteld op € 14.957 en het belastbaar inkomen uit werk en woning voor het jaar 2014 is door de rechtbank vastgesteld op € 14.707. In hoger beroep zijn partijen het erover eens dat de rechtbank de vermindering van het belastbaar inkomen uit werk en woning voor de jaren 2013 en 2014 in haar uitspraak onjuist heeft berekend. In die berekening is immers geen rekening gehouden met de verhogingsfactor voor specifieke zorgkosten uit artikel 6.19 van de Wet IB 2001, zodat het belastbaar inkomen uit werk en woning voor het jaar 2013 nader dient te worden vastgesteld op (€ 14.907 -/- € 434 =) € 14.473 en het belastbaar inkomen uit werk en woning voor het jaar 2014 op (€ 15.017 -/- € 434 =) € 14.583. Het Hof ziet geen aanleiding partijen hierin niet te volgen en zal de navorderingsaanslagen verder verminderen. Reeds hierom dient het hoger beroep gegrond te worden verklaard. Aftrek vervoerskosten 5.2. Belanghebbende stelt zich in hoger beroep verder nog op het standpunt dat zij recht heeft op aftrek van vervoerskosten in verband met de door haar in de jaren 2013 en 2014 afgelegde bezoeken aan een alternatief therapeut. Zij doet in zoverre uitsluitend een beroep op het vertrouwensbeginsel. Het vertrouwen ten aanzien van belanghebbende, dat de inspecteur de door belanghebbende in haar aangiften opgevoerde aftrek van uitgaven voor vervoer zou volgen zonder te vragen naar bewijsmiddelen, zou zijn gewekt (zo begrijpt het Hof belanghebbende) door de combinatie van de volgende omstandigheden: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.