GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.263.372/01 zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/644820 / HA ZA 18-265 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 februari 2021 inzake 1MID OCEAN GROUP B.V., 2. TORENVLIET B.V., beide gevestigd te Barneveld, appellanten, advocaat: mr. M.H.J. van Rest te Den Haag, tegen ING BANK N.V., gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde, advocaat: mr. E.C. Netten te Amsterdam. Partijen worden hierna MOG, Torenvliet en ING genoemd. 1De zaak in het kort MOG staat aan het hoofd van de Mid Ocean groep. Zij beschikte over een kredietfaciliteit van ABN Amro en ING. In 2013 heeft Torenvliet de Mid Ocean groep overgenomen. ABN Amro en ING hebben hun rechtsverhouding tot de Mid Ocean groep overgedragen aan Torenvliet door middel van een overeenkomst van contractsoverneming. Dit geding betreft de uitleg van die overeenkomst. Met name is in geschil hoe partijen moeten afrekenen in verband met een door ABN Amro verstrekte bankgarantie. 2Het geding in hoger beroep MOG en Torenvliet zijn bij dagvaarding van 16 mei 2019 in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 februari 2019, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen MOG en Torenvliet als eiseressen en ING als gedaagde. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties; - memorie van antwoord. Partijen hebben de zaak ter zitting van 22 januari 2021 doen bepleiten, MOG en Torenvliet door mr. Van Rest voornoemd, en ING door mr. Netten voornoemd en door diens kantoorgenoot mr. T.S.F. Hautvast, ieder aan de hand van pleitnotities waarvan exemplaren zijn overgelegd. Ten slotte is arrest gevraagd. MOG en Torenvliet hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – hun vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van ING in de kosten van het geding in beide instanties, en met veroordeling van ING tot terugbetaling van het ter uitvoering van het bestreden vonnis door MOG en Torenvliet aan ING betaalde bedrag aan proceskosten, met rente. ING heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van MOG en Torenvliet in de kosten van het geding in hoger beroep. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 3Feiten De rechtbank heeft onder 2.1-2.9 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen ook het hof tot uitgangspunt. Samengevat en aangevuld met andere vaststaande feiten komen de feiten op het volgende neer. 3.1 MOG treedt in dit geding voor zichzelf op en tevens ten behoeve van haar groepsmaatschappijen (hierna MOG en de groepsmaatschappijen gezamenlijk ook: de Mid Ocean groep). De Mid Ocean groep handelt in relatiegeschenken en promotieartikelen. 3.2 Op grond van een Amended and restated facility Agreement van 18 mei 2007, laatstelijk gewijzigd op 12 september 2012, (hierna: de Faciliteit) beschikte de Mid Ocean groep over een kredietfaciliteit van ABN Amro Bank N.V. (hierna: ABN Amro) en ING gezamenlijk, ter grootte van in totaal € 65 miljoen, waaronder een krediet in rekening-courant bij ING. 3.3 Op 2 november 2011 heeft het kantoor in Hong Kong van The Royal Bank of Scotland N.V. (hierna: RBS) een kredietfaciliteit ter grootte van € 1 miljoen verstrekt aan Mid Ocean Hong Kong Ltd. (hierna: MO HK), een van de werkmaatschappijen van MOG. In verband hiermee heeft ABN Amro een bankgarantie van € 1,1 miljoen aan RBS verstrekt. ING heeft een contragarantie van € 440.000 aan ABN Amro verstrekt. MOG heeft een contra-contragarantie van € 440.000 aan ING verstrekt. 3.4 In 2013 verkeerde MOG in financiële problemen. De toenmalige aandeelhouder van MOG heeft de aandelen in MOG overgedragen aan Torenvliet. In verband daarmee hebben Torenvliet (aangeduid als: Overnemende Partij), ABN Amro en ING (aangeduid als: Overdragende Partijen) en MOG en aan haar gelieerde partijen (aangeduid als: MOG Schuldenaren; daaronder begrepen MO HK) op 20 juni 2013 een overeenkomst tot contractsoverneming met betrekking tot de Faciliteit gesloten (hierna: de overeenkomst tot contractsoverneming). De overeenkomst strekte ertoe dat ABN Amro en ING hun rechtsverhouding tot de MOG Schuldenaren uit hoofde van de Faciliteit overdroegen aan Torenvliet. 3.5 Bij de onderhandelingen die voorafgingen aan de totstandkoming van de overeenkomst tot contractsoverneming, werden de belangen van Torenvliet en de MOG Schuldenaren behartigd door advocaten van BarentsKrans, onder wie mrs. E.C. Maclaine Pont en M.R. Martin. Met betrekking tot die onderhandelingen is het volgende van belang (3.5.1-3.5.7). 3.5.1 Bij e-mail van 7 juni 2013 heeft mr. Maclaine Pont onder meer een herzien concept van de overeenkomst tot contractsoverneming aan vertegenwoordigers van ABN Amro en ING doen toekomen. Bij e-mail van 11 juni 2013 heeft [vertegenwoordiger 1] van ING gereageerd op de e-mail van mr. Maclaine Pont, onder meer met de opmerking dat ING de afwikkeling van de kredietfaciliteit van RBS nog wenste af te stemmen met ABN Amro. 3.5.2 Bij e-mail van 13 juni 2013 heeft [vertegenwoordiger 2] van ABN Amro aan mr. Martin en aan vertegenwoordigers van ING laten weten: “Wij begrepen inmiddels van RBS dat zij intern akkoord hebben om de faciliteit tot de 20ste te laten lopen. De aflossing zal uiteindelijk dus toch niet plaatsvinden door te trekken onder de garantie.” 3.5.3 Bij e-mail van 14 juni 2013 heeft RBS aan ABN Amro laten weten dat de door haar aan MO HK verstrekte kredietfaciliteit kon worden beëindigd en de door ABN Amro verstrekte bankgarantie kon vervallen, indien op 20 juni 2013 in totaal US$ 1.138.347,69 aan RBS zou worden betaald. Dit bedrag kwam (ongeveer) overeen met € 850.503,81. 3.5.4 Bij e-mail van 18 juni 2013, 23:04 uur, heeft mr. Martin verzocht om overleg over een te treffen regeling voor “de wijze waarop per closing wordt omgegaan met debetsaldo”. 3.5.5 Bij e-mail van 19 juni 2013, 10:37 uur, heeft [vertegenwoordiger 3] van ABN Amro het volgende aan mr. Martin bericht, met cc aan vertegenwoordigers van ABN Amro en ING: “Zoals besproken bijgaand de standen per 31-3-2013 (total ex bila): EUR 21.413.890,- LOO RCF * Bank gurantee HK Bilaterals Total Total (ex bila) ING 8.000.000,00 434.207,06 8.434.207,06 440.000,00 1.346.701,76 10.220.909 8.874.207 AAB 12.000.000,00 (120.317,28) 11.879.682,72 660.000,00 231.630,00 12.771.313 12.539.683 Total 20.000.000,00 313.889,78 20.313.889,78 1.100.000,00 1.578.331,76 22.992.222 21.413.890 (…)” 3.5.6 Bij e-mail van 19 juni 2013, 11:25 uur, aan vertegenwoordigers van ING en ABN Amro heeft mr. Martin een voorstel voor een regeling geformuleerd, waarbij wordt afgerekend “op stand 31-3-13 ad -/- EUR 21.413.890”, en die voorgestelde regeling nader uitgewerkt. De uitwerking bevat de volgende passage: “Zo spoedig mogelijk na de Overdrachtsdatum zullen de Overdragende Partijen de (…) bankrekeningen (…) crediteren met een bedrag ad EUR 21.136.892,71 -/- de RBS Aflossing (ad USD 1.138.528,84) (de “Creditering”). Het exacte bedrag van de Creditering kan pas worden vastgesteld na bevestiging door de Payment Agent van de USD koers en het totaal van de aan RBS betaalde RBS Aflossing (inclusief kosten).” 3.5.7 De door mr. Martin voorgestelde regeling heeft geleid tot opmerkingen van de zijde van ABN Amro en ING, waarna mr. Martin bij e-mail van 19 juni 2013, 20:40 uur, een voorstel heeft gedaan voor een als art 2.1 tot en met 2.3 in de overeenkomst van contractsoverneming op te nemen tekst. Bij e-mail van 19 juni 2013, 21:16 uur, heeft mr. Martin een aanpassing van de voorgestelde tekst voorgesteld. Met die tekst (met nog een laatste aanpassing) heeft ING zich akkoord verklaard bij e-mail van 19 juni 2013, 21:31 uur en ABN Amro bij e-mail van 19 juni 2013, 21:33 uur. Bij e-mail van 19 juni 2013, 21:45 uur, heeft mr. Martin een complete tekst van de overeenkomst van contractsoverneming verzonden, met aanduiding van de aangebrachte wijzigingen. 3.6 Op 20 juni 2013 is de overeenkomst tot contractsoverneming ondertekend. De in de overeenkomst bedoelde Overdrachtsdatum is 20 juni 2013. In de overeenkomst staat onder meer: “2. Contractsoverneming 6:159 BW (…) 2.4 ING heeft opgave gedaan dat haar aandeel in de Uitstaande Bank Schuld gelijk is aan EUR 8.874.207 (…) en dit aandeel ingevolge deze overeenkomst wordt overgedragen aan de Overnemende Partij. Indien er op de Overdrachtsdatum een lager bedrag uitstaat tussen ING en de MOG Schuldenaren dan EUR 8.874.207 (…), dan kunnen de MOG Schuldenaren vrijelijk over dit verschil beschikken als ware het een creditsaldo op de door de MOG Schuldenaren bij ING aangehouden relevante bankrekeningen. 2.5 ABN AMRO heeft opgave gedaan dat haar aandeel in de Uitstaande Bank Schuld gelijk is aan EUR 12.539.683 (…) en dit aandeel (…) ingevolge deze overeenkomst wordt overgedragen aan de Overnemende Partij. Indien er op de Overdrachtsdatum een lager bedrag uitstaat tussen ABN AMRO en de MOG Schuldenaren dan EUR 12.539.683 (…), dan kunnen de MOG Schuldenaren vrijelijk over dit verschil beschikken als ware het een creditsaldo op de door de MOG Schuldenaren bij ABN AMRO aangehouden relevante bankrekeningen. (…) 8Regeling re RBS 8.1 De Overnemende Partij verstrekt per de Overdrachtsdatum aan Mid Ocean Hong Kong Ltd. een lening onder nader overeen te komen voorwaarden ter grootte van USD 1.138.528,84 (…) teneinde het door Mid Ocean Hong Kong Ltd. benodigde bedrag te verstrekken (…) voor volledige aflossing van het aan The Royal Bank of Scotland Plc, Hong Kong Branch (…) verschuldigde bedrag (…) onder de (…) loan facility agreement (…) 8.2 Als Bijlage 9.b is aangehecht de bevestiging van RBS dat met de betaling van de RBS Aflossing (…) uiterlijk op 21 juni 2013 (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.