GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.243.454/01 zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/260220 / HA ZA 17-427 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 januari 2021 inzake [appellant] wonende te [woonplaats] , appellant, advocaat: mr. C.C.J. de Koning te Zeist, tegen N.V. NOORDHOLLANDSCHE VAN 1816 SCHADEVERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ, gevestigd te Oudkarspel, geïntimeerde, advocaat: mr. J. van Rhijn te Alkmaar. Partijen worden hierna wederom [appellant] en NH1816 genoemd. 1Het verdere geding in hoger beroep Het hof heeft een tussenarrest gewezen op 19 november 2019 (zie: ECLI:NL:GHAMS:2019:4124). Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - akte uitlating tevens akte overlegging producties van [appellant] van 28 januari 2020, met producties. Deze akte is door het hof geweigerd en maakt daarom geen onderdeel uit van de processtukken; - akte uitlating tevens akte overlegging producties van [appellant] van 11 februari 2020, met producties (hierna: de akte na tussenarrest); - akte van 10 maart 2020 van NH1816. Ten slotte is opnieuw arrest gevraagd. 2Verdere beoordeling Inleiding 2.1. Zoals uit het tussenarrest blijkt, stelt [appellant] dat NH1816 gehouden is dekking te verlenen onder de SVI voor de kosten van rechtsbijstand die hij heeft gemaakt in verband met het ongeval dat hem op 8 juni 2015 is overkomen. NH1816 betwist dat zij tot betaling verplicht is. In het kort komt haar verweer erop neer dat voor de gevorderde kosten geen beroep kan worden gedaan op de SVI vanwege de rechtsbijstandverzekering die [appellant] bij ARAG heeft afgesloten. 2.2. Het verweer van NH1816 is gebaseerd op het derde lid van art. 5 van de polisvoorwaarden van de SVI, waarin voor zover van belang is bepaald: “ Artikel 5 – Schadevaststelling / Beperking van de uitkeringen De hoogte van de schadevergoeding waarop de verzekerde uit hoofde van deze verzekering aanspraak kan maken, wordt vastgesteld overeenkomstig de daartoe strekkende bepalingen in afdeling 6.1.10 van het Burgerlijk Wetboek. (…) Als de verzekerde geheel of gedeeltelijk recht heeft op vergoeding krachtens een andere verzekering of op uitkeringen of verstrekkingen uit anderen hoofde, kan voor dat deel geen beroep worden gedaan op deze verzekering. (…) (…)” Tussenarrest 2.3. In het tussenarrest heeft het hof onder meer overwogen en beslist: 3.16. Het hof oordeelt, met inachtneming van de maatstaf voor de uitleg van een beding als het onderhavige (zie o.m. HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800, rov. 3.7.5), als volgt. Zelfs als rekening wordt gehouden met het uitgangspunt dat in geval van twijfel de voor een consument zoals [appellant] gunstigste interpretatie prevaleert (de zogenoemde contra proferentem-regel van art. 6:238 lid 2 BW), brengt een redelijke uitleg van art. 5 lid 3 van de polisvoorwaarden mee dat dit beding de betekenis heeft die NH1816 daaraan geeft. Uit de bewoordingen waarin art. 5 lid 3 van de polisvoorwaarden is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel, volgt dat dit beding ertoe strekt géén uitkering te doen als uit anderen hoofde aanspraak bestaat op vergoeding. Het beding, beoordeeld vanuit het perspectief van een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument, is duidelijk en begrijpelijk: de aanspraak op een andere verzekeringsovereenkomst is relevant, en niet of de verzekerde die aanspraak verzilvert. [appellant] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die tot een andere uitleg nopen. (…) 3.17. [appellant] stelt (…) dat de rechtbank art. 5 lid 3 van de polisvoorwaarden onjuist heeft toegepast omdat de rechtbank zich daarbij niet heeft gehouden aan de feiten. [appellant] wijst erop dat hij geen aanspraak heeft op een vergoeding en dat dit blijkt uit het gegeven dat hij de kosten van mr. De Koning niet uit hoofde van een (rechtsbijstand)verzekering vergoed krijgt. 3.18. (…) dit betoog van [appellant] volgt het hof niet. In dit geding moet als vaststaand worden beschouwd dat [appellant] een rechtsbijstandverzekering heeft die zijn advocaatkosten (in natura) dekt. Daarmee is aan de voorwaarden van art. 5 lid 3 van de polisvoorwaarden voldaan. In dit geding bood ARAG bovendien daadwerkelijk dekking, hetgeen de aanspraak van [appellant] op vergoeding krachtens een andere verzekering of op uitkeringen of verstrekkingen uit anderen hoofde bevestigt. Dat [appellant] vervolgens – ondanks zijn recht op juridische bijstand door letselschadejuristen van ARAG – zelf ervoor heeft gekozen om een andere rechtshulpverlener (mr. De Koning) in te schakelen, maakt dat niet anders. (…) 3.21. De overige stellingen van [appellant] (…) nopen tot een beoordeling van de vraag of art. 5 lid 3 van de polisvoorwaarden een oneerlijk beding is in de zin van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, Pb EEG L 95/29 (hierna: Richtlijn 93/13), respectievelijk art. 6:233 onder a BW, dan wel of toepassing van art. 5 lid 3 van de polisvoorwaarden in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (als bedoeld in art. 6:248 lid 2 BW). (…) 3.26. Voor het geval art. 5 lid 3 van de polisvoorwaarden geen kernbeding is, overweegt het hof op basis van de thans bekende feiten en omstandigheden het volgende: (…) 3.27. Het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, betekent dat het hof voorshands van oordeel is dat art. 5 lid 3 van de polisvoorwaarden geen zodanig ernstige verstoring in het nadeel van [appellant] veroorzaakt dat hij met dat beding niet zou hebben ingestemd als daarover op eerlijke en billijke wijze afzonderlijk was onderhandeld. Van een wezenlijke beperking ten nadele van [appellant] is dan ook geen sprake zodat niet kan worden geconcludeerd dat art. 5 lid 3 van de polisvoorwaarden oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13, of in de zin van art. 6:233 onder a BW. 3.28. Om een verrassingsbeslissing te voorkomen, zullen partijen evenwel in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over: - de toepasselijkheid van Richtlijn 93/13, en meer in het bijzonder de vraag of sprake is van een kernbeding – gezien onder meer de criteria uit HvJ EU 23 april 2015, ECLI:EU:C:2015:262 – alsmede - de mogelijke oneerlijkheid van art. 5 lid 3 van de polisvoorwaarden. Daarbij geldt als beperking dat het hof op vastgestelde feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan in dit arrest gegeven bindende eindbeslissingen, behoudens uitzondering, niet zal kunnen terugkomen. 2.4. Nadat het tussenarrest was gewezen, hebben partijen hun in rov. 1 genoemde aktes genomen. Nog te beslissen Kernbeding 2.5. Gezien de inhoud van het tussenarrest, zal het hof eerst onderzoeken of art. 5 lid 3 van de polisvoorwaarden een kernbeding is. Daarbij stelt het hof voorop dat het begrip kernbeding volgens vaste jurisprudentie van het HvJ EU strikt moet worden uitgelegd. 2.6. Partijen noemen art. 5 lid 3 van de polisvoorwaarden een na-u-clausule (in de praktijk ook wel non-contribution-clausule genoemd). Art. 5 lid 3 van de polisvoorwaarden is een beding dat de kern van de prestaties waartoe NH1816 op grond van de SVI gehouden is (mede) bepaalt. In het beding wordt het eigenlijke voorwerp van de verzekeringsovereenkomst beschreven, in die zin dat art. 5 lid 3 van de polisvoorwaarden het verzekerde risico en de verbintenis van NH1816 duidelijk afbakent. Bovendien heeft [appellant] onvoldoende gemotiveerd betwist (en moet daarom als vaststaand worden beschouwd) dat de beperking die art. 5 lid 3 van de polisvoorwaarden meebrengt in aanmerking is genomen bij de berekening van de door [appellant] betaalde premie. Al het voorgaande betekent dat art. 5 lid 3 van de polisvoorwaarden naar het oordeel van het hof een kernbeding is in de zin van art. 4 lid 2 van Richtlijn 93/13. 2.7. Ook aan het transparantievereiste is voldaan. Dit vereiste van transparantie moet ruim worden opgevat, dat wil zeggen dat het niet alleen vereist dat het beding grammaticaal begrijpelijk is voor de consument, maar ook dat de consument in staat zal zijn om op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria te beoordelen welke economische gevolgen er voor hem uit voortvloeien (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het HvJ EU van 3 maart 2020, ECLI:EU:C:2020:138, punt 50). 2.8. Art. 5 lid 3 van de polisvoorwaarden voldoet aan deze vereisten. Naast hetgeen daarover in rov. 3.16 van het tussenarrest is overwogen, geldt dat de normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument op basis van art. 5 lid 3 van de polisvoorwaarden de economische gevolgen kan overzien die voor hem uit het beding volgen, te weten dat hij géén aanspraak op uitkering onder de SVI-verzekering heeft voor zover dekking bestaat uit anderen hoofde, zoals uit hoofde van een rechtsbijstandverzekering. Ook in het licht van de polisvoorwaarden van de SVI als geheel is dat voldoende duidelijk en begrijpelijk. De tekst van art. 5 lid 3 van de polisvoorwaarden wijkt bovendien niet wezenlijk af van hetgeen in de praktijk gebruikelijk is voor een (zachte) na-u-clausule als deze. 2.9. Hoewel over het beding tussen [appellant] en NH1816 niet afzonderlijk is onderhandeld, blijkt uit hun houding in deze procedure dat hun wilsovereenstemming zich ook uitstrekt tot de inhoud van dit beding. [appellant] betwist dat ook niet, hij legt het beding alleen anders uit, althans stelt dat het beding door de rechter onjuist wordt toegepast. Het hof volgt zijn betoog echter niet. 2.10. Het voorgaande, in onderling samenhang bezien, betekent dat art. 5 lid 3 van de polisvoorwaarden buiten de werkingssfeer van Richtlijn 93/13 valt en dat art. 5 lid 3 van de polisvoorwaarden in de onderlinge verhouding tussen partijen ook niet kan worden aangemerkt als algemene voorwaarde in de zin van art. 6:231 aanhef en sub a BW. 2.11. [appellant] heeft in zijn akte na tussenarrest nog twee (nieuwe) argumenten aangevoerd die bespreking behoeven: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.