GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civiel recht en belastingrecht Team III (familie- en jeugdrecht) zaaknummers: 200.281.679/01 en 200.281.679/02 zaaknummer rechtbank: C/13/650558/FA RK 18-4180 beschikking van de meervoudige kamer van 9 maart 2021 inzake [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in principaal hoger beroep, verzoekster in het incident (schorsing), verweerster in incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. H. Loonstein te Amsterdam, en [de man] , wonende te [woonplaats] , verweerder in principaal hoger beroep, verweerder in het incident (schorsing), verzoeker in incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. J.L.J. Leijendekker te Wijk bij Duurstede. Als belanghebbenden zijn aangemerkt: - [kind 1] (hierna te noemen: [kind 1] ); - [kind 2] (hierna te noemen: [kind 2] ); - [kind 3] (hierna te noemen: [kind 3] ); - [kind 4] (hierna te noemen: [kind 4] ). In zijn adviserende taak is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam, hierna te noemen: de raad. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna te noemen: de rechtbank) van 6 mei 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 De vrouw is op 6 augustus 2020 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 6 mei 2020 (zaaknummer 200.281.679/01). Het beroepschrift bevat tevens een verzoek tot schorsing van de werking van die beschikking (zaaknummer 200.281.679/02). 2.2 De man heeft op 22 september 2020 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend. 2.3 De vrouw heeft op 27 oktober 2020 een (aanvullend) verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking ingediend. 2.4 De vrouw heeft op 30 oktober 2020 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend. 2.5 De man heeft op 26 november 2020 een verweerschrift op het aanvullend schorsingsverzoek met bijlagen ingediend. 2.6 Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: - een journaalbericht met bijlagen van de zijde van de vrouw van 7 december 2020, ingekomen op diezelfde datum; - een journaalbericht met bijlagen van de zijde van de man van 7 december 2020, ingekomen op diezelfde datum. 2.7 [kind 1] heeft op 15 december 2020 haar mening tijdens een gesprek met de voorzitter en de griffier kenbaar gemaakt. [kind 2] is op diezelfde datum telefonisch door de voorzitter gehoord, in het bijzijn van de griffier. De voorzitter heeft op de zitting, samengevat, verslag gedaan van het besprokene. 2.8 De mondelinge behandeling heeft op 17 december 2020 plaatsgevonden. Verschenen zijn: - de vrouw, bijgestaan door haar advocaat; - de man, bijgestaan door zijn advocaat; - de raad, vertegenwoordigd door mevrouw A. Touber. 3De feiten 3.1 Partijen zijn [in] 2013 met elkaar gehuwd. Voor dan wel tijdens hun huwelijk zijn de volgende minderjarige kinderen geboren: - [kind 1] , geboren [in] 2005; - [kind 2] , geboren [in] 2008; - [kind 3] , geboren [in] 2011; - [kind 4] , geboren [in] 2014, hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. Bij de in zoverre niet bestreden beschikking waarvan beroep is bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben. 3.2 Bij beschikking van de rechtbank van 23 mei 2018 is in het kader van de voorlopige voorzieningen, voor zover thans van belang, een zorgregeling vastgesteld die inhoudt dat: - de man de kinderen om de week een weekend van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond vóór het eten bij zich heeft, met dien verstande dat de vrouw op zaterdag [kind 1] naar ballet brengt; - [kind 3] en [kind 4] iedere week op donderdag na school tot 17.30 uur bij de man verblijven; - de man [kind 2] iedere woensdag van school haalt, met hem eet, hem vergezelt bij de voetbaltraining en hem coacht bij voetbalwedstrijden en toernooien die meestal op zaterdag plaatsvinden; - de man [kind 1] iedere veertien dagen op dinsdag naar ballet vergezelt, met haar eet en haar naar de vrouw brengt; - als balletles komt te vervallen zal [kind 1] om de week op dinsdagmiddag bij de man verblijven en eten. 3.3 Bij beschikking van 31 december 2018 heeft de rechtbank in het kader van de voorlopige voorzieningen bepaald dat de man € 50,- per maand bijdraagt in de kosten van de kinderen, nadat partijen ter zitting deze bijdrage waren overeengekomen. 3.4 Bij beschikking van de rechtbank van 24 juli 2019 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 12 september 2019 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.5 Bij beschikking van 3 oktober 2019 heeft de rechtbank in het kader van de voorlopige voorzieningen bepaald dat de man een kinderalimentatie van € 103,- per kind per maand dient te betalen. 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, een zorgregeling vastgesteld die inhoudt dat de kinderen één keer per twee weken van donderdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school bij de man verblijven. Daarnaast is een door de man aan de vrouw met ingang van 6 mei 2020 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie) van € 87,- per maand bepaald. De beschikking is ten aanzien van de zorgregeling en de kinderalimentatie uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Deze beslissing is gegeven op het inleidende (gewijzigde) verzoek van de man om een zorgregeling vast te stellen, die inhoudt dat de kinderen de ene week bij hem zijn en de andere week bij de vrouw, op zijn verzoek de kosten van de kinderen te verdelen op een nader door hem aan te geven wijze en op het zelfstandig verzoek van de vrouw om vaststelling van een zorgregeling, die inhoudt dat: - de kinderen om de week van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond voor het eten bij de man verblijven, met dien verstande dat de vrouw [kind 3] op zaterdag naar ballet brengt; - [kind 3] en [kind 4] iedere week op donderdag na school tot 17.30 uur bij de man verblijven; - de man [kind 2] iedere woensdag van school haalt, met hem eet, hem vergezelt bij de voetbaltraining en hem coacht bij voetbalwedstrijden en toernooien die meestal op zaterdag plaatsvinden; - de man [kind 1] iedere veertien dagen op dinsdag naar ballet vergezelt, met haar eet en haar naar de vrouw brengt; - de man op andere dinsdagen activiteiten met [kind 3] en [kind 4] zal ondernemen, waardoor de donderdagen in die weken komen te vervallen; - [kind 1] , als balletles komt te vervallen, om de week op dinsdagmiddag bij de man zal verblijven en eten. Tevens heeft de vrouw in eerste aanleg verzocht om een kinderalimentatie van € 500,- per kind per maand vast te stellen, althans een door de rechtbank juist geacht bedrag. In principaal hoger beroep en het incident 4.2 De vrouw verzoekt in het principaal hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verzoeken van de man in eerste aanleg af te wijzen, althans de verzoeken van de vrouw in eerste aanleg toe te wijzen. De vrouw verzoekt in het incident voor de duur van het geding in hoger beroep de werking van de bestreden beschikking te schorsen. 4.3 De man verzoekt de vrouw in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking in zoverre te bekrachtigen. In incidenteel hoger beroep 4.4 De man verzoekt de bestreden beschikking, voor zover het de vaststelling van de reguliere zorgregeling betreft, te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de kinderen bij hem zullen verblijven: - tot aan de voorjaarsvakantie 2021 om de week van donderdagmiddag na school tot dinsdagochtend naar school; - vanaf het einde van de voorjaarsvakantie 2021 om de week van maandagmiddag na school tot maandagochtend naar school. 4.5 De vrouw verzoekt de man in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel zijn verzoek af te wijzen. 5De motivering van de beslissing In principaal en incidenteel hoger beroep 5.1 Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per na te noemen onderdeel bespreken. Zorgregeling 5.2 De vrouw heeft ter toelichting op haar verzoek in hoger beroep gesteld dat het in het belang van de kinderen is dat zij in plaats van tot maandagochtend naar school tot zondagavond bij de man verblijven. In dit verband voert zij aan dat de kinderen het merendeel van de tijd bij de vrouw verblijven en dat zij de afgelopen twee jaar altijd op zondag om 17.00 uur bij haar thuisgebracht werden, waaraan zij zijn gewend. Zij hebben dan een rustmoment voordat zij op maandag vanuit de woning van de vrouw naar school gaan. [kind 3] en [kind 4] gaan op maandag na school naar de naschoolse opvang. De vrouw haalt hen daar pas rond 18.00 uur op. Het is niet in hun belang dat zij de vrouw na vijf dagen op het schoolplein moeten treffen. [kind 2] gaat niet naar de naschoolse opvang. Hij komt na vijf dagen zijn moeder niet te hebben gezien in een leeg huis, hetgeen niet in zijn belang is. [kind 1] vindt het onhandig dat zij haar schoolspullen moet pakken voor een verblijf bij de man van donderdag tot en met maandag. De overdracht van de kinderen kan gewoon bij haar thuis plaatsvinden; dat ging altijd goed. De bij de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling moet volgens de vrouw niet verder worden uitgebreid, zoals de man heeft verzocht; er moet eerst duidelijkheid komen over de gezondheidstoestand van de man. De man kampt al jaren met depressies en ontvangt een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ten tijde van de relatie van partijen voerde de vrouw de zorgtaken uit, omdat de man het niet aankon. In de bestreden beschikking is bovendien, anders dan de man doet voorkomen, niet overwogen dat de omgangsregeling, indien deze goed verloopt, voor uitbreiding vatbaar is. De kinderen hebben de afgelopen periode méér bij de man verbleven dan de rechtbank heeft bepaald in de bestreden beschikking omdat het niet in het belang van de kinderen was om in de hectiek rondom de verkoop van de voormalig echtelijke woning bij de vrouw te verblijven en er niet veel andere opties voor de opvang van de kinderen waren. Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw nog aangevoerd het aantal dagen dat de kinderen bij de man zijn niet te willen wijzigen. Wel wil zij graag dat de kinderen op zondag bij haar terugkomen. Zij stelt voor dat de kinderen eenmaal per twee weken van woensdag uit school tot zondagavond bij de man verblijven. De kinderen missen nu het moment om te schakelen waardoor het meer tijd kost om met elkaar in een ritme te komen. Vooral de jongste kinderen hebben er moeite mee. De vrouw weet niet hoe het nu met de man gaat. Zij twijfelt eraan of hij de zorg wel zo lang alleen aan kan, aldus de vrouw. 5.3 De man voert aan dat hij al geruime tijd de zorg heeft voor de kinderen, welke zorg in de bestreden beschikking is uitgebreid. De kinderen verblijven sinds de bestreden beschikking bij de man volgens de daarin vastgestelde zorgregeling en de omgang verloopt goed. De kinderen zijn aan deze regeling gewend. Ook als de kinderen op zondag naar de vrouw zouden gaan, zouden zij op maandag naar de naschoolse opvang moeten gaan en zou [kind 2] in een leeg huis thuiskomen. De man heeft voorgesteld dat de kinderen ook op maandag nog bij hem verblijven en dat hij hen op dinsdagochtend naar school brengt, zodat de kinderen op maandag door hem thuis kunnen worden opgevangen en zij niet naar de naschoolse opvang hoeven te gaan of in een leeg huis thuis hoeven te komen. De man is het ermee eens dat de kinderen op zondagavond moeten acclimatiseren voordat dat zij op maandag naar school gaan, maar dat kan ook bij hem thuis. Het is rustiger voor de kinderen als de overdracht op school plaatsvindt. De man betwist dat hij door zijn gezondheid niet goed voor de kinderen kan zorgen. Hij heeft een verklaring van zijn therapeut overgelegd waaruit geen belemmeringen blijken. Er hebben geen incidenten plaatsgevonden. De afgelopen periode hebben de kinderen op verzoek van de vrouw meer zorgdagen bij de man verbleven. In de zomervakantie zijn de kinderen drie weken bij hem geweest. Hieruit blijkt dat de vrouw de man de zorg voor de kinderen toevertrouwt en dat hij de zorg voor de kinderen aankan. Volgens de man heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat geen co-ouderschap zal worden vastgesteld. Hoewel in de bestreden beschikking is overwogen dat de zorgregeling moet worden uitgebreid, is dat in die beschikking echter nauwelijks gebeurd. De man verzoekt een opbouwregeling vast te stellen, alvorens de kinderen overeenkomstig zijn verzoek om de week gedurende een week bij hem zullen verblijven. Ter zitting heeft hij aangevoerd dat hij ervan op de hoogte is dat de vrouw wil verhuizen naar buiten [woonplaats] . Hij geeft daarvoor geen toestemming omdat de kinderen in [woonplaats] zijn geboren en getogen. De man verwacht dat, als de kinderen zijn gewend aan co-ouderschap, er tussen partijen consensus zal ontstaan. Ze hebben beiden altijd het belang van de kinderen voorop gesteld. 5.4 De raad heeft ter zitting naar voren gebracht dat partijen het belang van de kinderen voorop moeten blijven stellen. Gelet op de wensen van [kind 1] en [kind 2] is de in de bestreden beschikking neergelegde zorgregeling voor nu passend. De vrouw wil dat de kinderen op zondag terug komen. De man vindt dat zondag een rustdag is. Hij wil dan ook dat de kinderen de gehele dag bij hem blijven. Voor beide is wat te zeggen. Als het hof het verzoek van de vrouw toewijst, dan dient dit voor alle kinderen te gelden. De ouders kunnen altijd in onderling overleg tot een uitbreiding van de zorgregeling komen. 5.5 Het hof overweegt als volgt. Het hof houdt bij de beoordeling rekening met de huidige woonplaats van de vrouw en de kinderen, nu nog niet vast staat of en naar welke stad de vrouw met de kinderen gaat verhuizen en welke consequenties dat voor de kinderen en de zorgregeling zou hebben. Vaststaat dat de kinderen in navolging van de bij de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling sinds mei 2020 eenmaal per twee weken van donderdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school bij de man verblijven. Uit de stukken, het verhandelde ter zitting en de verklaringen van [kind 1] en [kind 2] tijdens het gesprek met hen (zie 2.7) blijkt dat deze regeling goed verloopt en dat de kinderen aan deze regeling gewend zijn. [kind 2] heeft desgevraagd te kennen gegeven dat hij graag van woensdag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijft, waarbij hij graag op woensdag zonder de andere kinderen bij zijn vader is. De ouders zijn het erover eens dat het in het belang van de kinderen is dat in principe dezelfde zorgregeling geldt voor allemaal, met dien verstande dat de vrouw wel een uitzondering voor [kind 2] wil maken op de woensdag. Naar het oordeel van het hof is het, mede gelet op het advies van de raad, in het belang van de kinderen dat voor ieder van hen dezelfde zorgregeling geldt. Het hof zal dan ook voor [kind 2] niet een andere zorgregeling dan voor de andere kinderen bepalen. Wat betreft het verzoek van de vrouw het verblijf bij de man in te laten gaan op woensdag na school overweegt het hof als volgt. Gebleken is dat de man al geruime tijd op woensdag voetbaltraining geeft aan het voetbalteam van [kind 2] . Daarnaast geeft de man eenmaal per twee weken voetbaltraining aan [kind 4] . De man heeft ter zitting toegelicht dat hij [kind 4] dan op woensdag uit school haalt, naar voetbal brengt en daarna naar de vrouw terugbrengt. Vervolgens haalt de man [kind 2] op, traint hij [kind 2] en zijn team van 19.00 uur tot 20.00 uur en brengt hij [kind 2] daarna terug naar de vrouw. Het hof acht het in het belang van [kind 2] en [kind 4] dat zij deze gelegenheid, waarbij zij beiden enige tijd samen met hun vader kunnen doorbrengen, voort kunnen zetten. Dit betekent dat het voorstel van de vrouw dat de man [kind 2] de ene week traint en de andere week samen met de kinderen thuis is, niet kan worden gevolgd. Voorts is van belang dat [kind 3] en [kind 4] , zoals de vrouw ter zitting zelf ook gesteld heeft, gelet op hun leeftijd op woensdag niet alleen thuis kunnen blijven op het moment dat de man training geeft. Bovendien heeft [kind 1] verklaard dat zij de in de bestreden beschikking neergelegde zorgregeling in principe graag wil handhaven. Zij vindt het lastig om haar spullen voor maandag al op woensdag te pakken, maar dit is volgens haar geen reden om de huidige regeling aan te passen. Partijen verschillen van mening over de vraag of de kinderen tot zondagavond dan wel tot maandagochtend naar school bij de man zullen verblijven. De man heeft onweersproken gesteld dat er in het weekend balletles en voetbal is. Het hof acht het in het belang van de kinderen dat zij om de week op zondag een dag zonder vaste activiteiten met hun vader kunnen doorbrengen, zonder dat gedurende die dag vooruitgelopen hoeft te worden op de terugkeer naar hun moeder. Nu de vrouw niet gemotiveerd heeft bestreden dat de man, net als zijzelf, ervoor zorgt dat de zondagavond rustig verloopt, de kinderen hun schoolspullen klaarzetten en zij op tijd naar bed gaan, staat dit er niet aan in de weg dat de kinderen tot maandagochtend naar school bij de man verblijven. Daarbij komt dat ingeval de man de kinderen om de week op vrijdag en maandag naar school kan brengen, zijn betrokkenheid bij school voldoende gewaarborgd is. Wel merkt het hof op dat [kind 1] en [kind 2] te kennen hebben gegeven dat zij zich kunnen vinden in voortzetting van de in de bestreden beschikking opgenomen zorgregeling, met dien verstande dat zij in voorkomend geval met de ouders afwijkende afspraken over de zorgregeling kunnen maken. De ouders hebben ter zitting beiden aangegeven dat zij hier rekening mee willen houden. Gelet op de gebrekkige communicatie en onderlinge verstandhouding tussen de ouders, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tijdens het huwelijk en in aanmerking genomen dat [kind 1] heeft verklaard dat zij niet langer dan vier dagen bij de man wenst te verblijven om de reden dat de vrouw altijd de verzorgende ouder is geweest, is er onvoldoende basis om de door de man verzochte co-ouderschapsregeling vast te stellen. Het staat de ouders uiteraard vrij om in onderling overleg met de kinderen tot een uitbreiding van de zorgregeling komen. In aansluiting op het door de raad ter zitting gegeven advies om de huidige zorgregeling te handhaven, omdat deze regeling, mede gelet op de wensen van [kind 1] en [kind 2] , passend is, zal het hof de bestreden beschikking wat betreft de reguliere zorgregeling bekrachtigen. Ter zitting heeft de vrouw desgevraagd te kennen gegeven dat zij zich niet langer verzet tegen een verdeling bij helfte van de vakanties (het hof begrijpt: en de feestdagen), zodat het hof de bestreden beschikking, conform het verzoek van de man, ook wat betreft de verdeling van de vakanties en feestdagen zal bekrachtigen. Kinderalimentatie 5.6 Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld. Ingangsdatum 5.7 De vrouw betoogt dat in de bestreden beschikking ten onrechte de ingangsdatum van de kinderalimentatie is bepaald op 6 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.