GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civielrecht recht en belastingrecht Team III (familie- en jeugdrecht) zaaknummer: 200.286.127/02 zaaknummer rechtbank: C/13/673273/ FA RK 19-6107 beschikking van de meervoudige kamer van 9 maart 2021 inzake [de man] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in het incident, verder te noemen: de man, advocaat: mr. J. Breeveld te Haarlem, en [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verweerster in het incident, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. A.R.A.R. Sitaldin te Amsterdam. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 19 augustus 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 De man is op 18 november 2020 in hoger beroep gekomen van bovengenoemde beschikking van 19 augustus 2020. 2.2 De vrouw heeft op 17 december 2020 een verweerschrift ingediend. 2.3 Met instemming van partijen heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden van het schorsingsverzoek van de man. 3De feiten 3.1 Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. 3.2 Partijen zijn de ouders van: [de minderjarige] (verder te noemen: [de minderjarige] ), geboren [in] 2016 te [geboorteplaats] . De vrouw oefent het eenhoofdig gezag uit over [de minderjarige] . De man heeft [de minderjarige] niet erkend. 4De omvang van het geschil in het incident tot schorsing 4.1 Bij de bestreden beschikking is op verzoek van de vrouw, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de man € 300,- per maand aan de vrouw dient te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna: kinderalimentatie) van [de minderjarige] , met ingang van 1 januari 2019. 4.2 De man verzoekt in het incident (zo begrijpt het hof) de werking van de bestreden beschikking te schorsen totdat in hoger beroep zal zijn beslist op het verzoek tot nihilstelling van de kinderalimentatie. 4.3 De vrouw verzoekt primair de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking en subsidiair zijn verzoek af te wijzen. 5De motivering van de beslissing 5.1 Op grond van artikel 360 lid 2, tweede volzin, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan het hof, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking daarvan schorsen. 5.2 De man stelt dat zijn belang bij schorsing van de werking van de bestreden beschikking zwaarder weegt dan het belang van de vrouw om de bestreden beschikking ten uitvoer te leggen. Er is volgens de man nooit vastgesteld dat hij daadwerkelijk de biologische vader is van [de minderjarige] en hij heeft [de minderjarige] niet erkend. Daarnaast ontvangt de man een uitkering uit hoofde van de Participatiewet waardoor hij niet in staat is om kinderalimentatie te voldoen. Ook heeft hij zeven andere kinderen, waarmee geen rekening is gehouden bij het bepalen van de hoogte van de kinderalimentatie. 5.3 De vrouw is van mening dat het schorsingsverzoek moet worden afgewezen. De vrouw twijfelt er niet aan dat de man de biologische vader is van [de minderjarige] . Dat hij [de minderjarige] niet erkend zou hebben, is geen argument om de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de bestreden beschikking te schorsen. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de man meerdere kinderen heeft. De vrouw wijst erop dat uit het beroepschrift niet blijkt dat de man bijdraagt aan de kosten van de verzorging en opvoeding van zijn andere kinderen. De vrouw is van mening dat het, ondanks het feit dat de man een uitkering ontvangt, mogelijk moet zijn voor hem om een bedrag aan kinderalimentatie te betalen. De man heeft onvoldoende onderbouwd dat hij geen draagkracht zou hebben, aldus de vrouw. 5.4 Het hof overweegt dat bij de beoordeling van een verzoek tot schorsing van de werking van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking in navolging van de bestaande rechtspraak (laatstelijk HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026), en in aanmerking nemend dat in de bestreden beschikking geen gemotiveerde beslissing over de uitvoerbaarverklaring is gegeven, de volgende maatstaven gelden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.