GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerken 20/00185 en 20/00193 23 februari 2021 uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] B.V., te Amsterdam, belanghebbende, gemachtigde: mr. F.G. Barnard ( Deloitte ), alsmede op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, tegen de uitspraak van 10 februari 2020 in de zaak met kenmerk HAA 17/476 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur. 1 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het boekjaar 2011 met dagtekening 30 april 2016 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd (hierna: de aanslag), berekend naar een belastbaar bedrag van € 3.862.679. Het bij beschikking verrekende verlies uit eerdere jaren bedraagt € 138. 1.2. De inspecteur heeft – na daartegen gemaakt bezwaar – bij uitspraak van 22 december 2016 de aanslag en de verliesverrekeningsbeschikking gehandhaafd. Belanghebbende heeft daartegen beroep bij de rechtbank ingesteld. 1.3. De rechtbank heeft bij de uitspraak van 10 februari 2020 als volgt op het beroep beslist (belanghebbende en de inspecteur zijn aangeduid als ‘eiseres’ en ‘verweerder’): “De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - vermindert de aanslag tot nihil, stelt het verlies vast op een bedrag van € 5.939.824 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.150, en - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333 aan eiseres te vergoeden.” 1.4. De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank op 13 maart 2020 hoger beroep bij het Hof ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft op 19 maart 2020 hoger beroep bij het Hof ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6 Partijen hebben bij brieven van 17 september 2020 nadere stukken ingediend. 1.7. Het Hof heeft bij brief aan partijen van 28 september 2020 belanghebbende verzocht om inlichtingen te verstrekken en partijen verzocht de ter zitting van de rechtbank overgelegde pleitnota’s te overleggen. 1.8. Partijen hebben op 29 september 2020 nadere stukken, alsmede pleitnota’s voor de zitting van het Hof, ingediend. 1.9. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2020. Aan het eind van de zitting is het onderzoek gesloten, behoudens dat belanghebbende is verzocht om – bij voorkeur in overleg met de inspecteur – een nader stuk te overleggen met daarin een cijfermatige uitwerking (specificatie) van de aan het Hof voorgelegde geschilpunten, in het bijzonder waar het betreft de in geschil zijnde aftrek en activering van kosten van acquisitie en financiering. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 1.10. Van belanghebbende is per e-mail, gedagtekend 19 oktober 2020, een nader stuk ontvangen, met drie bijlagen. De inspecteur heeft hierop gereageerd bij brief van 22 oktober 2020. 1.11. Partijen hebben het Hof meegedeeld (de inspecteur op 5 november 2020 en belanghebbende op 12 november 2020) dat zij geen behoefte hebben aan een (nadere) zitting. Het onderzoek is daarop gesloten. 2 2. Feiten 2.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak de volgende feiten vastgesteld: “1.1. [F] , een [g] private equity maatschappij, beheert sinds 1995 meerdere fondsen. 1.2. Eén van die fondsen is [H] , een fonds dat in 2007 in de markt is gezet en een toegezegd kapitaal heeft van € 1,2 miljard. 1.3. De potentiële investeerders zijn geïnformeerd middels een Private Placement Memorandum van november 2007, waarin de investeringsstrategie is uiteengezet van [H] ‘to pursue the growing and attractive market of infrastructure opportunities, primarily in Northern and Eastern Europe’. De looptijd van het fonds is 12 jaar, maximaal 3 keer met 1 jaar te verlengen. Indien de structuur na 15 jaar niet is afgewikkeld en geen verkoop of exit heeft plaatsgevonden met betrekking tot de ‘targets’, dan verkrijgen de investeerders aandelen in de targets. 1.4. Ook in de ‘ [I] Annual Review 2010’ is de werkwijze beschreven. Het fonds is gericht op het behalen van ‘capital gains’ met investeringen in ‘portfolio companies’ of ‘targets’; de investeerders ontvangen een ‘return’ op het ingelegde ‘capital’. 1.5. In het ‘Financial report’ van [H] van 2011 staat onder meer het volgende: ‘ [H] (General Partner) LP is the General Partner of [H] (No. 1) LP, [H] (No. 2) LP, [H] (No. 3) LP and [H] (No. 4) LP. The four Limited Partnerships (together “the Limited Partnerships”) invest in parallel under the terms of a Co-lnvestment Deed dated 17 November 2008.’ 2. Medio 2010 is door [H] de investeringsmogelijkheid in de [N] geïdentificeerd, genaamd Project [O] . De [N] bestaat uit [P] B.V. als houdstermaatschappij, [Q] B.V. en de dochtervennootschappen van [Q] B.V. 3. Eind augustus 2010 is door [H] het investeringsproces gestart. 3.1. Op 9 november 2010 is een presentatie gegeven aan na te noemen Investment Advisory Committee van [H] . In de presentatie zijn de bevindingen van de uitgevoerde due diligence op het gebied van legal, finance, tax, environmental en industry en het marktonderzoek vermeld en doorgerekend. Bij de presentatie is uitgegaan van één Internal Rate of Return op de investering, die afhankelijk is van het toekomstscenario maar niet van de vorm waarin de gelden worden verstrekt (leningen of kapitaal). 3.2. Op 1 december 2010 is een persbericht uitgevaardigd dat [H] de [N] zou gaan overnemen. 3.3. Na melding van de overname bij de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) op 30 november 2010 bevestigde de NMa op [datum] 2010 dat geen vergunning voor de overname benodigd was. Volgens de melding verkrijgt [H] de volledige zeggenschap over de [N] . Naar verwachting zal het management van [N] (hierna ook: management) een indirecte minderheidsdeelneming verwerven. Deze minderheidsdeelneming zal geen zeggenschap verwerven. 3.4. Na een adviesaanvraag aan de ondernemingsraad van [Q] B.V. van 18 november 2010 en veelvuldig overleg werd op 30 december 2010 door de directie van de [N] een positief advies van de ondernemingsraad ontvangen. In de adviesaanvraag staat voor zover hier van belang: ‘ [H] is voornemens een meerderheidsbelang te nemen in de huidige onderneming en zal hiertoe een Nederlandse vennootschap oprichten die de acquisitie zal doen. [H] kan de acquisitie van [N] uit eigen middelen financieren. Bij [F] bestaat echter het voornemen om bij de totstandkoming van de transactie circa 50% van de benodigde financiering onder te brengen bij externe financiers.’ 4. [H] bestond aanvankelijk uit vier Limited Partnerships (hierna: LP’s), namelijk [J] LP (hierna: [J] ), [K] LP (hierna: [K] ), [L] LP (hierna: [L] ) en [M] LP (hierna: [M] ). 4.1. De LP’s hebben alle dezelfde general partner, namelijk [H] (General Partner) LP, met [H] Limited als general partner (hierna: de General Partner). De General Partner beheert [H] en het [S] en maakt investeringsbeslissingen namens de Limited Partners. De Limited Partnership Agreements (hierna: LPA’
- s)vormen de juridische basis van de LP’s. De zeggenschap van de General Partner over [H] en de LP’s ligt vast in artikel 5 van de LPA’s en de [H] Co-Investment Deed. De General Partner is gerechtigd tot de ‘carried interest’. 4.2. De [g] vennootschap [T] adviseert de General Partner. De General Partner heeft daartoe een doorlopende Investment Advisory Agreement (hierna: IAA) met [T] gesloten. Voorts is een Investment Advisory Committee (hierna: IAC) aangesteld. Het IAC adviseert de General Partner bij de evaluatie van de investeringsmogelijkheid. Volgens de melding bij de NMa onderdeel 1.1 worden de aandelen in de General Partner ( [H] ) indirect gehouden door [U] B.V. De aandelen in [U] B.V. worden volgens de melding gehouden door de partners van [T] . Geen enkele persoon of onderneming heeft uitsluitende, noch gezamenlijke zeggenschap in [U] B.V. en/of [T] , aldus de melding. [T] heeft geen direct of indirect belang in de General Partner ( [H] ). 4.3. De investeerders nemen als Limited Partners deel in genoemde LP’s. Om toe te treden tot de LPA’s tekenen de investeerders subscription forms. Op basis van deze subscription forms worden investeerders Limited Partner in de LP’s. De investeerders gaan zogenoemde commitments aan om vermogen te verstrekken aan de LP’s, bestaande uit capital dan wel loans (artikel 1.1, onderdeel v, van de LPA’s). De toegezegde bedragen worden verstrekt na een draw down notice van de General Partner aan de Limited Partners (investeerders). Volgens artikel 7 van de LPA’s worden de resultaten verdeeld over de commitments tezamen. 4.4. Tot de gedingstukken behoort een gedeelte van een ‘Amended and restated administration agreement’ van 15 maart 2013 waarin [I] Management Limited is aangewezen als de administrateur van de LP’s. 4.5. De LP’s zijn niet-transparant voor de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet Vpb). 5. Genoemde LP’s hebben vennootschappen opgericht die zijn gevestigd te Guernsey, namelijk [V] (hierna: [V] ), respectievelijk [W] (hierna: [W] ), [Aa] (hierna: [Aa] ) en [Ab] (hierna: [Ab] ). [J] houdt alle aandelen in [V] , [K] houdt alle aandelen in [W] , [L] houdt alle aandelen in [Aa] en [M] houdt alle aandelen in [Ab] . 6. [V] , [W] , [Aa] en [Ab] hebben [Ac] UA in 2010 opgericht. [Ac] UA is een in Nederland gevestigde coöperatie en heeft [V] (83,8%), [W] (4,1%), [Aa] (9,9%) en [Ab] (2,2%) als leden. De leden hebben elk 25% stemrecht in [Ac] UA. 7. In verband met de overname van de [N] zijn eiseres, [W] B.V. en [Ad] B.V. opgericht. Eiseres houdt alle aandelen in [W] B.V. die op haar beurt alle aandelen in [Ad] B.V. houdt. [Ac] UA houdt aanvankelijk (vgl. hierna onderdeel 12) alle aandelen in eiseres. 8. Op basis van artikel 4.8.a van de LPA van [J] is de General Partner bevoegd om additionele ‘(side car) vehicles’ op te richten om juridische, fiscale, regulatoire of andere redenen als dit in het belang is van een of meerdere Limited Partners. 8.1. Aldus is in januari 2011 een vijfde LP opgericht: [Ae 1] LP (hierna: [Ae 2] of Side Car Vehicle). 8.2. [Ae 2] heeft dezelfde General Partner als eerdergenoemde LP’s en is evenals de andere LP’s niet-transparant voor de Wet Vpb. 8.3. [Ae 2] houdt alle aandelen in de door haar opgerichte en te Guernsey gevestigde [Ag] (hierna: [Ag] ). [Ag] heeft, in tegenstelling tot [V] , [W] , [Aa] of [Ab] , geen lidmaatschapsrechten in [Ac] UA en houdt ook geen aandelen in eiseres. 8.4. In de LPA van [Ae 2] van 14 januari 2011 is in artikel 3.6 opgemerkt dat ‘the draw down Commitments of each Limited Partner to the Partnership shall be treated as commitment draw down by the No.1 Partnership and shall reduce the undrawn commitments of such Limited Partner to the No.1 Partnership accordingly pursuant to clause 4.8(
- b)of the No.1 Partnership Agreement’. 8.5. De belangen in [J] en [Ae 2] zijn alleen in combinatie verhandelbaar (LPA van [Ae 2] , artikel 9.2, onder a). 8.6. Voor [Ae 2] zijn geen subscription forms opgesteld omdat de General Partner is toegetreden tot de LPA van [Ae 2] namens de Limited Partners van [J] . Dit was mogelijk gelet op de volmacht die aan de General Partner was verleend op basis van de Limited Partnership Agreement van [J] . 8.7. De directeur van de General Partner schrijft in een brief van 26 november 2010 aan de investeerders van [J] dat [Ae 2] op fiscaal advies is opgericht en dat de investering via het Side Car Vehicle economisch wordt beschouwd als een investering van [J] . In de brief staat het volgende: ‘As part of the acquisition structure being established by the Fund to acquire potential targets, we intend to establish an English limited partnership to act as an alternative investment vehicle (the “Side Car Vehicle”), with the ambition being that investors in [H] (such investors being, the “No.1 Investors” and such partnership being “No.1 Partnership”) will make a portion of their investment in the potential targets through the Side Car Vehicle rather than through the No.1 Partnership. Such a structure is permitted under clause 4.8 of the limited partnership agreement constituting the No.1 Partnership (”LPA”). [H] acting through its general partner [H] will act as general partner of the Side Car Vehicle. We intend to structure the Fund’s investment in these potential targets through a mixture of shareholder loan (the “ [AI1] ”) and equity. We have received tax advice which states that the No.1 Investors should invest in the [AI1] through the Side Car Vehicle rather than through the No.1 Partnership. The No.1 Investors would invest in the equity through the No.1 Partnership, as normal. Under this Side Car Vehicle structure, you would fund your pro rata share of the [AI1] through a draw down being made at the same time as the drawdown by the No.1 Partnership in respect of the equity portion of the Fund’s investment in the potential targets. Under clause 4.8(
- d)of the LPA, no investment may be made through a structure such as the Side Car Vehicle, if the structure would adversely affect the interests of any investor, without the affirmative consent of such Limited Partner. We do not believe that such structure is adverse to the interest of any investor but if you believe that It may be adverse to your interests then we would ask that you contact (…) no later than 6 December 2010. In this context we specifically draw your attention to the following terms of the LPA, which are intended to ensure that investors’ interests are not adversely affected by making an investment through a structure such as the Side Car Vehicle: i. Under clause 4.8(
- b)of the LPA, investors’ commitments directed through the Side Car Vehicle will be treated as drawndown for the purposes of the LPA. ii. Clause 4.8(
- c)of the LPA requires that the investment made through the Side Car Vehicle will be treated for the economic purposes of the LPA, as if it was an investment made by the Partnership (including for Management Profit Share purposes) and that distributions arising from the Side Car Vehicle’s investment will be taken into account for the purposes of the distribution waterfall. In addition, we would propose that the establishment costs and any operating costs of the Side Car Vehicle will be treated as part of the acquisition cost of the potential targets, and will therefore be borne by all investors in the Fund pro rata to their respective commitments, and not just by No.1 Investors.’ 8.8. In de notulen van de bestuursvergadering van de General Partner van 14 januari 2011 is de oprichting van de Side Car Vehicle / [Ae 2] goedgekeurd en daarin staat voorts: ’Tax advice was received which states that the No.1 Investors should invest in the [shareholder loan] through the Side Car Vehicle rather than through the No.1 Partnership. The No.1 Investors should invest in the equity through the No.1 Partnership, as normal.’ 9. De overnametransactie (‘closing’) van de [N] heeft plaatsgevonden op 1 februari 2011 (‘closing date’). De Share Purchase Agreement (hierna: SPA) is door [Ad] B.V. (als koper) en [Ah] B.V. (als verkoper) ondertekend op 11 januari 2011. Volgens de SPA zal de transactie worden afgerond op de ‘closing date’ (1 februari of een andere nader overeen te komen datum) en bedraagt de koopprijs voor de aandelen [P] B.V. € 322,7 miljoen, verhoogd met een earn out bedrag met betrekking tot een lopend project. 10. Schedule 18 bij de SPA betreft een Investment Agreement van 31 januari 2011 met voorwaarden waaronder de investeerders/aandeelhouders in de target investeren en de overname financieren. De geïndividualiseerde delen van de leningen uit hoofde van de Intercompany Loan Agreements zijn hierin aangeduid als Loan Note Instruments (hierna: Loan Notes). In dit stuk wordt onder Shareholder Instruments verstaan: de aandelen in eiseres, de Loan Notes en ieder ander instrument dat ziet op schulden aan de aandeelhouders. 10.1. Volgens de artikelen 5, 6 en 7 van deze Investment Agreement kunnen de Shareholder Instruments onder voorwaarden worden overgedragen. Hiervoor is onder meer toestemming nodig van [Ac] UA. 10.2. In artikel 10 van de Investment Agreement is bepaald hoe bij een toekomstige verkoop van de overgenomen [P] B.V. (exit) de opbrengsten van deze verkoop zullen worden aangewend ter terugbetaling van onder andere de Intercompany Leningen (de zogenoemde waterfall-bepaling). In artikel 10.5 is over de ‘distributions upon an exit’ bepaald dat de opbrengsten van een eventuele verkoop van [P] B.V. worden gebruikt voor terugbetaling van de vorderingen van de schuldeisers en de aandeelhouders. Nadat alle externe schulden zijn voldaan, voorzieningen zijn getroffen voor eventueel blootstellingen aan belastingen of anderszins van eiseres, [W] B.V., [Ad] B.V. en [P] B.V. en haar dochterondernemingen en in aanmerking nemende en voor zover noodzakelijk de verkoopkosten, uitgaven en andere redelijke gemaakte transactiekosten zijn voldaan, worden de opbrengsten van de eventuele verkoop van [P] B.V. in de volgende volgorde aangewend ter: (
- i)terugbetaling van de Intercompany Leningen; (
- ii)terugbetaling van andere instrumenten dan de Intercompany Leningen, die niet kwalificeren als aandelen; (iii) terugbetaling van de inlegprijs op de aandelen; en (
- iv)terugbetaling van enig overschot aan de aandeelhouders. 11. [Ad] B.V vormde per 1 februari 2011 een fiscale eenheid met de [N] . Per 3 februari 2011 vormt eiseres als moedermaatschappij met [W] B.V. en [Ad] B.V. (inclusief de reeds gevoegde [N] ) een fiscale eenheid voor de Vpb. 12. Bij de overname hebben de verkopers van de [N] , de familie [N] , een belang in eiseres gekregen. In november 2011 is management toegetreden als indirecte aandeelhouder via [Ai] B.V. Hierbij heeft management tevens een deel van de na te noemen achtergestelde leningen verworven. Daarbij hebben verschuivingen van belangen plaatsgevonden tussen [Ac] UA enerzijds en [Aj] B.V. (de familie [N] ) anderzijds. 13. De aandelen in eiseres worden gehouden door [Ac] UA (82,3%), [Aj] B.V. (de familie [N] ; 15,5%) en [Ai] B.V. (in de stukken ook aangeduid als [Ai] B.V.; 2,1%). Na de instap van management op 25 november 2011 houdt [V] indirect een belang van 68,87%, [W] indirect een belang van 3,36%, [Aa] indirect een belang van 8,10% en [Ab] indirect een belang van 1,80% in eiseres. [Aj] B.V. houdt dan een belang van 15,51% in eiseres en management een belang van 2,36%. [Ag] houdt geen (indirect) belang in eiseres. 14. De financiering van de overname heeft als volgt plaatsgevonden. Op 14 januari 2011 verzendt de General Partner de draw down notices aan de investeerders. Op 28 januari 2011 verdeelt de General Partner de bij de investeerders opgevraagde bedragen over de bankrekeningen van [V] , [W] , [Aa] , [Ab] en [Ag] . 14.1. [V] , [W] , [Aa] en [Ab] hebben eigen vermogen ingebracht in [Ac] UA tot een bedrag van € 64.600.000. [Ac] UA heeft dit bedrag vervolgens ingebracht in eiseres als eigen vermogen. [Aj] B.V. en [Ai] B.V. (in de stukken ook aangeduid als [Ai] B.V.) hebben eigen vermogen verstrekt aan eiseres voor een bedrag van € 12.200.000 respectievelijk € 4.500.000. Van laatstgenoemd bedrag is € 1.910.433 uiteindelijk overgenomen door management. In totaal is € 81,3 miljoen gestort op de aandelen in eiseres. 14.2. Daarnaast hebben [W] , [Aa] , [Ab] , [Ag] en [Aj] B.V. achtergestelde leningen (Intercompany Leningen of Loan Notes) aan eiseres verstrekt van in totaal € 135 miljoen (zie hierna). In november 2011 is management toegetreden als indirecte aandeelhouder en is een deel van de achtergestelde leningen overgenomen. 14.3. Eiseres heeft kapitaal gestort in [W] B.V. en laatstgenoemde heeft vervolgens kapitaal gestort in [Ad] B.V. De kapitaalstorting door eiseres in [W] B.V. is geheel gefinancierd met bovengenoemde van de (indirecte) aandeelhouders verkregen middelen (achtergestelde leningen en eigen vermogen). 14.4. Voorts zijn leningen aangetrokken van diverse banken middels een Senior Facilities Agreement (zie hierna). 15. De achtergestelde leningen (Intercompany Leningen of Loan Notes) van in totaal € 135 miljoen zijn gezamenlijk door [W] , [Aa] , [Ab] , [Ag] en [Aj] B.V. verstrekt aan eiseres. 15.1. De achtergestelde leningen zijn in drie afzonderlijke overeenkomsten vastgelegd, namelijk in Intercompany Loan Agreement Facility A, Intercompany Loan Agreement Facility B en Intercompany Loan Agreement Facility C. Hoofdsom, rente en looptijd van de achtergestelde leningen zijn als volgt: Naam Uitgeleende bedrag Jaarlijkse rente Looptijd Facility A € 50.000.000 11,50 % 10 jaar minus 2 werkdagen Facility B € 45.000.000 12,75 % 10 jaar minus 2 werkdagen Facility C € 40.000.000 14,00 % 10 jaar minus 2 werkdagen 15.2. Facility B is achtergesteld op Facility A en Facility C is achtergesteld op Facility B en Facility A. De achtergestelde leningen zijn alle contractueel achtergesteld op de bankfinanciering. 15.3. De aandeelhouders nemen naar verhouding van hun kapitaalinbreng deel in de Loan Notes. De Loan Notes zijn niet afzonderlijk verhandelbaar en maken onlosmakelijk deel uit van de door de banken geëiste equity contribution. 15.4. De rente wordt gedurende de looptijd van de leningen jaarlijks bijgeschreven bij de hoofdsom, en pas bij de aflossing van de leningen betaald. In 2011 is eiseres over de achtergestelde leningen € 15.636.270 aan rente verschuldigd. Hiervan ziet een bedrag van € 13.157.632 op de Intercompany Leningen van [H] en € 2.478.638 op de Intercompany Leningen van de familie [N] en de managers. 15.5. De hoofdsommen van de Intercompany Leningen zijn volgens de overeenkomsten als volgt verstrekt door de (indirect) aandeelhouders (hierna ook: de leningverstrekkers): - [W] heeft 3,44302% van Facility A, Facility B en Facility C verstrekt aan eiseres; - [Aa] heeft 8,29838% van Facility A, Facility B en Facility C verstrekt aan eiseres; - [Ab] heeft 1,84326% van Facility A, Facility B en Facility C verstrekt aan eiseres; - [Ag] heeft 70,52881% van Facility A, Facility B en Facility C verstrekt aan eiseres; - [Aj] B.V. heeft 15,88653% van Facility A, Facility B en Facility C verstrekt aan eiseres; 16. De Intercompany Loan Agreements zijn van 31 januari 2011 en zijn nagenoeg gelijkluidend. De Intercompany Loan Agreement Facility A luidt als volgt (de afwijkende tekst in de Intercompany Loan Agreement Facility B respectievelijk Facility C staat tussen vierkante haakjes): ‘DATED 31 JANUARY 2011 [W] [Aa] [Ab] [Ag] AND [Aj] B.V. AS LENDERS [Eiseres] AS BORROWER (…) THIS INTERCOMPANY LOAN AGREEMENT (the “Agreement”) is made on 31st January 2011 BETWEEN
(1)[W], a company incorporated in Guernsey (…), having its registered office at (…), Guernsey, (…) (“[W]”).
(2)[Aa], a company incorporated in Guernsey (…), having its registered office at (…), Guernsey, (…) (“[Aa]”).
(3)[Ab], a company incorporated in Guernsey (…), having its registered office at (…), Guernsey, (…) (“[Ab]”).
(4)[Ag], a company incorporated in Guernsey (…), having its registered office at (…), Guernsey, (…) (“[Ag]”).
(5)[Aj] B.V., a private company with limited liability (besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid), having its corporate seat at [plaats] , the Netherlands (…) (“[Aj]” and, together with [W] , [Aa] , [Ab] and [Ag] , collectively the “Lenders” and each a “Lender”); AND
(6)[Eiseres], a private limited liability company (besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid) incorporated under Dutch law, having its statutory seat in Amsterdam, the Netherlands (…) (the “Borrower” and, together with the Lenders, collectively the “Parties” and each a “Party”). IT IS AGREED 1INTERPRETATION 1.1 Definitions In this document, unless the context otherwise requires: “Bankruptcy” means, in relation to the Borrower, the appointment of a trustee in bankruptcy (curator) or an administrator (bewindvoerder) in respect of it because it is insolvent. “Business Day” means a day on which banks are open for general banking business in London (England) and Amsterdam (The Netherlands). “Events of Default” means any event described in Clause 8.1 (Nature). “Facility A” means a facility made available under this Agreement [means the EUR 50,000,000 facility made available by the Lenders to the Borrower on or about the date hereof]. “Facility B” means the EUR 45,000,000 facility made available by the Lenders to the Borrower on or about the date hereof [means a facility made available under this Agreement]. “Facility C” means the EUR 40,000,000 facility made available by the Lenders to the Borrower on or about the date hereof [means a facility made available under this Agreement]. “Margin” means 11.50 [12.75] [14.00] per cent. per annum. “Principal” means the principal amount of EUR 50,000,000 [EUR 45,000,000] [EUR 40,000,000]. “Relevant Percentage” means: (
- a)in relation to [W] , 3.44302%; (
- b)in relation to [Aa] , 8.29838%; (
- c)in relation to [Ab] , 1.84326%; and (
- d)in relation to [Ag] , 70.52881%; (
- e)in relation to [Aj] : (
- i)7.943265% (this Relevant Percentage of the Principal for the purpose of a certain deed of pledge is referred to as the “[Aj] Loan Part A-I [B-I] [C-I]”); and (
- ii)an additional 7.943265% (this Relevant Percentage of the Principal for the purpose of a certain deed of pledge is referred to as the “[Aj] Loan Part A-II [B-II] [C-II]”). “Repayment Date” means the date falling two Business Days prior to the tenth anniversary of the date hereof. 1.2 Construction In this document unless the context otherwise requires: (
- a)words importing: (
- ii)the singular include the plural and vice versa; (iii) any gender includes the other genders; (
- b)if a word or phrase is defined cognate words and phrases have corresponding definitions; (
- c)a reference to: (
- i)a person includes corporations; (
- ii)a person includes the legal personal representatives, successors and assigns of that person; (iii) this or any other document includes the document as varied or replaced, and notwithstanding any change in the identity of the parties; (
- iv)writing includes any mode of representing or reproducing words in tangible and permanently visible form, and includes telex and facsimile transmission; (
- v)time is to local time in Amsterdam, The Netherlands; (
- vi)any thing (including, without limitation, any amount) is a reference to the whole or any part of it and a reference to a group of things or persons is a reference to any one or more of them; (vii) a month and cognate terms means a period commencing on any day of a calendar month and ending on the corresponding day in the next calendar month but if a corresponding day does not occur in the next calendar month the period shall end on the last day of that next calendar month; (viii) a right includes a remedy, authority or power; and (
- ix)a reference to incorporated includes a reference to being taken to be incorporated. 2CONSIDERATION The Borrower has entered into this Agreement in consideration of the Lenders agreeing to make Facility A [B] [C] available to the Borrower under this Agreement. 3FINANCE PARTIES’ RIGHT AND OBLIGATIONS 3.1 The obligations of each Lender under this Agreement are several. No Lender is responsible for the obligations of any other Lender under this Agreement. 3.2 A Lender may, except as otherwise stated in this Agreement, separately enforce its rights under this Agreement. 4THE FACILITY 4.1 Nature Each Lender shall lend the Relevant Percentage of the Principal to the Borrower and the Borrower shall borrow it from the Lenders. 4.2 Drawdown The Principal has been advanced by the Lenders to the Borrower on the date hereof. 5REPAYMENT AND PREPAYMENT 5.1 Subject to Clause 5.15.2 and Clause 8.2 (Acceleration), the Borrower shall repay to each of the Lenders its Relevant Percentage of the Principal (together with accrued interest) on the Repayment Date. 5.2 The Borrower shall have the right to prepay the whole or any part of the Principal if it has given the Lenders three Business Days of its intention to do so, provided that: (
- a)the Borrower shall prepay each Lender pro rata; and (
- b)the Borrower shall also pay interest accrued on the prepaid amount up to the date of the prepayment. 5.3 The Borrower shall not repay of prepay: (
- a)Facility B or Facility C unless Facility A has been fully repaid; and (
- b)Facility C unless Facility B has been fully repaid. 6INTEREST 6.1 Payment and Rate Interest shall accrue on the Principal at a rate equal to the Margin and such interest shall, on the last day of each calendar year during the term of Facility A [B] [C], be automatically capitalised and shall be added to the outstanding Principal. Any such accrued interest shall, after being so capitalised, be treated as part of the Principal, shall bear interest in accordance with this Clause 5 (Interest) and shall be payable in accordance with the repayment or prepayment provisions of this Agreement. 6.2 Computations Interest will: (
- a)accrue from day to day; (
- b)be computed from and including the day when the moneys upon which interest is payable become owing to the Lenders by the Borrower until but excluding the day of repayment or prepayment of those moneys; and (
- c)be calculated on the basis of a 365 day year. 7PAYMENTS 7.1 Place, Manner and Time of Payment The Borrower shall make payments to each of the Lenders under this Agreement: (
- a)at a place, at a time and in a manner reasonably required by such Lender; and (
- b)in immediately available funds and without set-off, counter-claims, conditions or, unless required by law, deductions or withholdings. 7.2 Payment on a Business Day (
- a)If the day on which any payment is to be made under this Agreement is not a Business Day, the payment shall be made on the preceding Business Day. (
- b)If a payment made by the Borrower is received by any Lender on the due date but after the time specified for payment or otherwise not in accordance with this Agreement, that payment will be deemed to have been received by such Lender before the specified time on the following Business Day. 7.3 Currency of Payment Any payment to be made by the Borrower to the Lenders under this Agreement shall be made in euro. 8EVENTS OF DEFAULT 8.1 Nature Each of the following is an Event of Default: (
- a)the Borrower does not pay on the due date any money due and owing by it under this Agreement unless: (
- i)its failure to pay is caused by administrative or technical error; and (
- ii)payment is made within 3 Business Days of its due date. (
- b)the Borrower fails to observe or perform any of its other obligations under this Agreement and if that default is capable of remedy: (
- i)it is not remedied within 15 Business Days (or any other longer period agreed by the Lenders) of its occurrence, and (
- ii)the Borrower does not during that period take all reasonable actions which, in the reasonable opinion of the Lenders, are necessary or desirable to remedy that default; (
- c)this document is void, voidable or otherwise unenforceable by the Lenders or is claimed to be so by the Borrower; (
- d)the Bankruptcy of the Borrower; (
- e)the Borrower enters into an arrangement or compromise with, or assignment for the benefit of, all or any class of its creditors or members or a moratorium involving any of them; (
- f)the Borrower being or stating that it is unable to pay its debts when they fall due; or (
- g)an application being made for an order, a resolution being passed or proposed, a meeting being convened or any other action being taken to cause any thing described above. 8.2 Acceleration (
- a)Upon the occurrence of an Event of Default which is continuing, the Lenders may by notice to the Borrower (the “Notice of Acceleration”) declare any outstanding amount under this Agreement (whether Principal, interest, fees or any other amount owing by the Borrower to the Lenders under this Agreement) either: (
- ii)payable on demand; or (iii) immediately due and owing, whereupon they will become so. (
- b)If a Notice of Acceleration is given to the Borrower, any amount from time to time received or recovered by the Lenders pursuant to this Agreement shall be applied in the following order of priority: (
- i)in payment of any amount outstanding under Facility A; (
- ii)in payment of any amount outstanding under Facility B; and (iii) in payment of any amount outstanding under Facility C. 9TURNOVER OF RECEIPTS If a Lender receives any payment by the Borrower which exceeds the amount payable to that Lender pursuant to this Agreement, it shall redistribute the excess to the other Lenders so that each Lender receives the amount payable to it pursuant to this Agreement. 10NO ASSIGNMENT The Borrower may not assign any of its rights or transfer any of its rights or obligations under this Agreement without the prior written consent of the Lenders. 11RESCISSION Each of the Parties irrevocably waives any right it may have or in the future may obtain to rescind (ontbinden) this Agreement in whole or in part pursuant to Section 6:265 of the Dutch Civil Code. 12SET-OFF Each of the Lenders may set off any matured obligation due from the Borrower under this Agreement against any matured obligation owed by such Lender to the Borrower, regardless of the place of payment, booking branch or currency of either obligation. 13COUNTERPARTS This Agreement may be executed in any number of counterparts, each of which when executed and delivered is an original, and all of which together evidence the same agreement. 14GOVERNING LAW AND JURISDICTION 14.1 Governing Law This Agreement and any non-contractual obligations arising out of or in connection with it are governed by and shall be construed in accordance with the laws of the Netherlands. 14.2 Jurisdiction Any dispute among the parties which relates to this Agreement or arises out of or in connection herewith, including, without limitation, disputes relating to any non-contractual obligation arising out of or in connection with this Agreement or further agreements resulting from this Agreement, which cannot be amicably resolved among the parties, shall be resolved by arbitration in accordance with the Rules of the Netherlands Arbitration Institute in Rotterdam, provided always that the parties have the right to settle any such dispute in summary proceedings and the right to obtain seizure. The arbitration panel shall be composed of three members. The place of arbitration shall be Amsterdam, the Netherlands. The language to be used in the arbitral proceedings shall be English. The arbitration board shall judge pursuant to the rules of law. The award rendered by the arbitration board shall be final and binding upon the parties and not subject to appeal.’ 17. [W] B.V. (“as parent”) en [Ad] B.V. (“as company”) hebben op 12 januari 2011 voor een totaalbedrag van € 210.000.000 met een syndicaat van banken een externe lening afgesloten, zijnde een Senior Facility Agreement ( [AmA] ). De aandelen van [W] B.V. zijn op basis van de [AmA] verpand aan de banken. 17.1. [Al] NV, [Am] , [An] BA (hierna: de [An] ), [Ao] NV, [Ap] NV en [Aq] zijn de lead arrangers van de [AmA] . De [An] is daarnaast tevens de (security) agent van de financiering. 17.2. De [AmA] is opgesplitst in verschillende faciliteiten, namelijk Facility A, Facility B, Capex/Acquisition Facility en Revolving Facility. Facility A heeft een looptijd van zes jaar, bedraagt € 60.000.000 en heeft een jaarlijks rentepercentage van 4%. Facility B heeft een looptijd van zeven jaar, bedraagt € 105.000.000 en heeft een jaarlijks rentepercentage van 4,5%. De Capex/Acquisition Facility heeft een looptijd van zes jaar, bedraagt € 30.000.000 en heeft een jaarlijks rentepercentage van 4%. De Revolving Facility heeft een looptijd van zes jaar, bedraagt € 15.000.000 en heeft een jaarlijks rentepercentage van 4%. Facility A en B zijn geheel opgenomen. 17.3. In totaal is een bedrag van € 168,5 miljoen van de [AmA] opgenomen. Van de Revolving Facility is € 3,5 miljoen opgenomen en de Capex/Acquisition is niet opgenomen. 17.4. De equity inbreng van [H] is vastgesteld op 45% van de benodigde middelen ( [AmA] , schedule 2, part 1B, artikel 3, letter a en in Term Sheet): ‘3. Closing Requirements (
- a)The Investors will make cash contributions or rollover existing investments by way of subscription for ordinary shares, shareholder loans/preferred equity certificates and/or asset or business contributions to the Group in an aggregate amount equal to at least 45% of the aggregate funded capital structure at the Closing Date (taking into account any cancellation of the Term facilities on or prior to the Closing Date and any contributions to be made after the Closing Date by the management team of the Target Group) (together, the Minimum Equity Contribution).’ 17.5. Bij de verkoop van meer dan 50% van de eigendom en/of zeggenschap eisen de banken terugbetaling van de Senior Facilities. Hiervan is sprake als meer dan 50% van de equity contribution wordt verhandeld. Om deze reden eisen de banken dat de volledige equity contribution bij de parent ( [W] B.V.) van de inlener ( [Ad] B.V.) op aandelen wordt gestort (€ 216 miljoen). Op het niveau van [W] B.V. is derhalve de ‘change of control’ clausule van kracht. Ook bij [Ad] B.V. is de volledige equity contribution op aandelen gestort. 17.6. De (minimum) equity contribution is volgens de financieringsvoorwaarden volledig achtergesteld ten opzichte van de senior loans. 17.7. In artikel 26 van de [AmA] staan de financial covenants waaraan de groep elk kwartaal moet voldoen. Deze zijn gebaseerd op voorzichtige base case bedrijfsmodellen en niet op positievere management case prognoses. Het verschil tussen deze scenario’s is de zogenoemde headroom in de EBITDA om tegenvallers op te vangen.17.8. Een Structure Memorandum maakt deel uit van de financieringsdocumentatie ( [AmA] , schedule 2, Part 1A, artikel 4, letter d). Structure Memorandum is volgens de [AmA] gedefinieerd als: ‘the steps paper entitled “Project [O] : Tax Structure Memorandum” to be dated on or about the Closing Date describing the Group and the Acquisition and prepared by [As] Belastingadviseurs BV in the agreed form and addressed to, and/or capable of being relied upon by, the Arranger and the other Secured Parties.’ Dit Structure Memorandum heeft eiseres niet overgelegd. In plaats daarvan is op 30 december 2013 een door [As] opgestelde samenvatting overgelegd. 18. De zogenoemde Intercreditor Agreement d.d. 12 januari 2011 bevat eveneens voorwaarden waaronder de kredietfaciliteiten zijn verstrekt. De achtergestelde leningen zijn achtergesteld ten opzichte van de banken die leningen hebben verstrekt op grond van de [AmA] . Op basis van artikel 6 van de Intercreditor Agreement mag pas worden terugbetaald als aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Andere leningen dan de bankleningen mogen worden terugbetaald indien de bankleningen zijn terugbetaald of indien hiervoor toestemming wordt gegeven door de banken. 19. De rentepercentages van de achtergestelde leningen zijn volgens gemachtigde gebaseerd op een aanbieding van een in de Term Sheet van 5 maart 2010 genoemde, uiteindelijk niet gesloten Mezzanine Facility ten bedrage van € 36,2 miljoen. In een brief van 25 april 2013 aan verweerder heeft gemachtigde hierover het volgende verklaard: ‘Ten tijde van de overname van [Q] BV is overwogen om extra Mezzanine financiering aan te trekken welke junior is ten opzichte van senior bankschuld en is gekeken naar andere ‘debt-markets’. Verschillende Mezzanine verstrekkers hebben Mezzanine schuld aangeboden van €36m tot €45m. De aangeboden Mezzanine Facilities hadden een marge van 12% (cash plus non-cash) boven Euribor. Op basis van de marktomstandigheden van dat moment werd besloten geen gebruik te maken van deze Mezzanine financiering en van andere achtergestelde leningen uit andere markten. Een variabele in deze beslissing was de rente vergoeding op de aangeboden Mezzanine schuld en op andere (meer achtergestelde en duurdere) schulden in de markt. [F] heeft destijds besloten, na afweging van de belangen, om zelf de financiering te verstrekken middels een achtergestelde lening, het risico te lopen en ‘return on investment’ te behouden door geen hogere vergoedingen aan de markt te betalen. De door [F] , familie en management verstrekte achtergestelde leningen hebben een rentepercentage van 11.5%, 12,75% en 14% wegens achtergesteldheid van de verschillende tranches op elkaar.’ 20. Op 15 december 2014 heeft gemachtigde een benchmarking analysis verstrekt om de zakelijkheid van de vergoeding op de Loan Notes te onderbouwen, de “ [X] B.V. - Interest benchmarking analysis”. Bij de renteanalyse is gebruik gemaakt van de Bloomberg database. Omdat Bloomberg geen gegevens publiceert over bedrijfsleningen met een credit rating van CCC+ (non investment grade) zijn er geen comparables gevonden. In plaats daarvan is verondersteld dat de rente op 10-jaars leningen lineair met 0,78% toeneemt per ‘notch down’ van BBB naar CCC. 21. De geconsolideerde (periode)verliezen van eiseres in de jaren 2011-2014 zijn als volgt: 2011 -/- € 15.939.000 2012 -/- € 16.405.000 2013 -/- € 19.653.000 2014 -/- € 28.624.000 22. Het verloop van de hoofdsom en de rente op de Loan Notes is volgens een door verweerder gemaakt overzicht over de jaren als volgt: € bedragen x l.000 A B C totaal hoofdsom € 50.000 € 45.000 € 40.000 € 135.000 rente 11,50% 12,75% 14% 12,66% rente einde jaar 1 € 55.750 € 50.738 € 45.600 € 152.088 € 17.088 einde jaar 2 € 62.161 € 57.207 € 51.984 € 171.352 € 19.264 einde jaar 3 € 69.310 € 64.500 € 59.262 € 193.072 € 21.720 einde jaar 4 € 77.280 € 72.724 € 67.558 € 217.563 € 24.491 einde jaar 5 € 86.168 € 81.996 € 77.017 € 245.181 € 27.618 einde jaar 6 € 96.077 € 92.451 € 87.799 € 276.327 € 31.146 einde jaar 7 € 107.126 € 104.239 € 100.091 € 311.455 € 35.128 einde jaar 8 € 119.445 € 117.529 € 114.103 € 351.078 € 39.623 einde jaar 9 € 133.181 € 132.514 € 130.078 € 395.773 € 44.696 einde jaar 10 € 148.497 € 149.409 € 148.289 € 446.196 € 50.422 rente € 98.497 € 104.409 € 108.289 € 311.196 gemiddeld per jaar € 9.850 € 10.441 € 10.829 € 31.120 gemiddelde rente 19,7% 23,2% 27,1% 23,1% 23.1. In een bijlage bij de brief van gemachtigde van 22 februari 2013 is een overzicht gegeven van acquisitie- en financieringskosten ter zake van de overname van de [N] van in totaal € 7.477.548. Daarnaast is er sprake van een kostenpost in de vorm van een arrangement fee van de Senior Lenders ten bedrage van € 8,4 miljoen (4% van € 210 miljoen). Blijkens het rapport van verweerder van 2 maart 2016 genaamd ‘Beoordeling Overnamefinanciering 2011’ heeft verweerder bij het opleggen van de aanslag 95% van het bedrag van € 7.477.548 beoordeeld. Volgens het rapport kan 7% van deze kosten worden aangemerkt als aan eiseres toerekenbare transactiekosten. Bij het vaststellen van de aanslag is een bedrag van € 354.761 aan financieringskosten in aftrek toegelaten. Dit bedrag is exclusief de aan eiseres toerekenbare en als financieringskosten aan te merken Loan Syndication fee van de [An] ten bedrage van € 150.000. In paragraaf 5.1 van het rapport van verweerder zijn de kosten als volgt onderverdeeld (waarbij [H] is aangeduid als [F] ): Kosten [F] aankoopkosten financiering (activeren) 1a. [An] € 3.000.000 € 2.850.000 € 150.000 b. [At] € 480.767 € 480.767 c. [Au] € 793.993 € 317.597 € 317.597 € 158.799 2 [Av] € 1.074.962 € 1.074.962 3 [As] € 717.744 € 472.244 € 120.500 € 125.000 4 [Az] € 262.500 € 262.500 5 [AA] € 187.928 € 140.946 € 46.982 6 [AB] BV € 150.000 € 150.000 7 [AC] € 125.000 € 125 .000 8 [AD] CV € 136.184 € 136.184 9 [AE] € 120.000 € 120.000 Subtotaal € 7.049.078 € 6.130.200 € 438.097 € 480.78 [AF] € 40.617 € 40.617 [AG] BV € 32.615 € 32.615 € 73.232 € 73.232 beoordeeld (95%) € 7.122.310 € 6.203.432 € 438.097 € 480.781 100% 87% 6% 7% niet beoordeeld (5%) € 355.240 € 309.409 € 21.851 € 23.980 totaal € 7.477.550 € 6.512.841 € 459.948 € 504.761 exclusief Loan Syndication fee € 354.761 23.2. In het rapport van verweerder is op dit kostenoverzicht de volgende toelichting gegeven: ‘1. a. [An]: [As] heeft deze kosten ten bedrage van € 3 miljoen in de kostenoverzichten d.d. 20 mei 2014 en 19 november 2014 omschreven als financieringskosten en als volgt toegelicht: “Financieringskosten zijn kosten die verband houden met de financiering van de acquisitie en zijn aftrekbaar. In lijn met de jurisprudentie zullen deze kosten in het jaar van aangaan van de financiering worden afgetrokken.” [As] heeft op 9 oktober 2015 desgevraagd gemeld dat er “voor de werkzaamheden van de [An] geen fee letter beschikbaar is”. In reactie op mijn herhaalde verzoek van 14 oktober 2015 om de fee letter en de vindplaats in de Facilities Agreement en het Funds Flow overzicht, de opdrachtgever en het betaalbewijs zijn alsnog de fee letter, de engagement letter en de factuur verstrekt. In tegenstelling tot eerdere informatie blijkt sprake te zijn van een [Ana] van € 2,85 miljoen (95%) en een Loan Syndication fee van € 150.000 (5%). De opdrachtgever is general partner [H] Limited, de opdrachtnemer is [AnA] M&A, de opdracht is verstrekt op 1 november 2010 en de M&A-diensten zijn beschreven in annex 1. De eindfactuur van 24 januari 2011 staat op naam van [Ad] BV p/a World Trade Center Schiphol, het vestigingsadres van [F] NL. In de aangifte Vpb van belastingplichtige is de [An] fee geactiveerd; hierop wordt jaarlijks afgeschreven. [As] is bij nader inzien van mening dat de [Ana] deels gemengde kosten zijn, waarvan € 650.655 moet worden aangemerkt als aftrekbare acquisitiekosten in de exploiratiefase. € 2.199.345 is aftrekbaar als financieringskosten. Standpunt Belastingdienst: [As] heeft namens belastingplichtige onjuiste informatie verstrekt over de aard van de kosten en het ontbreken van de fee letter. Het betreft M&A-diensten aan de general partner. De factuur staat ten onrechte op naam van belastingplichtige. De M&A [Ana] kan niet ten laste van de Nederlandse belastbare winst worden gebracht. Alleen voor wat betreft de Loan Syndication fee is sprake van financieringskosten; deze moeten worden geactiveerd over de looptijd van de syndicated loans (6 jaar). De afschrijvingskosten in de aangifte Vpb moeten voor 95% worden gecorrigeerd en aangemerkt als dividenduitkering aan de aandeelhouders. 2011 2012 2013 Afschrijving Fee [An] € 430.174 € 471.388 € 470.101 [Ana] (95%) € 408.665 € 447.819 € 446.596 Loan Syndi[ca]tion fee (5%) € 21.509 € 23.569 € 23.505 b. [At]: belastingplichtige heeft volgens [As] geen engagement letter of factuur ontvangen van [At] . [At] heeft [An] bijgestaan in discussies omtrent de bankfinanciering. Zodoende heeft [At] een engagement letter met [An] . [An] heeft de kosten doorbelast op basis van de Facilities Agreement. Er zijn geen onderliggende stukken beschikbaar. In de Facilities Agreement is in onderdeel 1B, Conditions Precedent to Initial Utilisation als voorwaarde gesteld dat juridische opinies van [At] moeten worden verkregen. Deze zijn niet verstrekt. Standpunt Belastingdienst: De onderliggende factuur van [An] , correspondentie met de [An] , de legal opinions en het betaalbewijs zijn niet verstrekt. De kosten kunnen verband houden met de diensten van [AnA] M&A aan general partner [H] Limited, zie punt 1a. De kosten zijn niet aannemelijk gemaakt en moeten worden aangemerkt als kosten van de general partner. c. [Au] is de juridisch adviseur van [H] . De engagement letter is gedateerd 8 maart 2011, ruim een maand na de closing van de transactie. De opdracht moet eerder zijn verstrekt door [T] als general partner van [H] , omdat uit de omschrijving van de werkzaamheden blijkt dat [Au] ook heeft geassisteerd “with negotiation and finalisation of the term sheet during and after the conclusion of the initial auction process for the selection of the Company as the purchaser of the Target”. Op de factuur is vermeld: “Project [O] , for the period from 11 February 2011 to 3 March 2011.” [As] heeft de kosten in het voorstel d.d. 22 februari 2013 aangemerkt als volledig aftrekbare, direct toerekenbare financieringskosten. Standpunt Belastingdienst: De engagement letter ten name van [Ad] BV is onjuist gedateerd. Ook de op de factuur vermelde periode van de verrichte werkzaamheden is onjuist. De werkzaamheden hebben betrekking op [H] (stel: 40%, [F] ), de acquisitie en interne financiering (stel: 40%, aankoopkosten) en de externe financiering (stel: 20%, aftrekbaar). 2. [Av] heeft haar activiteiten verricht op basis van een Master Services Agreement (“MSA”) tussen [H] en [Av] . Er is geen engagement letter met de Nederlandse vennootschappen. Ook is er geen beschrijving van de werkzaamheden beschikbaar. Op basis van de MSA verricht [Av] volgens [As] juridische dienstverlening met betrekking tot de financiering en acquisitie van Targets door [H] . Eerder beschreef [As] de werkzaamheden als: opstellen van een juridisch due diligence rapport, de SPA en de structuur. [Av] heeft ook het NMa verzoek ingediend namens [F] . Op de eindfactuur is als omschrijving van de werkzaamheden vermeld: “For services rendered in the period up to 01/02/2011 concerning project [X] ”. Er zijn additionele facturen van [Av] voor een bedrag van € 273.497 hetgeen leidt tot een totale kostenpost van € 1.074.962. Standpunt Belastingdienst: De kosten hebben betrekking op de werkzaamheden ten behoeve van [H] danwel de aankoop van [Q] BV. Deze kosten zijn niet aftrekbaar. 3. [As] : De engagement letter is gedateerd 1 november 2010 en staat op naam van [H] Limited, de general partner van [H] . De werkzaamheden hebben betrekking op (I) financial due diligence, (II) tax due diligence, (III) tax structuring (…) en (IV) comments on the sale & purchase agreement. De bijbehorende fee letter bedraagt € 245.500. Het factuurbedrag op 18 februari 2011 is € 649.990. [As] heeft geen inzage gegeven in de aard en omvang van de extra werkzaamheden. [As] heeft een additionele factuur ten bedrage van € 67.754 ingediend. Standpunt Belastingdienst: De fee van € 245.500 heeft deels betrekking op de SPA en op de advisering over de structuur van [H] boven Nederland, zoals de oprichting van [Ae 1] LP om te voorkomen dat de rentekosten op de aandeelhoudersleningen bij belastingplichtige onder de aftrekbeperking van artikel 10a wet Vpb zouden vallen. De extra fee van € 404.490 + € 67.754 voor meerwerk is niet onderbouwd, maar kan betrekking hebben op het advies om het ‘Side Car Vehicle’ [Ae 1] LP op te richten (…). Dit zijn kosten van de general partner Advieskosten die in latere jaren betrekking hebben op de leningen van verbonden lichamen vallen ook onder de aftrekbeperking van artikel l0a wet Vpb (P.M.). Van de oorspronkelijke fee van € 245.500 hebben de werkzaamheden bij II, III en IV deels betrekking op [H] , derhalve heb ik het NL deel van deze kosten geschat op 50%: € 125.000 (afgerond). De resterende kosten zijn niet aftrekbaar. 4. [Az] heeft volgens [As] : “een commercieel due diligence verricht. Dat wil zeggen dat [Az] onderzoek heeft gedaan naar de verschillende markten waarin de [N] actief is. Daarbij is een onderscheid gemaakt in de onderliggende markt (natuurlijke olien en gerelateerde producten) en de markt voor opslag van natuurlijke olien en gerelateerde producten waarin [N] actief is. Ook is er een vergelijking gemaakt met de concurrentie in Noordwest Europa, een analyse van de trends bij de klanten en een analyse van het management plan dat destijds is opgesteld door het [N] management. Daarnaast heeft [X] [Az] verzocht om hen bij te staan in discussies met banken in het kader van het aantrekken van bankfinanciering.” De engagement letter staat op naam van [H] Limited en is gedateerd 14 oktober 2010. De werkzaamheden laten zich mijns inziens omschrijven als marktonderzoek ten behoeve van de potentiele investering van [H] in [Q] BV. [Az] heeft op 5 november 2010 gerapporteerd aan [T] en de bevindingen zijn opgenomen in de presentatie aan het Investment Advisory Committee. Op de factuur d.d. 8 februari 2011 is vermeld “For work carried out during october 2010.” Met een additionele, niet verstrekte factuur van € 37.500 komen de totale kosten uit op € 262.500. Standpunt Belastingdienst: Dit betreft zoekkosten van [H] . Deze kosten zijn niet aftrekbaar. 5. [AA], een groepsentiteit van [F] , brengt volgens [As] zijn tijd met betrekking tot de acquisitie van [Q] BV op uurbasis in rekening. [AA] is vooral betrokken geweest bij de onderhandelingen over de financiering van de acquisitie en de review en het opstellen van de juridische documenten. Onderdeel van de beslissing van het Fonds om een investering in een bepaalde onderneming wel of niet te doen is het vaststellen van de financieringslasten. De financieringslasten worden vervolgens verwerkt in een financieel model dat van belang is voor de investeringsbeslissing. Een dergelijk financieel model is ook opgesteld voor de [N] transactie (hetgeen [As] later weer ontkent, rd). Als zodanig moeten de activiteiten van [AA] worden aangemerkt als exploratie activiteiten van [X] . Belastingplichtige heeft geen engagement letter met [AA] . Ook is er geen verdeling van de werkzaamheden van [AA] beschikbaar. [AA] heeft vooral juridisch advies gegeven Dit betrof onder andere review van de financieringsovereenkomsten, SPA, en andere juridische documentatie. Een bedrag van circa € 30K zag op juridische dienstverlening. Op de factuur d.d. 9 februari 2012, een jaar na de acquisitie van [Q] BV op 1 februari 2011 is vermeld: “We herewith send you transaction related services for the years 2010 and 2011.” Standpunt Belastingdienst: De kosten hebben grotendeels betrekking op de investeringsafweging van de general partner en deels op de financiering met eigen vermogen en (extern) vreemd vermogen. [AA] heeft o.a. de presentatie aan het Investment Advisory Committee voorbereid en (…) financieel van input voorzien; het financieel model. De correspondentie met de Senior Lenders en Mezzanine Lenders is niet verstrekt, ook het financieel model dat is opgesteld voor het afwegen van de financieringsalternatieven is niet verstrekt. Alleen de uitkomsten zijn verwerkt in de presentatie aan het Investment Advisory Committee. Ik heb het financieringsdeel van de kosten geschat op 25%. De resterende kosten zijn zoekkosten van de general partner. 6. [AB] , [AC] , [AD] , [AE]: Volgens [As] zijn er geen formele overeenkomsten opgesteld met betrekking tot deze adviseurs. Alle aanwezige documentatie (de facturen,
- rd)met betrekking tot deze opdrachten is reeds verstrekt. Deze adviseurs hebben industrieel/technisch advies gegeven met betrekking tot de [N] . Ze hebben onder meer geassisteerd bij het industriële/technische due diligence dat [X] heeft uitgevoerd op de [N] . Standpunt Belastingdienst: De industriële adviezen zijn verstrekt aan de opdrachtgever [T] ten behoeve van [H] . De rapportages zijn opgenomen als bijlage bij de investeringsbeslissing van de general partner [H] Limited. Deze kosten zijn ten onrechte in rekening gebracht aan belastingplichtige. Tenslotte: Van de overige advieskosten zijn ook [AF] (taxaties, € 40.617) en [AG] (milieu, € 32.615) ingehuurd door [H] Limited. Zij rapporteren aan het Investment Advisory Committee. 6Eindconclusie Belastingdienst Het standpunt van de Belastingdienst ten aanzien van de rente-aftrek op de aandeelhoudersleningen van [H] ter grootte van € 135 miljoen is vermeld in §4.7 van deze notitie. De rentecorrectie bedraagt in 2011 € 15.636.270. Van dit bedrag is in de ingediende aangifte Vpb € 13.157.632 aangemerkt als niet aftrekbaar, zodat de belastbare winst in de aangifte moet worden verhoogd met € 2.478.638. Deze correctie heeft ook gevolgen voor de jaren 2012 t/m 2015. In §5.1 van deze notitie is het standpunt van de Belastingdienst met betrekking tot de acquisitie- en financieringskosten vermeld. De meeste kosten zijn kosten van de general partner [H] Limited (87%). Van de overige kosten kan 6% worden aangemerkt als aankoopkosten deelneming (niet aftrekbaar) en 7% als financieringskosten (aftrekbaar). De gevolgen voor het belastbaar bedrag van de fiscale eenheid zijn als volgt: 2011 2012 2013 belastbaar bedrag € 1.330.136 € 4.859.314 € 6.241.151 (volgens aangifte) rente [AI1] §4.7 € 2.478.638 € 2.971.783 € 3.486.346 Fee [An] (AFS) §5.1 € 408.665 € 447.819 € 446.596 finance cost §5.1 € 354.761-/- - - subtotaal correcties € 2.532.543 € 3.419.602 € 3.932.942 gecorrigeerd bel. Bedrag € 3.862.679 € 8.278.916 € 10.174.093 De finance cost dienen in 6 jaar te worden afgeschreven. Uit praktische overwegingen zijn deze als kosten 2011 vermeld in bovenstaand overzicht.’ 24. Eiseres heeft op 22 januari 2015 aangifte Vpb voor het jaar 2011 gedaan naar een belastbare winst van € 1.330.274 en een belastbaar bedrag van € 1.330.136; hierbij is een verlies verrekend ten bedrage van € 138. In de aangifte is een bedrag van € 3.000.000 aan acquisitie- en financieringskosten geactiveerd onder ‘Goodwill’. Verder heeft eiseres een bedrag van € 13.157.632 als niet aftrekbare rente op grond van artikel 10a van de Wet Vpb aangemerkt. In totaal betreft de rente op de achtergestelde leningen € 15.636.270. Een bedrag van € 2.478.638 is in aftrek gebracht omdat dit rente betreft op de leningen van de familie [N] en managers. 25. Overeenkomstig de ingediende aangifte is met dagtekening 7 februari 2015 een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting aan eiseres opgelegd. 26. Met dagtekening 30 april 2016 is de definitieve aanslag opgelegd. Verweerder is bij het opleggen van de definitieve aanslag afgeweken van de ingediende aangifte. De aanslag is opgelegd naar een belastbare winst van € 3.862.817 en een belastbaar bedrag van € 3.862.679; hierbij is een verlies verrekend ten bedrage van € 138. De correcties ten opzichte van de aangifte zijn als volgt berekend (zie rapport van verweerder van 2 maart 2016 genaamd ‘Beoordeling Overnamefinanciering 2011’, p. 29): Rente Intercompany Leningen € 2.478.638 Fee [An] (95% afschrijving/uitdeling) € 408.665 + Financieringskosten € 354.761 -/- Totaal correcties € 2.532.543 Belastbaar bedrag volgens aangifte € 1.330.136 Correcties € 2.532.543 Belastbaar bedrag aanslag € 3.862.679 27. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt bij brief van 6 juni 2016. Daarin heeft zij onder meer aangegeven dat zij, in afwijking van de ingediende aangifte, van mening is dat de financieringskosten in één keer ten laste van de winst kunnen worden gebracht en dat zij van mening is dat de rente volledig in aftrek moet kunnen worden gebracht. Het bezwaar is afgewezen. 28. Op 4 december 2015 is ten aanzien van eiseres een informatiebeschikking vastgesteld. Deze is bij uitspraak op bezwaar van 29 maart 2016 ingetrokken. 29. [F] heeft naast de [N] ook de zogenoemde [AJ] overgenomen. Hierbij is gebruik gemaakt van een vergelijkbare structuur als bovenstaande, met dien verstande dat de betrokken rechtsvormen zijn aangeduid als ‘ [AJ] ’ in plaats van ‘ [X] ’. Op 29 december 2014 zijn de aandelen in eiseres en [AJ] I B.V. in het kader van een fusie overgedragen aan [X] [AJ] B.V. tegen uitgifte van eigen aandelen door laatstgenoemde vennootschap. Hierbij zijn de Intercompany Leningen overgenomen van de achtergestelde leningverstrekkers/(indirect) aandeelhouders tegen corresponderende leningen verstrekt door diezelfde leningverstrekkers. 30. In het kader van de exit van [F] uit de [N] en de [AJ] , heeft het volgende plaatsgevonden. Op 16 december 2015 heeft eiseres de aandelen [W] B.V. verkocht aan derden voor € 654.008.431. Op 16 december 2015 heeft [AJ] I B.V. de aandelen [AJ] II B.V. verkocht aan derden voor € 444.090.114. Op 18 december 2015 hebben eiseres en [AJ] I B.V. in totaal circa € 730 miljoen aan dividend uitgekeerd aan de aandeelhouder [X] [AJ] B.V. Laatstgenoemde vennootschap heeft de ontvangen dividenden aan haar aandeelhouders doorbetaald. Voorts zijn op 21 december 2015 de Loan Notes inclusief aangegroeide rente van in totaal circa € 242 miljoen terugbetaald aan [X] [AJ] B.V. en heeft laatstgenoemde vennootschap deze bedragen terugbetaald aan de achtergestelde leningverstrekkers/(indirect) aandeelhouders.” Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn betwist zal ook het Hof daarvan uitgaan, met dien verstande dat de inspecteur ter zitting van het Hof – in afwijking van hetgeen is vermeld onder 12, 14.2 en 15.4 en 24 van de uitspraak van de rechtbank – onweersproken nader heeft verklaard, dat het management in het onderhavige jaar nog geen leningen aan belanghebbende heeft verstrekt. Hierna zal het Hof van deze verklaring uitgaan. Voorts vult het Hof de hiervoor vermelde feiten als volgt aan. 2.2. In het Private Placement Memorandum van november 2007, als vermeld onder 1.3 van de uitspraak rechtbank, is (voorts) onder meer het volgende vermeld: “Summary of Principal TermsThe Fund:The Fund is being established to make primarily controlling investments or co-controlling investments alongside other investors in a diversified portfolio of infrastructure and related assets. (…)Fund Structure The Fund will be constituted by [J] and [K] which are English limited partnerships together with one or more additional investment entities in order to meet the specific needs of Investors. (…)Committed Capital:The Fund is seeking to raise up to EUR 1 billion in Commitments (…) although the General Partner reserves the right to accept Commitments in excess of this amount. General Partner:The General Partner will be [AK] (General Partner) LP, a Guernsey limited partnership (the general partners of which will be [H] Limited, a Guernsey limited company and [AL] GmbH & Co. KG, a German limited partnership). The General Partner shall be provided with investment advice by [T] together with its subsidiaries.(…) AppendicesAppendix 1 – Definitions(…)“Commitment” means the amount which Investors agree to make available to the Fund for investment and working capital purposes (…); (…)“ [H] ”or “Fund” means the limited partnerships and/or other investment vehicles constituting [H] as more particularly described in this Memorandum;” 2.3. In de akte van instelling, gedateerd 4 december 2009, van [J] Limited Partnership (hierna: LP 1) is – dit in aanvulling op onderdeel 4 van de uitspraak rechtbank – onder meer het volgende vermeld: “WHEREAS:-(…) (C) The business of the Partnership is to carry on the business of investing and monitoring the performance of those investments as part of the Fund (known as “ [F] ”) and to carry out all functions and acts in connection therewith in partnership.(…)1. DEFINITIONS(…)(
- v)“Commitment” means, in respect of each Limited Partnership, the aggregate of the Capital Contribution and the Loan advanced and agreed to be advanced by such Partner (…); (…)(
- xx)“Fund” means the fund known as “ [F] ” being comprised of the aggregate amount of (
- i)the commitments to the Partnerships; (
- ii)(…) and (iii) (…);(…)(uuu) “Loan” means, in respect of a Limited Partner or the General Partner, the aggregate amount (if any) of the interest-free subordinated loan advanced or agreed to be advanced (as the context may require) to the Partnership or the General Partner, as applicable; (…)4. LOANS(…)4.2 Currency, Interest and Repayment(…)(
- b)No interest shall be paid or payable by the Partnership upon any Loans, advanced to the Partnership by the Partners. Instead any Loans which are drawn down by the General Partner prior to the completion of an Investment will, where possible, be invested in Cash Deposits. Any income earned thereon will not be distributed in accordance with clauses 7 and 8 but insread will be allocated to Partners pro rata to their Commitments and distributed to such Partners at the end of each Accounting Period or earlier at the sole discretion of the General Partner except that such income may be retained by the General Partner in order to meet future drawdowns from Limited Partners. (
- c)Insofar as: (
- i)any Loan is drawn for the purposes of an Investment and such Investment does not complete; or (
- ii)any portion of any Loan remains unused after completion of an Investment due to an excess drawdown, then such Loan, or the relevant portion thereof shall be repaid to Limited Partners as soon as practicable after the General Partner has determined that such Loan or the relevant portion thereof is not required by the Partnership, and in any event within 60 days of the date of the relevant Drawdown Notice, but shall be available for further drawdown provided always that the General Partner may use such Loan, or a portion thereof (…); (
- d)Loans shall be repaid as provided in clauses 7 and 8 below. (…);(…) 7. ALLOCATION OF LIABILITIES, PROFITS AND LOSSES7.1 Determining Amounts of Income, Capital and Losses to be AllocatedFor the purposes of determining the amount of Income and Capital which shall be allocated between the Limited Partners, the General and the Special Limited Partner the following provisions shall apply:(
- a)After the payment of or provision for fees, costs and expenses (…), or the payment of or provision for liabilities howsoever arising, all Income and Capital (…), shall be allocated as follows:(
- i)first, to the General Partner in respect of amounts allocable (…) (
- ii)secondly, to the Limited Partners (and the General Partner) pro rata to their Commitments (…) to pay the Acquisition Cost of Invesment which have been realized (…);(iii) thirdly, to the Limited Partners (and the General Partner) pro rata to their Commitments until cumulative allocations of Income and Capital to such Limited Partners represent a return at the rate of 6% per annum (…) on the amount of Commitments drawndown (…);(
- iv)fourthly, to the Limited Partners (and the General Partner) pro rata to their Commitments in payment of amounts equal to the Realised Investment Proportion of all Partnership Expenses (…);(…)(
- ix)ninthly (…) (…) Losses will be allocated in a manner consistent with the allocation of Income and Capital. (…) 8.4 Repayment of LoansUntil the entire amount of the Loans from the Limited Partners shall have been repaid, all distributions of Capital and Income made by the Partnership to the Limited Partners shall be applied in or towards repayment of the Loans outstanding from time to time, in proportion amongst the Limited Partners pro rata to their respective Commitments (…). 8.5. Limitations on DistributionsThe General Partner shall not be obliged to cause the Partnership to make any distribution pursuant to this clause 8:-(
- i)unless there is cash available therefore;(
- ii)which would render the Partnership insolvent;(…)(
- iv)(…);(…)11. ACCOUNTS, REPORTS AND AUDITORS(…)11.2 Reports(…)(
- b)Subject to any legal or regulatory requirements the General Partner may in lieu of preparing reports in respect of the Partnership under clause 11.1 and 11.2 prepare a single report in respect of the investments of the Fund provided that such report and accounts contain the same information as would have been provided had they been prepared in accordance with clause 11.1 and 11.2(
- a)above and are sent to each Limited Partner within the same time period as that set out in clauses 11.1 and 11.2(a).” 2.4. Tot de stukken behoort een application form voor deelname aan [J] . Hierin is onder meer het volgende vermeld: “SECTION 4 GENERAL REPRESENTATIONWe hereby declare, represent and warrant that:(…)4.8 we are aware that an investment in the Partnership involves substantial risks including the risk of a complete loss of our investment and have determined that a limited partnership interest in the Partnership is a suitable investment for us (…).” 2.5. Van de door de inspecteur opgevraagde correspondentie met de aanbieder van de onder 19 van de uitspraak rechtbank vermelde Mezzanine Facility is één e-mail verstrekt. In dit bericht van [Am] , de aanbieder van de Mezzanine Facility, aan (onder meer) [T] (het Hof begrijpt: de General Partner dan wel [T] ; zie ook onder 2.2) van 27 oktober 2010 is onder meer het volgende vermeld: “As discussed with you, we had a preliminary discussion with Credit this morning and have obtained a green light to proceed on the basis previously outlined to you and as set out in the attached term sheet.At this juncture we are focusing on a senior debt only structure. The inclusion of mezzanine debt would slightly reduce the available amount of senior debt thereby pushing up the cost of the mezzanine debt beyond its nominal cost. In our opinion, it is unlikely to leverage the expected equity returns you indicated last week and is therefore, for this transaction, not an attractive source of financing.” 2.6.1. In onderdeel 17 van de in onderdeel 17 van de uitspraak rechtbank vermelde Senior Facility Agreement ( [AmA] ) van het syndicaat van banken is onder meer het volgende vermeld: “17. FEES17.1. Commitment Fee(…)17.2 Arrangement FeesSubject to a Utilisation being made under this Agreement, the Parent shall pay to the Arrangers an arrangement fee in the amount and at the times agreed in a Fee Letter.” 2.6.2. Met de ‘Parent’ is in de [AmA] gedoeld op [W] B.V. en Utilisation betekent volgens de definitiebepalingen van de [AmA] : ‘a Loan or a Letter of Credit’. 2.6.3. In een mede door [W] B.V. ondertekende brief van het syndicaat van banken van 12 januari 2011 is onder meer het volgende vermeld: “ [W] B.V. – Arrangement Fee LetterWe refer to a facilities agreement dated on or about the date of this letter (…).(…)This is a Fee Letter referred to in Clause 17.2 (Arrangement Fee) of the Facilities Agreement.1. ARRANGEMENT FEE(
- a)The arrangement fee payable under Clause 17.2 (Arrangement Fee) of the Facilities Agreement is € 8,400,000 being an amount equal to 4.00 per cent (4.00%) of the Total Commitments as at the date of the Facilities Agreement (…).(…) 2. PAYMENTS(
- a)You hereby authorize the Agent to deduct the Arrangement Fee on the date of the first Utilisation of any of the Facilities, from the proceeds of that Utilisation.” 2.7. In de Eindrapportage [X] BV (‘Beoordeling Overnamefinanciering 2011’, p. 11) van de inspecteur (het stuk is ook vermeld in de uitspraak rechtbank onder 23.1) is onder meer het volgende vermeld: “Belastingplichtige heeft de acquisitie van de [N] in 2011 als volgt gefinancierd: [Hof: overzicht] Van de equity contribution heeft [F] circa 19% verantwoord als eigen vermogen.” 2.8.1. Tot de stukken behoort een ‘Financial Report’ 2011 van [H] , zoals ook vermeld onder 1.5 van de uitspraak rechtbank (hierna: het Fonds). In dit stuk is (voorts) onder meer het volgende vermeld: “GeneralThe General Partner herewith submits the audited Report and Financial Statements of [H] (“the Fund”) for the year ended 31 December 2011. The Financial Statements have been prepared in accordance with Clause 11.2(
- b)of the Limited Partnership Agreements of the Partnerships constituting the Fund.(…) PurposeThe purpose of the Fund is to carry on the business of investing and monitoring the performance of such investments (…).(…)General Partner of the General PartnerThe General Partner, [H] (General Partner) LP, is itself a limited Partnership which acts through its own General Partner, [H] Limited. The Directors of [H] Limited (…) are as follows:[AM][AN][AO](…) Notes to the Financial Statements1. Organisation and purposeThe Fund comprises [H] (No. 1) LP (the “No. 1 Partnership”), [Ae 1] LP (from 14 January 2011), [H] (No. 2) LP (the “No. 2 Partnership”), [H] (No. 3) LP (the “No. 3 Partnership”) and [H] (No. 4) LP (the “No. 4 Partnership”) (together “the Fund”). The No. 1, No. 2. No. 3 and No. 4 Partnerships invests in parallel under the terms of the [H] Co-Investment Deed dated 17 November 2008. [Ae 1] LP (the “Side Car Vehicle”) was established for the purpose of making investments alongside [H] (No. 1) LP, such that investors in [H] (No. 1) LP may, in certain instances, make a portion of their investment through the Side Car Vehicle rather than through the No. 1 Partnership.(…)2. Principal accounting policies(
- a)Basis of accounting(…)(
- b)Investments(…)The General Partner considers that investments in subsidiaries and associates are held as part of an investment portfolio with a view to ultimate realization of capital gains.(…)(
- h)Income(…)Certain investments held by the Fund bear interest but are subordinated to the secured bank lenders and mezzanine lenders of the relevant investment. Income may only be received by the Fund if approved by such lenders and therefore may be considered to be equity related in nature. Accordingly the income on these instruments is recognised on the same basis as that for equity shares, specifically when lender approval has been obtained and all necessary conditions for payment have been met.” Het totaal van de in het ‘Financial Report’ van het Fonds vermelde ‘loan accounts’ bedraagt per 31 december 2011 € 663.455.000. Het totaal van de partner’s accounts (inclusief de ‘loan accounts’) bedraagt per 31 december 2011 € 663.600.000. Van het totaal van de per 31 december 2011 binnen het Fonds aangewende en in het Financial Report als ‘Committed capital’ aangeduide commitments van de limited partners van tot het Fonds behorende limited partnerships (€ 707.454.000) is € 180.730.000 aangewend ten behoeve van de acquisitie van [Q] B.V. (Financial Report p. 17). Deze investering is in de ‘Notes to the Financial Statements’ opgenomen in het overzicht van de ‘Equity Investments’ (Financial Report p. 16). In het Financial Report van het Fonds is als inkomen over 2011 uitsluitend rente over bankleningen verantwoord (Bank interest € 217.000). Voorts is in het financial report een accountantsverklaring opgenomen ( [accountant] ), welke onder meer als volgt luidt: “This report is made solely to the partners, as a body (…).To the fullest extent permitted by law, we do not accept or assume responsibility to anyone other than the Fund and the partners as a body (…).” 2.8.2. In een brief van gemachtigde aan de inspecteur van 28 mei 2015 is het Financial Report van het Fonds als volgt toeglicht: “Zoals wij reeds hebben aangegeven (…) is de naam [H] slechts bedoeld voor commerciële doeleinden. Het [H] bestaat uit verschillende, economisch en juridische separate Limited Partnerships. Deze (…) entiteiten hebben geen juridische, accounting of fiscale verplichting om een geconsolideerde jaarrekening op te stellen. Voor communicatie naar de investeerders wordt echter (…) een geaggregeerde jaarrekening opgesteld van alle Limited Partnerships.” 2.9.1. In het Financial Report 2011 van [Ag] is onder meer het volgende vermeld: “Board of Directors(…)[AM] (…)[AP] (…)[AN] (…)[AQ] (…)(…) Balance SheetAs at 31 December 2011EUR Note 2011Non Current Assets 2 105,595,997Loan Receivable 105,595,997(…) (…) (…)Total Net Assets 106,363,944 Shareholders’Equity (…)Share Capital (…) 101Share Premium (…) 95,342,517Reserves (…) 11,021,326Total Shareholders’ Equity 106,363,944 (…) Notes to the Financial Statements (…)2. Loan Receivable(…)On 31 January 2011 the Company entered into an intercompany loan agreement with [X] B.V. (…). The Company is to provide 70.52881% of three facilities, A- EUR 50,000,000; B – EUR 45,000,000; C – EUR 40,000,000 to [X] B.V.” 2.9.2. In de geconsolideerde jaarrekening 2011 van het Fonds hebben de gezamenlijke LP’s een vordering van ca € 4 miljoen op de balans staan (pag. 9 en pag. 17 van de jaarrekening). In de Annual Reports 2011 van de Guernsey Limiteds die tot de gedingstukken behoren, zijn geen schuldverplichtingen vermeld aan de LP’s. 2.10.1. In een brief van belanghebbende aan de inspecteur van 19 november 2014 is onder meer het volgende vermeld: “Transfer pricing documentatieNaar onze mening hebben wij voldaan aan een onderbouwing van de zakelijkheid van de voorwaarden van de achtergestelde leningen zoals vereist onder art. 8b Vpb. Echter om tegemoet te komen aan uw vraag is [X] momenteel bezig met het verzamelen van een nadere onderbouwing. We zullen u hierover zo snel mogelijk separaat (…) informeren.” 2.10.2. In de ‘Interest benchmarking analysis’ van [As] van 15 december 2014, als vermeld onder 20 uitspraak rechtbank, is (voorts) onder meer het volgende vermeld: “3. Economic Analysis(…)3.1. Selection of transfer pricing method(…)Based on information provided by [belanghebbende] management, we identified one potential internal comparable within the group, namely a credit facility received in 2011 by [W] B.V. from a syndicate of six banks (…) (hereinafter referred to as “the Banks”). [W] B.V. has provided the Banks with a securitization by means of a pledge of the shares in [W] B.V. Furthermore, the intercompany Loans are subordinated to the credit facility received from the Banks. Therefore, the Lenders which provided the intercompany Loans to [belanghebbende] bear higher credit than the Banks in relation to the credit facility. Regarding pricing arrangements, the credit facility agreement also indicated that in addition to the interest rates, the borrower also has to pay commitment fees (quarterly) and combined facility and security agent fee (annually). This implies that due to the differences in characteristics, contractual terms and economic circumstances, the credit facility received from the third party deemed not to be comparable to the intercompany Loans.Hence, in the absence of internal CUPs, our analysis was based on the identification of external CUPs (…).3.2. Estimation of [belanghebbendes] credit rating(…) To determine the credit rating of [X] B.V., we have used a Ratio-Inferred-Rating (“RiR”) model. The RiR model allows the estimation of the creditworthiness of a company by comparison with other companies which are publicly rated, based on a number of (key) financial ratios. (…)Overall credit rating (estimated) CCC+(…)3.3. Interest rate benchmarking3.3.1. IntroductionIn order to benchmark the interest paid by [belanghebbende] in relation to the Loans, we have performed a search on Bloomberg. (…)However, the data published by Bloomberg does not cover the whole spectrum of issuer creditworthiness. For instance, Bloomberg does not publish composite yield curves for corporate debt rate “CCC+” (and denominated in EUR).(…) Because yield to maturity data with the same creditworthiness as [X] B.V. (i.e., with a credit rating of “CCC+”) was not available on Bloomberg, we have used lineair extrapolation to determine the market yield to maturity on EUR-denominated (industrial) corporate bonds with credit rating of “CCC+”. In other words, we have assumed that the increase in 10-year yields on bonds with credit ratings between “BBB-“and “CCC”increases linearly with every notch increase (…). It is important to stress that in reality it is frequently observed that yields to maturity increase more than linearly with creditworthiness downgrades (...).(…)Hence, the linear extrapolation exercise performed is likely to underestimate the interes rate that a CCC+ rated company would have paid in third party transactions. 4. Outcome of the analysis and conclusions Based on the analysis performed, we have concluded that in relation to the Loans, at arm’s length [belanghebbende] would have paid an interest of at least 10.64% (…).Furthermore, as Loan B is subordinated to Loan A, and Loan C is subordinated to Loan A and B, the level of risk attributed to each Loan is different. Therefore, the interest rate applied on Loan B is expected to be higher than the interest rate applied on Loan A. Similarly, the interest rate applied on Loan C is expected to be higher than the interest rate applied on Loan B. Based on our practical experience, the subordination premium applied on interest rates ranges at least from 0.5% to 1.5%. This implies that interest rate applied on Loan A should be increased by 0.5%-1.5% for determining the interest rate on Loan B, and accordingly increased by 1%-3% (which equals to two subordination premiums) to determine the interest rate on Loan C.” 2.11. Blijkens het daarvan opgestelde proces-verbaal hebben partijen zich ter zitting van de rechtbank – deels feitelijk deels rechtskundig – als volgt over de kwalificatie van het Fonds uitgelaten (belanghebbende en de inspecteur zijn aangeduid als ‘eiseres’ en ‘verweerder’): “In antwoord op vragen van de rechtbank verklaart de gemachtigde van eiseres:(…)Verweerder zegt dat [H] een open fonds voor gemene rekening is. Wij bestrijden dat, [H] is een closed fonds.(…)en verklaart verweerder(…)Wij komen uit op een open fonds voor gemene rekening. Nu er geen oprichtingsakte is, is het een open fonds. Er zijn meerdere fondsen aan verbonden. Er wordt niet voldaan aan artikel 2, tweede lid, van de Wet Vpb dus [H] kan alleen een open fonds voor gemene rekening zijn. Voor vervreemding is dan niet de toestemming van alle deelgerechtigden vereist, daar komt het dan op neer.Dat wij [H] eerder in de stukken als een limited partnership hebben aangeduid is een (…) fout. (…)Het feit dat de investeerders als limited partners verbonden zijn staat er niet aan in de weg om het fonds als open fonds aan te merken. Integendeel, het is een subfonds. Zo is het tegenwoordig heel vaak. Bijna alle fondsen zijn paraplufondsen, daarin zitten ongeveer 300 soorten aandelen. Het fenomeen subfonds is meer regel dan uitzondering. Wij kennen ook Nederlandse subfondsen, die doen gezamenlijk één aangifte want feitelijk is het één fonds. Zij krijgen dan ook één aanslag opgelegd. In feite is dat ook hier het geval. (…) In welk subfonds de investeerders terecht komen maakt ze dan ook niet uit. Duitse beleggers mogen alleen in specifieke fondsen investeren omdat ze anders administratieve problemen ondervinden bij het doen van aangifte. (…)Bij eiseres is sprake van één beleggingsbeleid en één management.” 2.12. In de motivering van het door belanghebbende ingediende bezwaar tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2011 (brief van [As] van 7 juli 2016) is onder meer het volgende vermeld: “Standpunt belanghebbende met betrekking tot de aftrekbaarheid van de acquisitie- en financieringskosten Belanghebbende heeft in de aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2011 de acquisitiekosten niet in aftrek gebracht en van de financieringskosten (fees, geen rente) een bedrag van € 11,4 miljoen (de [An] fee en de arrangement fee aan de banken) aan vooruitbetaalde kosten geactiveerd onder ‘Goodwill’.(…)[An] (€ 3.000.000)De [An] fee van in totaal € 3.000.000 bestaat uit een [Ana] met betrekking tot verschillende werkzaamheden die zijn uitgevoerd door [AnA] M&A (€ 2.850.000). Daarnaast is er een loan syndication fee (€ 150.000) in rekening gebracht.De loan syndication fee van € 150.000 heeft volledig betrekking op diensten van de [An] in het kader van de bankfinanciering aan [Ad] B.V. Zodoende zouden deze kosten volledig moeten kwalificeren als directe financieringskosten en als zodanig volledig aftrekbaar moeten zijn in 2011.(…)- [An] fee: In 2011 is een bedrag van € 430.174 aan [An] kosten afgeschreven. Wij zijn van mening dat de volledige [An] fee van € 3.000.000 aftrekbaar zou moeten zijn in 2011. Zodoende leidt dit tot een extra aftrek van € 2.569.826.- Financieringskosten: In 2011 is een bedrag van € 1.204.488 aan financieringskosten afgeschreven. Dit betreft de afschrijving op de arrangement fee van € 8.400.000 die aan de banken is betaald voor de Senior Facility. Wij zijn van mening dat de arrangement fee volledig aftrekbaar zou moeten zijn in 2011.” 2.13.1. Ter ziting van het Hof is namens belanghebbende onder meer het volgende verklaard: “Het Hof houdt in dit verband rechtsoverweging 88 van de rechtbankuitspraak voor waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat de investeerders risicodragend eigen vermogen aan het fonds ter beschikking hebben gesteld. Ik heb tegen deze overweging geen bezwaar. Wel maak ik bezwaar tegen het oordeel dat sprake is van risicodragend vermogen. Het Hof houdt mij voor dat dit niet eerder is aangevoerd. Waar het volgens mij om gaat is het volgende. De investeerders leggen geld in. [F] beslist of het kapitaal wordt dan wel leningen. Daar wordt de hele structuur omheen gebouwd. De investeerders vertrouwen op de allocatie eigen vermogen/vreemd vermogen. Welke allocatie? Dat is de allocatie van gelden die het fonds doet binnen de structuur. Op de vraag van het Hof of investeerders bij bijvoorbeeld een investering van 10 miljoen euro het geld uit handen hebben gegeven ter goeddunken van het fonds, antwoord ik als volgt. Dat klopt; het beheer is in vrije hand van [F] . Op de vraag van het Hof of het aan [F] door investeerders gecommitteerde vermogen het vermogen van de investeerders heeft verlaten, antwoord ik dat dit klopt. [F] beslist in welke partnerships wordt geïnvesteerd.(…) Over het ter zake van de Loan Notes overeengekomen rentepercentage. Het rentepercentage is onderbouwd met het rapport van [As] . Op welke wijze is evenwel, toen dit rapport er nog niet was (het is pas later opgesteld), bij het tot stand komen van de aandeelhouderslening in 2011 het rentepercentage bepaald? Waar is dit toen op gebaseerd? Ik weet dit niet. Ik moet u het antwoord daarop schuldig blijven. [AR] [Hof: bestuurder van belanghebbende] gaf zojuist non-verbaal aan dit ook niet te weten. Ik denk dat [F] voor het doen van een investering in beeld brengt, heel nauwlettend gaat modelleren, welk rentepercentage een onderneming kan betalen en nog kan dragen; in dit geval triple c. Achteraf is gebleken dat het rentepercentage in ieder geval juist is bepaald.(…)Op de vraag van het Hof wie de feitelijke bestuurders zijn van de general partner, antwoord ik als volgt. In 2011 waren dat [AM] en [AN] . Waren zij in dienstbetrekking en zo ja waar? Zij waren in dienstbetrekking bij [I] Management Limited te Guernsey. Deze Ltd. is een zogenoemde ‘employment entity’. Wie is aandeelhouder van deze Ltd.? Dat zijn de eigenaren van [F] ; voor een deel [g] partners en voor een deel de [g] familie.” 2.13.2. Ter ziting van het Hof is namens de inspecteur onder meer het volgende verklaard: “Ik heb in mijn pleitnota gewezen op een uitspraak van dit Hof van 26 mei 2020 [ECLI:NL:GHAMS:2020:1407]. Daarin wordt door het Hof onder andere uitleg gegeven aan het begrip ‘groep’. Bij een vergelijkbare redenering stel ik mij voor dit jaar op het standpunt dat [Aj] en het management buiten de groep vallen. Het belang is een stuk geringer; bovendien is [Aj] een in Nederland gevestigde vennootschap en is zodoende sprake van een compenserende heffing. Voorts kan het Hof voor wat betreft de aan [Aj] verschuldigde rente die dan in zoverre aftrekbaar is, voor dit jaar voorbij gaan aan de borgstellingsanalogie; de discussie zakelijke/onzakelijke lening speelt dus voor wat betreft de lening van [Aj] hier eigenlijk niet. Het Hof kan uitgaan van de cijfermatige conclusie in het verweerschrift in hoger beroep. Op praktische gronden, kan het Hof ervan uitgaan dat de door [Aj] verstrekte Loan Notes zakelijk zijn. Indien het Hof zou vaststellen dat sprake is van een deelnemerschapslening, zullen de bij [Aj] in aanmerking genomen rente-inkomsten ambtshalve worden verminderd. (…) Over de onzakelijk lening. Ik heb daarvan de bewijslast. In dit verband verwijs ik naar de Bank Base Case (BBC), genoemd op pagina 20 van het eindrapport. Op de vraag van het Hof nader de in de BBC genoemde gegevens, toe te lichten, reageer ik als volgt. De cijfers zijn gebaseerd of ontleend op of aan de investeringsbeslissing van [F] om wel of niet over te gaan tot de aankoop van [N] . Die investeringsbeslissing is een document van 9 november 2010. Het document staat in het eindrapport vermeld. Ik zoek het bijlage nummer erbij. In private equity draait alles om cash. Voor de komende 5/6 jaar worden er prognoses gemaakt. In dit geval van december 2011 tot december 2018. Op basis van een voorzichtige bank prognose zijn banken bereid om bepaalde hoeveelheden geld te lenen. In 2011 was dat ongeveer 50 procent. Van de private equity investeerder wordt een minimum ‘equity contribution’ van 45 procent verlangd. Deze prognose heeft betrekking op de financiële afspraken; er wordt gekeken of er voldoende liquiditeit is om de rente op bankschulden te betalen en of er voldoende liquiditeit is om het aflossingsschema te volgen. ‘ICR’ staat voor Interest Coverage Ratio. Gekeken wordt hoeveel keer de rente kan worden betaald uit de EBITDA. Daarover worden waarden afgesproken. Dat de ICR oploopt houdt verband met het verdienmodel van private equity. Het doel is om de kasstroom van de target te verbeteren, om zoveel als mogelijk operationele cash te genereren. In december 2017 maakt de ICR volgens de prognose een sprong. Dat komt doordat de leningen aan de bank dan bijna zijn afgelost; de rente gaat omlaag, zodat de ICR omhoog gaat; in 2017 naar 24. Aan de hand van de prognose kan een inschatting worden gemaakt of kan worden voldaan aan de eisen van de banken. In regel 2 zijn de leningen van de aandeelhouders (shareholderloans) verwerkt. De vraag is namelijk of er voor een bedrijf nog ruimte is om op de kapitaalmarkt te lenen. De vraag is dan wat voor een creditrating dat bedrijf heeft en wat de ICR dan zou zijn; de ICR is veel lager voor een shareholdersloan. Voor de aandeelhouders is dit minder relevant; zij worden betaald bij eventuele verkoop. Ook al blijft de ICR in dit scenario min of meer gelijk, dit is niet wat banken zullen accepteren. Bij een ICR van 2 wordt een bank al ‘zenuwachtig’. Op de vraag van het Hof waarop ik dit baseer, antwoord ik als volgt. Dat is gebaseerd op de bijgevoegde benchmark; die benchmark geldt als het minimum. De benchmark komt uit de facility agreement met de banken. Deze agreement behoort tot de stukken. Op de vraag van het Hof wat de benchmark-rente is die hoort bij een ccc rating, antwoord ik als volgt. Ik denk dat er geen leningen met kenmerken als de onderhavige aandeelhouderslening zijn te vinden in de databases waar dit type leningen worden geregistreerd. Er zijn geen met de aandeelhouderslening vergelijkbare leningen te vinden. Het betreft hier een benchmark van Bloomberg. De Belastingdienst heeft niet gegevens over of een database met leningen. Wij hebben soms licenties om een dergelijke database te raadplegen. Ik baseer mijn standpunt op het rapport van [As] zelf. Daarin is vermeld dat een zoekopdracht heeft plaatsgevonden in een database van Bloomberg en dat er geen vergelijkbare lening is gevonden. Over de managementcase. De bank case betreft de voorzichtige case. Daar zit een head room in. Een managementcase is vaak veel positiever ingestoken met de prognoses. Er wordt uitgegaan van hogere omzetten, meer cashflow en dus een betere ICR. Maar ook als ik de ICR voor de managementcase uitwerk dan levert dit, in vergelijking met de bankcase, geen beter beeld op. Ik kom dan uit op ook tripple c of b of b -. Er komen geen bruikbare ‘comparables’ uit; er zijn geen on-gelieerde partijen te vinden die dit soort leningen zouden verstrekken. Dat je ze niet kan vinden, kan ook betekenen dat ze er gewoon niet zijn.” 3 3. Geschil in hoger beroep Evenals voor de rechtbank is tussen partijen in geschil: de aftrekbaarheid van de rentelasten die verschuldigd zijn ter zake van de in onderdeel 15 uitspraak rechtbank vermelde ‘Loan Notes’, en de aftrek van de kosten van financiering van de verwerving van de [N] door belanghebbende. De volgende vragen zijn daarbij in het bijzonder aan de orde: Dienen de Loan Notes civielrechtelijk te worden beschouwd als eigen vermogen dan wel als lening? Indien de Loan Notes civielrechtelijk als lening moeten worden beschouwd: (
- a)Zijn de Loan Notes aan te merken als een zogenoemde schijnlening? En zo neen: (
- b)Zijn de Loan Notes onder zodanige voorwaarden aangegaan dat deze feitelijk functioneren als eigen vermogen van belanghebbende (artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969; hierna: de Wet)? 3. Indien de Loan Notes niet feitelijk functioneren als eigen vermogen: (
- a)is het aangaan van de Loan Notes door belanghebbende als een onzakelijke handeling aan te merken, en(
- b)zijn de voorwaarden waaronder de Loan Notes zijn aangegaan zodanig dat (één of meer van) die geldverstrekkingen zijn aan te merken als een zogenoemde onzakelijke lening en, zo ja: in hoeverre verhindert dit de aftrek van de in geschil zijnde rentelasten? 4. Indien en voor zover de ter zake van de Loan Notes in aanmerking genomen rentelasten zakelijke lasten van belanghebbende zijn: staat artikel 10a van de Wet aan de aftrek van die rentelasten in de weg? 5. Indien en voor zover de in aanmerking genomen rentelasten zakelijke lasten van belanghebbende zijn, en artikel 10a van de Wet niet aan aftrek van die rentelasten in de weg staat: verhindert artikel 10d van de Wet de aftrek van die rentelasten? 6. Indien en voor zover de beantwoording van de vragen 1 tot en met 5 niet aan de aftrekbaarheid van de rentelasten in de weg staat: is aftrek van de rentelast niet toegestaan op grond van het leerstuk fraus legis? 7. Zijn de kosten van verwerving van de door middel van belanghebbende verworven vennootschappen (hierna: de [N] ) en van de financiering daarvan aftrekbaar? 8. Dienen de zogeheten Arrangement Fee en de Loan Syndication Fee te worden geactiveerd? 4 4. Beoordeling van het geschilCivielrechtelijke kwalificatie van de Loan Notes4.1.1. De rechtbank heeft omtrent de vraag of de Loan Notes civielrechtelijk als een lening moeten worden beschouwd dan wel of deze geldverstrekkingen slechts in schijn een lening zijn het volgende overwogen: “35. Gekwalificeerd naar civielrechtelijke maatstaven zijn de Intercompany Leningen of Loan Notes volgens verweerder te beschouwen als eigen vermogen en niet als geldlening. Voorts stelt hij dat sprake is van schijnleningen. Partijen hebben in werkelijkheid een kapitaalstorting beoogd (relatieve schijnhandeling). Ter onderbouwing hiervan heeft verweerder het volgende aangevoerd. 35.1. De achtergestelde leningen kunnen niet los worden gezien van de overige afspraken die zijn gemaakt met de investeerders (Private Placement Memorandum, LPA’s), gelieerde partijen (Investment Agreement) en derden (de banken). Partijen hebben niet de bedoeling om af te lossen op de leningen, anders dan bij een ‘exit’ waarbij alle Shareholder Instruments bij opheffing van de structuur ineens worden terugbetaald. Indien bij de opheffing van [H] nog geen exit heeft plaatsgevonden, dan ontvangen de investeerders een aandelenbelang in de betreffende portfolio company. 35.2. Verweerder heeft in dit verband verder naar voren gebracht dat de aandeelhouders (in de Investment Agreement) en de externe banken (in het Structure Memorandum) nadere, deels niet-bekende afspraken hebben gemaakt over de intercompany Loan Notes, waarop de externe banken zeggen te vertrouwen. Eiseres heeft het originele Structure Memorandum niet verstrekt. De nadere geheimgehouden afspraken zijn waarschijnlijk van invloed op het karakter van de geldverstrekking en de betekenis of beter gezegd: het gebrek aan betekenis van de in de Intercompany Loan Agreements vastgelegde voorwaarden, zo stelt verweerder. 35.3. Voor alle partijen is volgens verweerder sprake van verstrekking van eigen vermogen, terwijl eiseres jegens de Nederlandse fiscus de tegenovergestelde indruk wil wekken, namelijk dat sprake is van vreemd vermogen. Vanuit de banken bezien functioneren de Loan Notes volledig als risicodragend eigen vermogen, hetgeen in overeenstemming is met hun financieringseisen. Voor de investeerders is sprake van een equity investment in de [N] , zo stelt verweerder onder verwijzing naar het Private Placement Memorandum en [I] Annual Review 2010 (zie onderdeel 1). Aan de ondernemingsraad van de [N] is voorts het beeld geschetst dat [H] [H] uit haar eigen vermogen de overname van de [N] met 50% eigen vermogen zou financieren. 35.4. In zijn pleitnota heeft verweerder in dit verband nog gewezen op de vorm en inhoud van de Intercompany Loan Agreements, namelijk dat deze in verhouding tot de overeenkomsten met de banken zeer summier zijn, dat de voorwaarden van de leningen zonder benchmarks ‘uit de lucht komen vallen’ en de achtergestelde leningen naar verhouding duur zijn. 36. Bij de beoordeling van de door verweerder ingenomen standpunten, stelt de rechtbank het volgende voorop. Voor de beantwoording van de vraag of een geldverstrekking als hier aan de orde voor wat betreft de fiscale gevolgen als een geldlening dan wel als een kapitaalverstrekking heeft te gelden, is in beginsel de civielrechtelijke vorm beslissend. Er is sprake van een schijnlening indien alleen naar de schijn sprake is van een lening, terwijl partijen in werkelijkheid hebben beoogd een kapitaalverstrekking tot stand te brengen (HR 27 januari 1988, nr. 23 919, ECLI:NL:HR:1988:ZC3744, BNB 1988/217 (hierna ook aangeduid als BNB 1988/217) en HR 25 november 2011, nr. 08/05323, ECLI:NL:HR:2011:BN3442, BNB 2012/37 (hierna ook aangeduid als BNB 2012/37)). Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat het bewijsrisico met betrekking tot de aanwezigheid van een schijnlening ligt bij de partij die zich op haar bestaan beroept, hetgeen wil zeggen dat in casu de bewijslast dienaangaande rust op verweerder. 37. De rechtbank volgt verweerder niet voor zover hij zich op het standpunt stelt dat de achtergestelde leningen civielrechtelijk niet kunnen worden aangemerkt als geldlening en dienen te worden beschouwd als eigen vermogen. Naar vorm en inhoud betreffen het leningovereenkomsten. De stellingen die ertoe strekken dat ze in verhouding tot overeenkomsten met derden summier zijn of onzakelijk, kunnen niet leiden tot een ander oordeel. Uit de in de onderdeel 16 van deze uitspraak weergegeven voorwaarden van de Intercompany Loan Agreements volgt dat er sprake is van een terugbetalingsverplichting. Terugbetaling van de lening, inclusief bijgeschreven rente, geschiedt uiterlijk na 10 jaar minus twee werkdagen. Er is geen tussentijds aflossingsschema overeengekomen. Onder voorwaarden kan eiseres eerder terugbetalen aan de geldverstrekkers, waarbij rekening wordt gehouden met de onderlinge rangorde van de achtergestelde leningen (artikel 5 van de Intercompany Loan Agreements). De achtergestelde leningen zijn onmiddellijk opeisbaar ingeval van ‘an Event of Default which is continuing’ (artikel 8.2 van de Intercompany Loan Agreements). Het feit dat de rente wordt bijgeschreven en niet gedurende de looptijd wordt betaald, doet niet af aan de kwalificatie als geldlening aangezien dit de verplichting tot terugbetaling niet wegneemt. Op basis van artikel 6 van de Intercreditor Agreement is tussentijdse terugbetaling weliswaar afhankelijk van de toestemming van de banken, maar deze voorwaarde doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het bestaan van de terugbetalingsverplichting. De andere door verweerder genoemde afspraken, zoals het Private Placement Memorandum, de LPA’s, de Investment Agreement en de [AmA] , doen evenmin af aan het bestaan van een terugbetalingsverplichting. 38. De stellingen van verweerder die ertoe strekken dat de betrokken partijen waren gericht op het behalen van een rendement bij een verkoop van de [N] (exit) waarbij alle Shareholder Instruments ineens worden terugbetaald ten gunste van de (middellijk) aandeelhouders en dat het niet de bedoeling van partijen is geweest om een geldlening te verstrekken, doen er niet aan af dat naar de vorm sprake is van een geldlening en een terugbetalingsverplichting. Een materiële toetsing van de terugbetalingsverplichting is in dit kader niet aan de orde (vgl. HR 8 september 2006, nr. 42 015, ECLI:NL:HR:2006:AV2327, BNB 2007/104, r.o. 3.4). 39. Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat de achtergestelde leningen dienen te worden aangemerkt als schijnleningen, oordeelt de rechtbank als volgt. Gelet op het bovenvermelde toetsingskader ligt het op de weg van verweerder om te bewijzen dat in weerwil van de Intercompany Loan Agreements de wil van eiseres en de leningverstrekkers ( [W] , [Aa] , [Ab] en [Ag] , [Aj] B.V. en later ook de managers) was gericht op het verschaffen van kapitaal. De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder genoemde feiten en omstandigheden - ook in onderlinge samenhang bezien - niet leiden tot de conclusie dat de werkelijke bedoeling van eiseres en de achtergestelde leningverstrekkers er niet op was gericht om een lening te verstrekken. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt. 40. Ervan uitgaande dat het steeds de bedoeling van partijen is geweest om de [N] te verkopen en de hoofdsom en het rendement daarop bij verkoop uit te keren, maakt zulks nog niet dat partijen met de achtergestelde leningen in werkelijkheid kapitaal hebben beoogd te verstrekken. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat de wil van eiseres en van de leningverstrekkers ( [W] , [Aa] , [Ab] en [Ag] , [Aj] B.V. en management) met de achtergestelde leningen was gericht op het verschaffen van kapitaal. In de jaarrekeningen 2011 van [W] , [Aa] , [Ab] en [Ag] en in die van eiseres zijn de achtergestelde leningen inclusief aangegroeide rente aangemerkt als vordering (‘Loan Receivable’) respectievelijk vreemd vermogen (‘Non-current liabilities’) en is de in dat jaar aangegroeide rente verantwoord als ‘Loan interest’, hetgeen erop wijst dat naar derden toe de achtergestelde leningen als vreemd vermogen zijn gepresenteerd. De door verweerder ingenomen stelling dat het verstrekken van vreemd vermogen was gericht op het verkrijgen van renteaftrek voor de Vpb brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel en wijst er juist op dat het bedoeling van de betrokken partijen was om een geldlening te verstrekken. De verwijzing naar de bedoeling van andere partijen dan de bij de leningovereenkomsten betrokken partijen, zoals de banken, de investeerders en de ondernemingsraad van de [N] , acht de rechtbank niet relevant voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een schijnhandeling. Het gaat in casu om de vaststelling van de motieven van de bij de achtergestelde lening betrokken partijen. Indien de achtergestelde leningen door de banken, investeerders of de ondernemingsraad van de overgenomen [N] als eigen vermogen wordt gezien, betekent dat nog niet dat dit ook zo is voor eiseres. Blijkens de in onderdeel 17.4 weergegeven [AmA] , schedule 2, part 1B, artikel 3, letter a, is bovendien met de banken afgesproken dat de minimaal geëiste equity inbreng zowel in de vorm van storting van kapitaal als in de vorm van een achtergestelde aandeelhouderslening kon gebeuren. Het ging de banken erom dat zij preferent waren ten opzichte van andere schuldeisers en verder niet om de juridische vorm waarin de eigen middelen werden ingebracht; de omstandigheid dat de bankrapportages en financial covenants in artikel 26 van de [AmA] geen onderscheid maken tussen de leningen en het eigen vermogen, acht de rechtbank niet relevant. 41. Voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder niet heeft bewezen dat de Intercompany Leningen schijnleningen zijn.” 4.1.2. De inspecteur stelt ook in hoger beroep dat de verplichting die belanghebbende uit hoofde van de Loan Notes heeft civielrechtelijk gelijk is aan haar verplichting jegens de verstrekkers van kapitaal. De rechtbank heeft volgens de inspecteur ten onrechte de stelling verworpen dat civielrechtelijk sprake is van een verstrekking van kapitaal. Daarnaast heeft de inspecteur in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat de Loan Notes slechts in schijn een lening zijn, omdat belanghebbende en de Guernsey Limiteds in werkelijkheid een kapitaalverstrekking zouden hebben beoogd. 4.1.3. Belanghebbende blijft in hoger beroep bij hetgeen zij in eerste aanleg heeft betoogd en volgt de beslissing van de rechtbank. 4.1.4. Het Hof sluit zich ter zake van de vraag of de Loan Notes civielrechtelijk een lening zijn dan wel als een schijnlening moeten worden gekwalificeerd aan bij het oordeel van de rechtbank in respectievelijk de onderdelen 36-38 en 39-40 daarvan. Hetgeen de inspecteur in hoger beroep tegen dat oordeel naar voren heeft gebracht brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Deelnemerschapslening 4.2.1. Over de vraag of de leningen onder zodanige voorwaarden zijn aangegaan dat deze feitelijk functioneren als eigen vermogen van belanghebbende, heeft de rechtbank het volgende overwogen. “42. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat de rente op de achtergestelde leningen niet in aftrek komt op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet Vpb en de daarbij behorende jurisprudentie (deelnemerschapslening). 43. In zijn arrest van 5 juni 1957, nr. 13 127, ECLI:NL:HR:1957:AY1891, BNB 1957/239, oordeelde de Hoge Raad dat aan een schuldeiser uitgedeelde winst voor de schuldenaar niet meer als kosten van het bedrijf wordt beschouwd: ‘wanneer het winstaandeel een onderdeel vormt van de regeling ener verhouding tussen schuldeiser en schuldenaar, welke den schuldeiser zo nauw bij het bedrijf van den schuldenaar betrekt dat hij daarin in zekere mate deel heeft.’ 44. Zoals hiervoor overwogen in onderdeel 36 is voor de beantwoording van de vraag of in de fiscale sfeer een geldverstrekking door een schuldeiser aan een ondernemer als een geldlening dan wel als een kapitaalverstrekking heeft te gelden, als regel de civielrechtelijke vorm beslissend. Deze regel lijdt onder meer uitzondering, indien de lening wordt verstrekt onder zodanige voorwaarden dat de schuldeiser met het door hem uitgeleende bedrag in zekere mate deelheeft in de onderneming van de schuldenaar, zo volgt uit eerdergenoemd arresten BNB 1988/217 en BNB 2012/37, alsmede uit het arrest van de Hoge Raad van 11 maart 1998, nr. 32 240, ECLI:NL:HR:1998:AA2453, BNB 1998/208 (hierna ook aangeduid als BNB 1998/208). In laatstvermeld arrest (BNB 1998/208) oordeelde de Hoge Raad voorts dat aan deze voorwaarden slechts is voldaan indien de vergoeding voor de geldverstrekking afhankelijk is van de winst, de schuld is achtergesteld bij alle concurrente schuldeisers en de schuld geen vaste looptijd heeft doch slechts opeisbaar is bij faillissement, surséance van betaling of liquidatie. Nu de winstdelende obligaties in laatstgenoemde zaak een vaste looptijd hadden, oordeelde de Hoge Raad dat niet aan alle criteria was voldaan. De omstandigheid dat de looptijd 50 jaar bedroeg, bracht niet mee dat daaraan voor de vraag of de obligatiehouders in de onderneming van de belanghebbende in zekere mate deelhadden, betekenis moest worden ontzegd, aldus genoemd arrest. 45. Indien de verschuldigdheid van de vergoeding niet afhankelijk is van de winst, is geen sprake van in een zekere mate deelhebben in de onderneming van de schuldeiser, zo volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 17 februari 1999, nr. 34 151, ECLI:NL:HR:1999:AA2655, BNB 1999/176 (hierna ook aangeduid als BNB 1999/176). Een looptijd van een lening van meer dan 50 jaar is zodanig lang dat aan de omstandigheid dat de lening in casu een vaste looptijd had van 95 jaar zelfstandige betekenis moet worden ontzegd, zo volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 25 november 2005, nr. 40 989, ECLI:NL:HR:2005:AT5958, BNB 2006/82 (hierna: BNB 2006/82). Nu in laatstgenoemde zaak de vergoeding voor de lening vrijwel geheel winstafhankelijk was, oordeelde de Hoge Raad dat de lening kwalificeerde als een deelnemerschapslening als bedoeld in BNB 1998/208. 46. Verweerder stelt dat de vergoeding op de achtergestelde leningen winstafhankelijk is, dat de leningen zijn achtergesteld bij alle andere crediteuren en dat de leningen (gedurende de looptijd van de structuur) geen aflossingsverplichting kent, zodat in casu geen sprake is van een vaste looptijd. Eiseres stelt zich op het standpunt dat, gelet op BNB 2018/60, de criteria voor de deelnemerschapslening niet materieel, maar formeel moeten worden beoordeeld en dat aldus bezien geen sprake kan zijn van een deelnemerschapslening. De Intercompany Leningen hebben immers een vaste looptijd van 10 jaar minus twee werkdagen en de rentevergoeding is vast zodat de verschuldigdheid van de vergoeding niet winstafhankelijk is, aldus eiseres. 47. Artikel 10, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet Vpb, luidt met ingang van 2007 als volgt: ‘1. Bij het bepalen van de winst komen niet in aftrek: (…) d. vergoedingen op een geldlening alsmede waardemutaties van de lening, indien de lening onder zodanige voorwaarden is aangegaan dat deze feitelijk functioneert als eigen vermogen van de belastingplichtige;’ 48. Tot 1 januari 2007 bevatte artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet Vpb in verbinding met het tweede lid tot en met het vierde lid van dit artikel een invulling van het begrip hybride lening. Van 2003 tot 2007 luidden deze bepalingen als volgt: ‘1. Bij het bepalen van de winst komen niet in aftrek: (..) d. vergoedingen op een geldlening alsmede waardemutaties van de lening, indien de lening onder zodanige voorwaarden is aangegaan dat deze feitelijk functioneert als eigen vermogen van de belastingplichtige. Hiervan is sprake indien zich met betrekking tot de geldlening – rechtens dan wel in feite – een omstandigheid voordoet als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, b of c; (…) 2. De in het eerste lid, onderdeel d, bedoelde omstandigheden zijn: a. de hoogte van de vergoeding op de geldlening is volledig afhankelijk gesteld van de winst of van de uitdeling van winst van de belastingplichtige of van een met de belastingplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a, vierde lid. De lening heeft geen vaste aflossingsdatum of een aflossingsdatum die meer dan 10 jaar is gelegen na het tijdstip van het aangaan van de lening; b. de hoogte van de vergoeding op de lening is gedeeltelijk afhankelijk gesteld van de winst of van de uitdeling van winst van de belastingplichtige of van een met de belastingplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a, vierde lid. Het niet van de winst afhankelijk gedeelte van de vergoeding bedraagt op het moment dat de vergoeding wordt overeengekomen minder dan de helft van de marktrente die geldt voor leningen met eenzelfde looptijd maar waarvan de vergoeding niet winstafhankelijk is. De lening heeft geen vaste aflossingsdatum of een aflossingsdatum die meer dan 10 jaar is gelegen na het tijdstip van het aangaan van de lening; c. de hoogte van de vergoeding is niet afhankelijk gesteld van de winst of van de uitdeling van winst van de belastingplichtige of van een met de belastingplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, maar de verschuldigdheid van de vergoeding is daarvan wel afhankelijk gesteld. De lening is achtergesteld en heeft geen vaste aflossingsdatum of een aflossingsdatum die meer dan 50 jaar is gelegen na het tijdstip van het aangaan van de geldlening. 3. Op het moment dat er een wijziging wordt overeengekomen in de vergoeding van een geldlening, wordt beoordeeld of gedurende de resterende looptijd het eerste lid, onderdeel d, op de geldlening van toepassing is. Bij een verschuiving van de aflossingsdatum naar een later tijdstip wordt voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel d, de geldlening geacht vanaf het tijdstip van totstandkoming van de geldlening die nieuwe aflossingsdatum te hebben gehad. 4. Ingeval een geldlening is verkregen van een lichaam waarmee de schuldenaar is gelieerd in de zin van artikel 8b, wordt voor de toepassing van het tweede lid geacht sprake te zijn van een van de winstafhankelijke vergoeding, indien rechtens dan wel in feite: a. geen vergoeding op de geldlening is overeengekomen, ofb. een vergoeding is overeengekomen die in belangrijke mate afwijkt van de vergoeding die in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zou zijn overeengekomen.’ In 2002 was de tekst van deze bepalingen gelijkluidend met dien verstande dat de tweede volzin van zowel onderdeel a als onderdeel b van het tweede lid als volgt luidde: ‘De aflossingsdatum is meer dan 10 jaar gelegen na het tijdstip van het aangaan van de geldlening.’ 49. In de memorie van toelichting is met betrekking tot deze tot 1 januari 2007 geldende bepalingen het volgende opgemerkt: ‘Hybride leningen zijn vermogensvormen die een mengvorm zijn van eigen vermogen en vreemd vermogen. Het zijn vermogensvormen die formeel het karakter hebben van een lening, maar materieel trekken kennen van eigen vermogen. In de jurisprudentie zijn enkele criteria geformuleerd op grond waarvan een vermogensvorm die formeel vreemd vermogen is, materieel als eigen vermogen kan worden bestempeld. Van belang is onder meer of de «lening» een winstafhankelijke vergoeding kent, een onbepaalde looptijd heeft en achtergesteld is ten aanzien van andere schuldeisers. De Studiegroep vennootschapsbelasting in internationaal perspectief heeft in haar rapport (…) aangegeven dat een nadere wettelijke invulling van deze criteria kan voorkómen dat louter fiscaal gedreven producten worden benut of ontwikkeld op het grensvlak van eigen en vreemd vermogen. Als randvoorwaarde noemde de Studiegroep dat bancaire producten of transacties die niet-fiscaal-geïndiceerd zijn, zoveel mogelijk ongemoeid moeten worden gelaten en dat het Nederlandse bedrijfsleven internationaal niet uit de pas gaat lopen. De voorgestelde regeling sluit aan bij deze aanbevelingen van de studiegroep.’ (Kamerstukken II 2001/2002, 28 034, nr. 3, p. 7) en ‘Overigens wordt met de regeling slechts beoogd een andere fiscale behandeling te geven aan hybride financieringsvormen dan het geval zou zijn op grond van de jurisprudentie waarbij de herkwalificatie van de geldlening in het geding is. Het gaat hierbij vooral om de arresten van 11 maart 1998 (BNB 1998/208) en van 17 februari 1999 (BNB 1999/176c). Dit betekent ook dat de voorgestelde regeling de mogelijkheden van de fiscus om in gelieerde verhoudingen het karakter van een lening of de hoogte van een rentevergoeding te corrigeren indien daarbij anders wordt gehandeld dan zou worden gedaan tussen onafhankelijke partijen, niet beperkt. Dit vloeit immers rechtstreeks voort uit de totaalwinst-gedachte, welke aan de toepassing van artikel 10 vooraf gaat. Met de voorgestelde maatregel is overigens geen limitatieve opsomming in de vennootschapsbelasting opgenomen. Voor een herkwalificatie op andere gronden, namelijk het leerstuk van schijn en wezen of het zogenoemde «bodemloze put» criterium blijft de relevante jurisprudentie haar gelding behouden. Ik denk hierbij in het bijzonder aan het arrest van de Hoge Raad van 27 januari 1988 (BNB 1988/217).’ (Kamerstukken II 2001/2002, 28 034, nr. 3, p. 27) 50. Met de Wet werken aan winst zijn de tweede volzin van art. 10, eerste lid, onderdeel d, en het tweede tot en met het vierde lid van artikel 10 geschrapt. Dit is als volgt toegelicht (Kamerstukken II 200506, 30 572, nr. 3, p. 18-19): ‘Hybride leningen zijn vermogensvormen die een mengvorm zijn van eigen en vreemd vermogen. Volgens burgerlijk recht zijn het leningen, maar materieel hebben zij kenmerken van eigen vermogen. Voor vennootschappen is het aantrekkelijk om hybride vermogensvormen aan te trekken, omdat de vergoeding erop (de rente) fiscaal aftrekbaar is, terwijl zij commercieel kunnen dienen ter versterking van het garantievermogen of toetsingsvermogen. Bij de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001 werd voor particuliere beleggers de vermogensrendementsheffing geïntroduceerd. Daardoor werd bij die beleggers de verstrekking van eigen en vreemd vermogen voortaan op dezelfde wijze in de grondslag van box III betrokken. Gevreesd werd dat dit de tendens van het ontwikkelen van producten op het grensvlak van eigen en vreemd vermogen zou kunnen versterken. Omdat de jurisprudentie weinig mogelijkheden bood voor het herkwalificeren van een lening tot eigen vermogen, adviseerde de Studiegroep Vennootschapsbelasting in internationaal perspectief onder voorzitterschap van de oud-staatssecretaris van Economische Zaken mevrouw Van Rooy in het rapport Verbreding en verlichting van 11 juni 2001 (…) tot een nadere wettelijke invulling van de door de Hoge Raad gehanteerde criteria (BNB 1998/208 en BNB 1999/176). Randvoorwaarde daarbij was dat bancaire producten of transacties die niet fiscaal geïndiceerd zijn, zoveel mogelijk ongemoeid zouden worden gelaten en het Nederlandse bedrijfsleven internationaal niet uit de pas zou gaan lopen. Dit heeft geleid tot het opnemen van een bepaling in de Wet Vpb waarin is geregeld dat de vergoeding op een lening niet aftrekbaar is als die lening bepaalde in de wet omschreven kenmerken heeft van eigen vermogen. Die nadere wettelijke invulling van het begrip hybride lening blijkt in de praktijk weinig te zijn toegepast. Dit lijkt er op te duiden dat de invoering van de vermogensrendementsheffing – anders dan destijds werd gevreesd – nauwelijks een impuls heeft gegeven aan de ontwikkeling van nieuwe producten op het grensvlak van eigen en vreemd vermogen. Verder is gebleken dat de destijds geformuleerde randvoorwaarden beperkingen opleggen aan de toepassing van die bepaling. Uit vooroverleg tussen belastingplichtigen en de Belastingdienst blijkt dat de praktijk de toepassing gecompliceerd vindt. Al met al lijkt de toegevoegde waarde van de nadere wettelijke invulling gering. Om die reden wordt voorgesteld de nadere wettelijke invulling te laten vervallen en te volstaan met de abstracte formulering «lening onder zodanige voorwaarden aangegaan dat deze feitelijk functioneert als eigen vermogen». Daarmee wordt weer teruggevallen op het onderscheid tussen eigen en vreemd vermogen aan de hand van de criteria die in de jurisprudentie zijn ontwikkeld.’ 51. In de artikelsgewijze toelichting (Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 3, p. 47) is voorts het volgende opgemerkt over het vervallen van de nadere specifieke wettelijke invulling van het begrip hybride leningen en de invulling van de door de Hoge Raad ontwikkelde criteria: ‘Het vervallen van het eerste lid, onderdeel d, tweede volzin, en van de leden twee tot en met vier behelst het vervallen van de nadere specifieke wettelijke invulling van het begrip hybride leningen. Dit zijn leningen die civielrechtelijk het karakter hebben van een vordering-schuld-verhouding, maar materieel de kenmerken vertonen van de verstrekking van eigen vermogen aan «de schuldenaar». De Hoge Raad heeft voor de afbakening tussen normale leningen en hybride leningen criteria ontwikkeld. Deze criteria zijn in essentie terug te vinden in het arrest HR 5 juni 1957, nr. 13 127, BNB 1957/239: er moet sprake zijn van «de regeling ener verhouding tussen schuldeiser en schuldenaar, welke den schuldeiser zo nauw bij het bedrijf van den schuldenaar betrekt dat hij daarin in zekere mate deel heeft». In latere arresten is dit nader ingevuld, met name in het arrest HR 11 maart 1998, nr. 32 240, BNB 1998/208. Hier vinden we een vergelijkbare formulering: »indien de lening wordt verstrekt onder zodanige voorwaarden dat de schuldeiser met het door hem uitgeleende bedrag in zekere mate deelheeft in de onderneming van de schuldenaar». Dit uitgangspunt wordt in dit arrest uitgewerkt in concrete criteria: «Aan deze voorwaarden is slechts voldaan, indien de vergoeding voor de geldverstrekking afhankelijk is van de winst, de schuld is achtergesteld bij alle concurrente schuldeisers en de schuld geen vaste looptijd heeft doch slechts opeisbaar is bij faillissement, surséance van betaling of liquidatie.» Het vervallen van de nadere specifieke wettelijke invulling van het begrip hybride leningen heeft