afdeling strafrecht parketnummer: 23-001337-20 datum uitspraak: 29 maart 2021 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 22 juni 2020 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-041410-20 (zaak A) en 15-051718-20 (zaak B) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Syrië) op [geboortedag 1] 1971, adres: [adres 1]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlasteleggingen Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: Zaak A met parketnummer 15-041410-20: 1.hij op of omstreeks 13 februari 2020 te Zaandam, gemeente Zaanstad, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 15 januari 2020 gegeven door de officier van justitie te Noord-Holland kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, niet contact mocht hebben met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en/of zich niet mocht ophouden binnen een straal van 100 meter van de woning op het adres [adres 2], door - naar de woning aan de [adres 2] te gaan en/of - op het raam van deze woning te kloppen; 2.hij op of omstreeks 20 januari 2020 te Zaandam, gemeente Zaanstad, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 15 januari 2020 gegeven door de officier van justitie te Noord-HOlland kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, geen contact mocht opnemen met [slachtoffer 1] geboren op [geboortedag 2]-1976 door in de supermarkt (vlak) langs deze [slachtoffer 1] te lopen en/of (telkens) op korte afstand naar deze [slachtoffer 1] te kijken/staren; Zaak B met parketnummer 15-051718-20 (gevoegd): hij in of omstreeks de periode van 01 maart 2017 tot en met 23 januari 2020 te Zaandam, gemeente Zaanstad, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1], door - voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] meermalen, althans veelvuldig, te achtervolgen en/of op te zoeken en/of - voornoemde [slachtoffer 1] meermalen, althans veelvuldig, te bellen en/of - meermalen, althans veelvuldig, (SMS-)berichten te sturen naar die [slachtoffer 1] en/of - meermalen, althans veelvuldig, langs de woning van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] te fietsen en/of - zich meermalen, althans veelvuldig, in de nabijheid van de woning van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] te bevinden, met het oogmerk die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof op onderdelen tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Ten aanzien van zaak A onder 1 De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte de juistheid betwist van hetgeen zijn ex-vrouw en oudste zoon hebben verklaard en dat de ondersteuning voor de gestelde onjuistheid kan worden gevonden in de door [naam 1] op 14 mei 2020 bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Aangeefster [slachtoffer 1] en haar zoon [slachtoffer 2] hebben ieder voor zich verklaard dat zij de verdachte op 13 februari 2020 omstreeks 23:15 uur bij de woning aan de [adres 2] hebben gezien. Het hof heeft geen enkele reden te twijfelen aan de juistheid van hetgeen aangeefster en haar zoon hebben verklaard. De enkele ontkenning van de verdachte dat hij daar was, is daarvoor niet voldoende. Het hof betrekt daarbij, evenals de politierechter, dat hetgeen [naam 1] bij de rechter-commissaris heeft verklaard niet uitsluit dat de verdachte die avond toch enige tijd uit zijn woning weg is geweest, nu deze getuige bij zijn verhoor bij de rechter-commissaris de mogelijkheid heeft open gelaten dat dit mogelijk zou zijn geweest als het “heel stiekem” was gebeurd. Dat geldt temeer nu [naam 1], toen de politie op de bewuste avond bij zijn woning kwam, wisselend heeft verklaard door eerst te zeggen dat de verdachte alleen naar de [winkel] was geweest en vervolgens dat de verdachte helemaal niet weg was geweest (dossierpagina 11). Het hof merkt nog op dat er verder geen enkel concreet aanknopingspunt is voor de juistheid van de stelling van de verdachte dat sprake is van een complot en dat zijn zoon door zijn ex-vrouw onder druk wordt gezet om te verklaren zoals hij heeft gedaan, nu aanwijzingen hiervoor in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting ontbreken. Ten aanzien van zaak A onder 2 De raadsman van de verdachte heeft voorts vrijspraak bepleit van het in zaak A onder 2 tenlastegelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte in de [winkel] was om boodschappen te doen en niet om aangeefster [slachtoffer 1] lastig te vallen. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij daar toen toevallig was en dat hij de aangeefster helemaal niet heeft gezien. Het hof overweegt dat de verklaring van de verdachte zijn weerlegging vindt in de bewijsmiddelen. Hieruit blijkt immers dat de verdachte gedurende ongeveer zes minuten in de [winkel] was, hij zich daar enkele malen in de richting van [slachtoffer 1] heeft bewogen, zeer dicht langs haar is gelopen, zich meerdere malen heeft omgedraaid in haar richting en haar vanaf een meter of tien gedurende ongeveer 20 seconden heeft aangestaard, zoals zij ook heeft bemerkt. Uit dit samenstel van gedragingen volgt dat de verdachte zich gedurende een zekere periode bewust in de omgeving van [slachtoffer 1] heeft opgehouden en – zo al aanvankelijk sprake was van een min of meer toevallige ontmoeting – hij zich niet aan die situatie heeft onttrokken door weg te gaan. Ten aanzien van zaak B De raadsman van de verdachte heeft ten slotte vrijspraak bepleit van het in zaak B tenlastegelegde wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Getuigen hebben de verdachte niet ter plaatse gezien en ook objectieve gegevens, bijvoorbeeld zendmastgegevens, ontbreken. Daarbij komt dat sprake is van zeer problematische gezinsverhoudingen. Het hof overweegt als volgt. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de gebruikte bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien een voldoende solide basis vormen voor een bewezenverklaring van het in zaak B tenlastegelegde. Dat niet méér onderzoeksgegevens beschikbaar zijn wijst niet op het tegendeel en doet hieraan ook overigens niet af. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat gelet op de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster [slachtoffer 1] en haar zoon – naar objectieve maatstaven bezien – zodanig zijn geweest dat zonder meer van een stelselmatige inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer kan worden gesproken. Het hof merkt nog op dat de gedragingen van de verdachte niet alleen volgen uit de verklaringen van aangeefster en haar zoon, maar ook uit verklaringen van buurtbewoners. Het hof verwerpt derhalve het verweer in alle onderdelen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht het hof het in zaak A onder 1 en 2 en zaak B tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen op de wijze als hierna weergegeven. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: Zaak A: onder 1hij op 13 februari 2020 te Zaandam, gemeente Zaanstad, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 15 januari 2020 gegeven door de officier van justitie te Noord-Holland, kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, geen contact mocht hebben met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en zich niet mocht ophouden binnen een straal van 100 meter van de woning op het adres [adres 2], door naar de woning aan de [adres 2] te gaan en op het raam van deze woning te kloppen; onder 2hij op 20 januari 2020 te Zaandam, gemeente Zaanstad, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 15 januari 2020 gegeven door de officier van justitie te Noord-Holland, kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, geen contact mocht opnemen met [slachtoffer 1] geboren op [geboortedag 2]-1976, door in de supermarkt vlak langs deze [slachtoffer 1] te lopen en naar deze [slachtoffer 1] te kijken/staren; Zaak B: hij in de periode van 1 maart 2017 tot en met 23 januari 2020 te Zaandam, gemeente Zaanstad, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], door - voornoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] meermalen te achtervolgen en op te zoeken en - voornoemde [slachtoffer 1] meermalen te bellen en - meermalen berichten te sturen naar die [slachtoffer 1] en - meermalen langs de woning van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] te fietsen en - zich meermalen in de nabijheid van de woning van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] te bevinden, met het oogmerk die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], te dwingen iets te doen en/of vrees aan te jagen. Hetgeen in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Bewijsmiddelen Ten aanzien van zaak A onder 1 en 2 Het hof neemt over uit het proces-verbaal dat één geheel uitmaakt met de aantekening van het mondelinge vonnis waarvan beroep, de bewijsmiddelen I, II, III, IV, V en VI. Het hof vult bewijsmiddel VI aan, in die zin dat het luidt: Op 15 januari 2020 heb ik aan verdachte [verdachte] zijn straat- en contactverbod uitgereikt. Ik heb dit gedaan met behulp van een tolk. Ik heb [verdachte] duidelijk uitgelegd dat mocht hij 'toevallig' iemand van het contactverbod tegen komen, dan MOET hij de situatie mijden. Dus dan zou hij weg moeten. Op 23 januari 2020 vertelde [slachtoffer 1] dat zij [verdachte] op 20 januari 2020 tegen is gekomen in de supermarkt [winkel], dat [verdachte] heel intimiderend langs liep en dat [verdachte] nog even stond te gluren. Ik ben naar de [winkel] gegaan en heb de camerabeelden (het hof begrijpt: van 20 januari 2020) gevorderd. Ik zag op de camerabeelden het volgende. Ik zag dat op 20 januari 2020 omstreeks 12.33 uur dat [slachtoffer 1] de supermarkt in liep en boodschappen deed. Ik zag dat [verdachte] (het hof begrijpt hier en hierna steeds: de verdachte) om 12.41 uur de [winkel] binnenliep. Ik zag dat [slachtoffer 1] op dat moment bij het schap van de actieproducten stond. Ik zag dat [verdachte] richting de actieproducten liep. Ik zag dat [verdachte] naar [slachtoffer 1] keek en dat [slachtoffer 1] hem nog niet had gezien. Ik zag dat [verdachte] vervolgens terug liep naar het brood maar niets uit het schap pakte. Hij draaide zich vervolgens om en liep in de richting van [slachtoffer 1]. Ik zag op de beelden dat hij heel gericht langs [slachtoffer 1] liep. Hij had op dat moment ook kunnen kiezen voor een ander pad. Ik zag dat hij zo dicht langs [slachtoffer 1] liep dat ik niet kon zien of hij haar aanraakte of dat hij vlak langs haar liep. Ik zag dat [verdachte] langs [slachtoffer 1] liep richting de koeling en daar enkele seconden bleef staan en meerdere keren omdraaide richting [slachtoffer 1]. Hij had geen oog voor het schap en pakte ook niets uit het schap. Ik zag dat [slachtoffer 1] bewoog naar de bananen. Terwijl zij bewoog liep [verdachte] om het schap aan de andere kant. Hij kon zo nog wel zicht houden op haar. Ik zag [verdachte] door liep naar de andere kant van de winkel. Ik zag dat [verdachte] over een pad liep dat zicht had op de plek waar [slachtoffer 1] stond op dat moment. Ik zag dat [verdachte] meerdere keren omkeek naar [slachtoffer 1]. Ik zag dat [verdachte] uit het zicht liep van [slachtoffer 1]. Ik zag dat [verdachte] hierna weer terug liep naar het pad waar hij zicht had op [slachtoffer 1]. Ik zag dat [slachtoffer 1] nog steeds bij de bananen stond. Ik zag dat [verdachte] op ongeveer 10 meter afstand van [slachtoffer 1] ging staan en dat hij 20 seconden staarde naar [slachtoffer 1]. Ik zag dat zijn blik vol gefocust was op [slachtoffer 1]. Ik zag dat hij vervolgens naar de kassa liep om af te rekenen en de winkel om 12.47 uur verliet. Ik zag dat [verdachte] ongeveer 1 minuut voor de winkel bleef wachten en naar de uitgang keek. Ik zag dat hij naar het raam van de [winkel] liep dat uitkeek op de kassa's en hier doorheen keek. Ik zag dat hij hier ongeveer 20 seconden door heen bleef kijken. Ik heb meerdere verhoren met [verdachte] gedaan. Ik herken hem. Ik kon bij binnenkomst duidelijk het gezicht van [verdachte] zien. Ten aanzien van zaak B Het hof neemt over uit het proces-verbaal dat één geheel uitmaakt met de aantekening van het mondelinge vonnis waarvan beroep, de bewijsmiddelen VII, VIII, IX, X, XI en XII. Het hof vult bewijsmiddel VII – de aangifte van [slachtoffer 1] – aan, in die zin dat het luidt als volgt: Op 27 oktober 2000 ben ik getrouwd met [verdachte]. Wij hebben samen drie kinderen gekregen. Half december 2016 kregen wij een woning op de [adres 2]. In maart 2017 was er weer een ruzie die uit de hand liep. Buren hebben toen de politie gebeld. Dit incident was voor mij de druppel om uit elkaar te gaan. Vanaf maart 2017 staat [verdachte] bijna elke dag voor de deur. Mijn buren geven ook aan dat ze hem vaak zien in de omgeving van mijn woning. Van maart 2017 tot 10 september 2019 heeft hij met telefoonnummer [telefoonnummer] mij berichten gestuurd. Hij stuurde met dit telefoonnummer meerdere berichten per dag. Voorbeelden hiervan zijn: - Ik kom eraan. Je moet de deur open doen. Als je niet open doet, ga je eraan; - Ik ga de kinderen van je afpakken want je gaat vreemd; - Daag mij uit, ik heb recht op de kinderen; - Neem op; - Maak geld over; - Doe open, ik wil je zien. Na 10 september 2019 krijg ik berichten via andere telefoonnummers. Hij blijft mij en de kinderen overal achtervolgen. Op 19 september 2019 rond 14:00 uur is mijn zoon [naam 2] door [verdachte] uitgescholden en heftig aangesproken. Mijn zoon kwam uit school en fietste naar huis. In het [plek 1] stond [verdachte] daar ineens. Hij zei: "Je moeder is een slet en je moet bij haar weg. Je moet bij mij komen. We kunnen terug naar Syrië". Op 20 september 2019 omstreeks 15:00 uur ging [verdachte] achter mijn zoon [slachtoffer 2] aan. [verdachte] vertelde hetzelfde verhaal. [verdachte] schreeuwde en schold naar [slachtoffer 2]. Op 20 september 2020 omstreeks 18:00 uur was ik met mijn jongste naar de voetbal. Wij zagen dat [verdachte] ons volgde. Op 1 oktober 2019 heeft een incident plaatsgevonden op de school van mijn jongste. [verdachte] liep het schoolplein op naar [naam 3]. [verdachte] mag eigenlijk de kinderen niet ophalen. Hij zei tegen [naam 3]: “Je moeder is een slet, je moeder is een hond, je moeder is slecht. Ik ga jullie ontvoeren en meenemen naar Syrië.” [verdachte] en ik zijn uit elkaar, maar ik heb nog steeds niet mijn eigen leven. [verdachte] bepaalt nog mijn hele leven en dat van mijn kinderen. Hij volgt ons overal naartoe. Mijn kinderen lijden hieronder. Ze presteren slecht op school en willen hun vader eigenlijk nooit meer zien. Ik wil dat dit stopt en dat wij een nieuw leven kunnen opbouwen. Ik wil dat mijn kinderen over straat kunnen zonder angst. Ik wil ook een normaal leven kunnen leiden, zonder elke dag op alles te letten. Het hof merkt op dat de juiste verwijzing bij bewijsmiddel XI is dossierpagina
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.