GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer: 200.261.848/01 zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland: C/15/271134/HA ZA 18-150 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 30 maart 2021 inzake 1 [appellant sub 1] , 2. [appellante sub 2] (e/v [appellant sub 1] ), beiden handelend in persoonlijke hoedanigheid als ook in hoedanigheid van vertegenwoordigers van [X], wonend te [woonplaats] , appellanten, tevens geïntimeerden in voorwaardelijk incidenteel appel, advocaat: mr. M.A.M. Euverman te Amsterdam, tegen 1STICHTING ATLAS COLLEGE, gevestigd te Hoorn, geïntimeerde, tevens appellante in voorwaardelijk incidenteel appel, advocaat: mr. B.M. Dijkstra te Alkmaar, 2STICHTING OBD NOORDWEST, gevestigd te Alkmaar, geïntimeerde, tevens appellante in voorwaardelijk incidenteel appel, advocaat: mr. D.M. Uithol te Rotterdam. 1Kern van de zaak 1.1. Partijen zullen hierna als volgt worden aangeduid: [appellant sub 1] als [appellant sub 1]; appellanten gezamenlijk (in enkelvoud) als [appellanten]; [X] als [X]; Stichting Atlas College als Atlas College; Stichting OBD Noordwest als OBD Noordwest. 1.2. Partijen strijden over de vraag of het Atlas College en OBD Noordwest hun zorgplicht hebben geschonden jegens [X] , de zoon van [appellanten] en oud-leerling op het Atlas College en jegens [appellanten] als ouders. [appellanten] vordert daartoe strekkende verklaringen voor recht, alsmede schadevergoeding van het Atlas College en van OBD Noordwest, een instelling die zich toelegt op onderwijsadvies. Het Atlas College en OBD Noordwest bestrijden dat zij hun zorgplicht hebben geschonden en zij betwisten de gestelde schade. 1.3. De rechtbank Noord-Holland (vestiging Alkmaar) heeft op 27 maart 2019 voor recht verklaard dat zowel het Atlas College als OBD Noordwest hun zorgplicht jegens [appellanten] hebben geschonden. De schadevorderingen en overige vorderingen heeft de rechtbank afgewezen. De procedure bij de rechtbank had het zaaknummer dat hierboven staat vermeld. 1.4. Met dit hoger beroep beoogt [appellanten] dat zijn (schade)vorderingen alsnog worden toegewezen. 2Feiten De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2 de feiten weergegeven die zij als vaststaand heeft aangenomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil. Samengevat staan de volgende feiten vast. 2.1. [appellanten] heeft een dochter, [Y] , en een zoon, [X] . [X] is geboren op [geboortedatum] 2000. 2.2. Toen het gezin na een jarenlang verblijf in het buitenland in Nederland is komen wonen, zijn beide kinderen op 6 januari 2014 gestart in de Internationale Schakelklas (hierna: ISK) van Scholengemeenschap Newton (hierna: SG Newton). Deze school valt onder het Atlas College. 2.3. De algemene gang van zaken voor kinderen in de ISK is dat zij op ieder moment kunnen doorstromen naar (regulier) vervolgonderwijs zodra de vorderingen van het betreffende kind daartoe toereikend zijn. 2.4. In maart 2014 is OBD Noordwest benaderd door Atlas College met het verzoek om onderzoek te doen naar de vraag naar welke vorm van voortgezet onderwijs [X] (en [Y] ) zou(den) kunnen doorstromen. Het onderzoek is uitgevoerd door mevrouw [A] (hierna: [A]), werkzaam als GZ-psycholoog bij OBD Noordwest. 2.5. Hiertoe is na telefonische toestemming van [appellanten] bij [X] een IQ-test afgenomen op 17 maart 2014. 2.6. Vervolgens heeft [A] een psychodiagnostisch onderzoek uitgevoerd, waarvan onderdeel was een op 21 mei 2014 door een medewerker van Atlas College ingevulde Sociaal Emotionele Vragenlijst (hierna: SEV) betreffende [X] . 2.7. Op grond van dit psychodiagnostisch onderzoek heeft [A] op 30 mei 2014 een rapport uitgebracht. Daarin schrijft zij onder meer: ‘Hulpvraag van school: De school wil graag weten of [X] in aanmerking komt voor een beschikking (Leerwegondersteunend Onderwijs (LWOO) of Praktijkonderwijs (PRO) ten behoeve van extra ondersteuning in het VO. Daarnaast wil de school graag weten welk onderwijsniveau op dit moment het best passend is. (…) Resultaten van de SEV: De leerkracht van [X] heeft de SEV (…) ingevuld. De SEV is een lijst die door de leerkracht wordt ingevuld om een beeld te verkrijgen van de sociaal-emotionele ontwikkeling van de leerling. Uit het profiel (zie bijlage) blijkt dat de leerkracht aangeeft dat [X] op school gedragsproblemen vertoont. Op de 4 hoofdschalen is er sprake van verhoogde problematieken (subklinisch gebied tot klinisch gebied hoog). (…) In het gesprekje tijdens het onderzoek met de WNV (zie algemene indruk en onderzoeksverloop) verwoordt [X] dat hij zich grote zorgen maakt over de situatie thuis (…). Begeleiding voor het gezin en nader onderzoek naar het gedrag van [X] vanuit een instituut zoals de GGZ, Stichting de Praktijk, het huis vol Compassie is noodzakelijk. Samenvatting en conclusie: Om een antwoord te krijgen op de vraag wat op dit moment het best passende onderwijsniveau is voor [X] en of hij in aanmerking komt voor een LWOO- of PRO-beschikking, is een non-verbaal intelligentieonderzoek (WNV (…)) afgenomen. Uit het intelligentieonderzoek blijkt dat [X] over gemiddelde non-verbale cognitieve mogelijkheden beschikt. Totaal IQ: 96 (…). Gezien zijn non verbaal cognitieve mogelijkheden zou een VMBO klas kadergerichte leerweg/theoretische leerweg binnen zijn mogelijkheden kunnen liggen. Advies In stappen in een VMBO klas kadergerichte leerweg/theoretische leerweg wordt op dit moment geadviseerd op grond van zijn non verbale mogelijkheden en zijn huidige taalvaardigheid. Bij de overstap naar het reguliere onderwijs zullen de laatste leerresultaten moeten aansluiten bij het schoolniveau en dus ondersteunend zijn bij de keuze bij definitieve plaatsing. [X] heeft veel ondersteuning nodig op het gebied van de Nederlandse taal. Verder onderzoek naar zijn gedrag (o.a. vlotte afleidbaarheid, druk gedrag, moeite om zich af te stemmen op leeftijdsgenootjes) is zeer wenselijk. Hiervoor kan contact worden opgenomen (na verwijzing door de huisarts) met instellingen zoals de GGZ, Stichting de Praktijk, het huis vol Compassie. Gezinsbegeleiding is tevens noodzakelijk. Dit kan ook door bovenstaande instellingen geboden worden.’ 2.8. Op 16 juni 2014 hebben [A] , [appellanten] en mevrouw [B] , de zorgcoördinator van Atlas College (hierna: [B]) het rapport van 30 mei 2014 gezamenlijk besproken. Bij e-mail van diezelfde dag met als onderwerp ‘evaluatiegesprek over [X] ’ heeft [appellanten] aan [B] , voor zover relevant, geschreven: ‘Bij deze mijn dank voor het gesprek van hedenmiddag en de evaluatie van de testen van [X] . Ik ben blij met de constateringen en de aanbevelingen, die ik zeker zal opvolgen. Ik ben blij te kunnen melden, dat we reeds morgenochtend (…) een afspraak hebben gemaakt bij de huisarts (…) om te bewerkstelligen dat hij [X] verwijst naar de GGZ. Ik zal u morgen van het resultaat op de hoogte brengen. (…) [X] is ook dagelijks aan het lezen in een Nederlands boek ter verbetering van zijn Nederlands; wellicht dat dit ook verder helpt in zijn ontwikkeling.’ 2.9. Bij e-mail van 19 juni 2014 met als onderwerp ‘evaluatiegesprek over [X] ’ heeft [appellanten] aan [B] (en de mentor van [X] ), voor zover relevant, geschreven: ‘Het is jammer dat er geen reactie uwerzijds komt op mijn bericht van eergisteren. U vroeg mij u op de hoogte te houden, maar op deze wijze is er geen communicatie mogelijk. Het lijkt een normale tendens om alles maar op de lange baan te schuiven, zo is mijn indruk. De verslagen van mevr. [A] waren ook al op 8 april j.l. klaar, maar toch duurde het nog twee maanden voordat wij dat onder ogen kregen, ondanks dat ik meer dan een maand geleden daarom heb verzocht - een reactie bleef ook daar lange tijd uit. Op 16 mei berichtte [de mentor van [X] ] mij dat de resultaten van het onderzoek de week daarop bekend zouden worden gemaakt. Dat strookt niet met de datum op het verslag. Dit kan ik niet als normaal beschouwen en deze werkwijze zal een snel resultaat altijd in de weg staan. Voorts hebben we nog eens de rapportage van [X] doorgenomen en zijn meer en meer tot de conclusie gekomen, dat we hierin onze zoon niet kunnen herkennen en zullen verder dan ook alleen met de huisarts zoeken naar oplossingen, als deze tenminste een probleem kan ontdekken. Wij zijn niet gebaat bij het lange wachten op reacties uwerzijds, dus vinden wij dat we deze weg moeten gaan bewandelen. (…) Ik verzoek u dan ook nadrukkelijk dit aan ons over te laten en u slechts te concentreren op het vervolgonderwijs voor [X] , want ik blijf van mening dat hij nodig naar een andere school moet om onder Nederlanders zijn taal verder aan te scherpen. (…) Het schooljaar is weliswaar bijna afgelopen, maar met wat goede wil moet het toch mogelijk zijn [X] aan het begin van het volgende schooljaar op een andere school ingeschreven en geplaatst te kunnen krijgen. Het is daarbij duidelijk dat er dan wel nu adequate acties genomen dienen worden en er geen verdere vertragingen worden gegenereerd. Wilt u mij van vorderingen dienaangaande op de hoogte houden?’ 2.10. Bij brief van 23 juni 2014 heeft [appellanten] een klacht ingediend bij de directeur van SG Newton, mw. [C] (hierna: [C]). Naar aanleiding hiervan heeft op 30 juni 2014 een persoonlijk gesprek plaatsgevonden tussen [B] , [A] , [C] en [appellanten] 2.11. Op 24 juni 2014 heeft er een telefoongesprek plaatsgevonden tussen [appellant sub 1] en [B] , waarbij [appellant sub 1] te kennen heeft gegeven dat hij alles wil laten rusten, dat hij de school niet (langer) toestemming geeft contact op te nemen met de huisarts, en dat school vanzelf ziet wat er gaat gebeuren (althans woorden van die strekking). 2.12. Op 25 juni 2014 heeft [B] bij Advies en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) een schriftelijk melding gedaan van (vermoedens van) kindermishandeling betreffende [X] . Daaraan voorafgaand heeft [B] telefonisch contact gehad met het AMK voor advies. Bureau Jeugdzorg heeft een huisbezoek afgelegd. Bij afsluitbrief van 25 juli 2014 heeft Bureau Jeugdzorg aan [appellanten] bericht de gemelde zorgen met betrekking tot eventuele kindermishandeling niet te kunnen bevestigen en het onderzoek af te sluiten. 2.13. [appellant sub 1] heeft op 14 juli 2014 per e-mail aan [C] en aan het bestuur van het Atlas College verzocht om een afschrift van de ingevulde SEV-lijst. [C] heeft dit vervolgens bij OBD Noordwest opgevraagd. Bij afwezigheid van [A] heeft mw. [D] , werkzaam bij OBD Noordwest, de ingevulde SEV aan [C] toegestuurd. Deze heeft de SEV op 22 augustus 2014 bij haar op kantoor met [appellanten] besproken. 2.14. Bij e-mail van 8 september 2014 heeft [C] [appellanten] op de hoogte gesteld van de doorstroomopties voor [X] ; zij heeft [appellanten] onder meer geschreven: ‘Op de OSG zou er plek zijn voor [X] in klas 1 mavo. (…) Er is op de OSG geen plaats voor een extra leerling in 1 mavo/Fast Lane. (…) Mijn vraag aan u is nu, ga ik door met de aanmeldingsprocedure voor plaatsing op korte termijn in mavo 1 (zonder Fast Lane) op de OSG of wilt u dan toch de keuze maken voor een school buiten de groep van het Atlas College? Ik wacht u antwoord af.’ 2.15. In antwoord hierop heeft [appellanten] bericht dat de aanmelding van [X] voor mavo 1 op OSG West-Friesland door kan gaan. Op 20 september 2014 is [X] gestart bij OSG West-Friesland in mavo klas 1. Een jaar later is [X] op het Tabor College gestart met tweetalig onderwijs havo klas 2. 2.16. Voor een second opinion heeft [appellanten] de ggz jeugdzorg-instelling De Praktijk (hierna: De Praktijk) aangezocht. In het rapport van De Praktijk d.d. 29 januari 2015 staat onder meer en voor zover relevant het volgende: ‘Integrale conclusie na multidisciplinair overleg d.d. 27 januari 2015: (…) Er is besloten om nieuw onderzoek te verrichten, waarbij er naast een verbale intelligentietest (afgenomen door een vrijgevestigde psycholoog d.d. 4-9-14) door Stichting De Praktijk een non-verbale intelligentietest is afgenomen. Ook is het zelfbeeld, het pestverleden, de familiebeleving, de schoolbeleving en het inlevingsvermogen van [X] in kaart gebracht. (…) Op basis van beide intelligentieonderzoeken kan geconcludeerd worden dat de Nederlandse taalachterstand die [X] heeft zijn prestaties aannemelijk gedrukt hebben. (…) Concluderend wordt een jongen gezien die als voertaal het Engels gebruikt. Zijn prestaties op de verbale intelligentietest zijn zeer waarschijnlijk gedrukt doordat hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. (…) Behandeladvies: Omdat er op basis van het onderzoek geen sprake is van psychopathologie, wordt het dossier van [X] bij Stichting De Praktijk afgesloten. Van belang is dat er aandacht is voor de Nederlandse taalachterstand van [X] om zijn achterstand in het onderwijs zoveel mogelijk te voorkomen. (…) Om de gameverslaving van [X] aan te pakken worden ouders verwezen naar [E] . (…) Mochten ouders het zelfbeeld van [X] willen versterken, dan kunnen zij hiervoor binnen de basis GGZ hulp zoeken bij een therapeut.’ 2.17. Op 18 november 2014 heeft [appellanten] (na afwijzing door het College van Bestuur van het Atlas College van een daar in juli 2014 ingediende klacht) een klacht ingediend bij de Landelijke Klachtencommissie Onderwijs (hierna: LKO). Bij beslissing van 18 maart 2015 is de klacht jegens [B] gegrond bevonden met betrekking tot inadequate communicatie en onvoldoende grond voor een AMK-melding. Voor zover relevant luidt de beslissing als volgt: ‘4. Overwegingen van de commissie Over de klacht dat de zorgfunctionaris niet adequaat met klagers heeft gecommuniceerd over hun zoon [X] overweegt de Commissie dat uit de stukken en het ter zitting verhandelde een beeld naar voren komt dat dit bevestigt. Zo is gebleken dat klagers er niet van op de hoogte zijn gesteld dat de mentorcontacten zouden worden overgenomen door de zorgcoördinator. Voorts heeft de zorgcoördinator, die immers de contacten van de mentor had overgenomen, op verschillende belangrijke momenten verzuimd klagers te informeren, bijvoorbeeld over het afnemen van het psychodiagnostisch onderzoek, over het invullen van de SEV alsmede over wie deze had ingevuld en over de redenen om te komen tot het onderzoek. De Commissie acht dit gebrek aan informatie van zodanige aard dat dit deel van de klacht gegrond wordt geacht. (…) De Commissie heeft aangaande de beoordeling van een AMK-melding door een school als vast beleid dat de school de bevoegdheid heeft om een melding te doen bij het AMK als de school zorgen heeft over de situatie van een leerling. Het enkele feit dat een school een melding doet, is in beginsel niet klachtwaardig tenzij op voorhand evident is dat er niets aan de hand was of is en de melding ten onrechte of op onjuiste gronden is gedaan. Hierover overweegt de Commissie dat de AMK-melding door de zorgcoördinator is gedaan, nadat zij op signalen over het gedrag van [X] in de klassensituatie op 24 juni 2014 telefonisch overleg met klager heeft gevoerd. Daarbij heeft blijkbaar met name de opmerking van klager dat hij niet mee wenste te werken aan begeleiding van [X] geleid tot de beslissing van de zorgcoördinator. De Commissie is van oordeel dat louter dit telefoongesprek redelijkerwijze onvoldoende basis kan vormen voor een zo vergaande en ingrijpende beslissing over te gaan tot een AMK-melding. Dat de zorgcoördinator bezorgd was over de uitlatingen van klager acht de Commissie begrijpelijk, maar voor een AMK-melding is meer dan het telefoongesprek nodig en het had op de weg van de zorgcoördinator gelegen om met klager een vervolgafspraak te maken voor nader overleg hierover. Dit geldt temeer, omdat klager op het moment van het telefoongesprek kenbaar voor de zorgcoördinator geagiteerd was door de inhoud van de rapportage op grond van het psychodiagnostisch onderzoek. Voorts had het op de weg van de zorgcoördinator gelegen om, omdat het om een dergelijke ingrijpende beslissing ging, over een mogelijke AMK-melding intern overleg te voeren met de directeur van de school. Door dit niet te doen en zelfs in strijd met de afspraken op school niet de locatiedirecteur te informeren, heeft zij ten onrechte nagelaten haar opvattingen bij een derde te toetsen. Aldus is naar het oordeel van de Commissie geen sprake van een valse maar wel van een ongefundeerde AMK-melding, omdat er onvoldoende aanleiding was voor een AMK-melding, zodat de klacht in zoverre gegrond is. De Commissie zal een aanbeveling aan het bevoegd gezag doen over het opstellen van een protocol waarin het doen van een AMK-melding door school is vormgegeven en waarin waarborgen worden opgenomen voor een zorgvuldige besluitvorming.’ 2.18. Naar aanleiding van een schriftelijke reactie van [appellanten] op de beslissing van de LKO, heeft de LKO bij brief van 30 april 2015 nog het volgende aan Atlas College bericht: ‘Het door u gemaakte onderscheid tussen een inhoudelijk en een procedureel oordeel over een AMK-melding is een onderscheid dat de Commissie niet hanteert. De Commissie beoordeelt binnen de haar toegestane marges de AMK-melding in zijn geheel. Daarbij geldt dat een AMK-melding een zwaar middel is dat middels een zorgvuldige procedure dient te worden gehanteerd. In de omstandigheden van dit geval (...) overweegt de Commissie dat louter het telefoongesprek van de zorgcoördinator met klager onvoldoende basis kon vormen voor de AMK-melding. Hiervoor was meer nodig. De zorgcoördinator had bijvoorbeeld een vervolgafspraak met klager moeten maken om met hem te overleggen over zijn weigering en om hem te wijzen op de consequenties daar van. Ook had intern overleg voor de hand gelegen. Door de stap over te slaan van verificatie, nader overleg en interne afstemming is het besluit om over te gaan tot een AMK-melding onvoldoende gefundeerd, reden waarom dit klachtonderdeel gegrond is verklaard.’ 2.19. Op 18 november 2014 heeft [appellanten] een klacht ingediend tegen [A] (en Augusteijn) bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam (hierna: het Regionaal Tuchtcollege). Bij beslissing van 29 december 2015 oordeelt het Regionaal Tuchtcollege voor zover relevant als volgt: ‘5.1. Het college wijst er allereerst op dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep terzake als norm of standaard was aanvaard. 5.2. Het eerste klachtonderdeel betreft het ontbreken van rechtsgeldige toestemming voor het afnemen van de WNV-test en de SEV en het overhandigen van de rapportage aan school. Ter terechtzitting heeft verweerster verklaard dat tussen de onderwijsbegeleidingsdienst en de school afspraken zijn gemaakt over ‘het onderzoeksproces’. Dit houdt onder meer in dat de school als opdrachtgever de gezagdragende ouders informeert over het onderzoek verstrekt en hiervoor van hen schriftelijke toestemming vraagt. Onder III 3.2.3 van de NIP Beroepscode voor psychologen 2007 staat: “De psycholoog kan uitsluitend een professionele relatie met iemand aangaan of voortzetten met diens toestemming. Die toestemming is echter niet nodig als de professionele relatie tot stand komt als gevolg van een opdracht door een externe opdrachtgever die daartoe een door de wet toegestane bevoegdheid heeft”. De school is niet een dergelijke opdrachtgever, zodat verweerster ondanks de afspraken met de school een eigen verantwoordelijkheid heeft met betrekking tot het informeren over het verkrijgen van toestemming voor het onderzoek van de minderjarige. (…) 5.4 Niet ter discussie staat dat klagers mondeling toestemming hebben gegeven voor de WNV-test. Het college is van oordeel dat gezien de omstandigheden het niet onbegrijpelijk is dat verweerster op 17 maart 2014 besloot de minderjarige te onderzoeken zonder dat de school daarvoor een toestemmingsverklaring kon overleggen. Dit geldt echter niet voor het afnemen van de SEV. Het college is van oordeel dat verweerster bij uitbreiding van het onderzoek, dus het inzetten van de SEV om te bezien of extra ondersteuning nodig was in verband met de taalvaardigheid of dat er mogelijk sprake was van psychische problematiek, als ook bij het overhandigen van het psychodiagnostisch verslag aan school, zich ervan had moeten vergewissen dat klagers hiervoor (alsnog) daadwerkelijk (schriftelijke) toestemming hadden gegeven aan school. Het college is dan ook van oordeel dat dit klachtonderdeel slaagt. 5.5. Het tweede klachtonderdeel betreft de uitvoering van het onderzoek en de inhoud van het psychodiagnostisch verslag. Volgens vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege moet een deskundige rapport voldoen aan de volgende criteria: 1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust; 2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden; 3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen; 4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen; 5. De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid. Hierbij wordt conform de vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege ten volle getoetst of het onderzoek uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de toets der kritiek kan doorstaan. De conclusies van een deskundigenrapport worden op grond van de vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege marginaal getoetst. Marginale toetsing is in dit verband een redelijkheidtoetsing waarbij de juistheid van een conclusie van een rapport wordt getoetst aan het criterium of de deskundige gelet op alle daarbij betrokken aspecten in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen. 5.6. De rapportage van verweerster voldoet niet aan deze criteria. Het college is van oordeel dat het onderzoek van de minderjarige onvoldoende zorgvuldig is geweest en dat verweerster op basis van dit onderzoek in redelijkheid niet tot haar conclusies en advies heeft kunnen komen. Verweerster heeft ter terechtzitting verklaard dat zij de WNV-test heeft afgenomen om een advies te kunnen geven over welke hulp de minderjarige nodig had in het vervolgonderwijs, in het bijzonder of hij in aanmerking kwam voor een beschikking Leerwegondersteunend Onderwijs. In het verslag zijn de volgende onderzoeksvragen geformuleerd: ‘Wat is het intelligentieniveau van (...) (de minderjarige, RTC)? Welk onderwijsniveau is op dit moment best passend? Komt (...) (de minderjarige, RTC) in aanmerking voor een LWOO- of PRO beschikking?’ Ter terechtzitting heeft verweerster verklaard dat zij op basis van de WNV-test en het gesprek met de minderjarige heeft besloten om ook de SEV in te zetten, omdat bleek dat de minderjarige extra ondersteuning nodig had met betrekking tot zijn taalvaardigheid. Het is aan verweerster als deskundige om te kiezen met welke onderzoeksmethode de onderzoeksvraag wordt beantwoord. Echter, de gekozen methode dient de voorgelegde vraagstelling te kunnen beantwoorden. Het college is van oordeel dat de SEV, een test voor het (vroegtijdig) opsporen van sociaal- emotioneel probleemgedrag, niet de geschikte methode is voor het in kaart brengen van de taalvaardigheid en de taalondersteuningsbehoefte van de minderjarige. Het verweer dat het door gehanteerde protocol geen andere testmethode toe laat dan de SEV baat verweerster niet. Ook indien verweerster tijdens het onderzoek aanwijzingen zag voor gedrags- en/of gezinsproblemen dan had zij volgens het college moeten kiezen voor andere vervolgstappen dan de SEV en gemotiveerd moeten afwijken van het door haar werkgever gebruikte protocol, bij voorbeeld door in gesprek te gaan met klagers. Het college concludeert dan ook dat verweerster op grond van de gekozen onderzoeksmethode in alle redelijkheid niet tot de conclusies in het rapport over het gedrag van de minderjarige en de noodzaak tot gezinsbegeleiding (2.6) had kunnen komen. Dit klachtonderdeel is dan ook eveneens gegrond.’ 2.20. Op 19 november 2014 heeft [appellanten] een klacht ingediend tegen Augusteijn bij het College van Toezicht van het Nederlands Instituut van Psychologen (hierna: het College van Toezicht NIP). Bij beslissing van 26 augustus 2016 heeft het College van Toezicht NIP de klacht tegen Augusteijn gegrond bevonden en voor zover relevant als volgt overwogen: ‘De overwegingen van het College Ten aanzien van de inhoud van de klacht. (…) Zoals verweerster zelf ook stelt zou de normale (en juiste) gang van zaken zijn geweest dat zij klagers begeleide inzage zou hebben aangeboden. Zij had dan rechtstreeks met klagers kunnen communiceren over de ingevulde SEV vragenlijst. In plaats daarvan heeft verweerster deze aan de school gestuurd. Daarmee heeft zij verzuimd om begeleide inzage te (doen) realiseren en heeft zij bovendien het risico genomen dat derden binnen de school kennis konden nemen van deze informatie. Dat de school de ingevulde vragenlijst reeds kende doet daaraan niet af. Het begrip ‘de school’ is zodanig ruim dat door de toezending van de ingevulde vragenlijst aan de directrice, de inhoud ervan ook bij anderen dan de direct betrokken docent — welke de lijst had ingevuld - bekend werd of kon worden. Hierdoor heeft verweerster haar geheimhoudingsplicht geschonden en is zij onvoldoende zorgvuldig geweest in de communicatie aangaande de vragenlijst, in die zin dat zij onvoldoende voorzorgen heeft genomen om te voorkomen dat vertrouwelijke gegevens over [X] ter kennis konden komen van derden. Haar handelwijze was dan ook strijdig met de artikelen III.3.3.1 en III.3.3.2 van de Beroepscode 2007. Dat verweerster uitsluitend beoogde klagers tegemoet te komen, zoals zij heeft gesteld, doet hieraan niet af: Zij had ook op de wensen van klagers kunnen ingaan door hen begeleide inzage te bieden, zonder de informatie naar de school te sturen. Een andere oplossing zou zijn geweest de terugkeer van [A] af te wachten en klagers naar haar te verwijzen. Het College komt tot de slotsom dat de klacht gegrond is.’ 3De procedure in eerste aanleg 3.1. [appellanten] heeft in eerste aanleg verklaringen voor recht gevorderd dat het Atlas College toerekenbaar is tekortgeschoten in haar verplichtingen, althans onrechtmatig jegens [appellanten] heeft gehandeld en dat ook OBD Noordwest onrechtmatig jegens [appellanten] heeft gehandeld. Verder heeft [appellanten] schadevergoeding van zowel het Atlas College als OBD Noordwest gevorderd. 3.2. De zorgplichtschendingen door het Atlas College behelzen volgens [appellanten] de volgende: onzorgvuldige communicatie door zorgcoördinator [B] met [appellanten] als de ouders van [X] ; onzorgvuldigheid van [B] bij het doen van de AMK-melding; onzorgvuldigheid van Atlas College zelf, door geen afspraken/protocollen te hebben ten aanzien van het uitvoeren van onderzoeken (met als uitvloeisel de fout sub a.) en het doen van AMK-meldingen (met als uitvloeisel de fout sub b). OBD Noordwest heeft volgens [appellanten] ook haar zorgplicht geschonden. Dit betreft: de onzorgvuldigheid van [A] bij afnemen van de SEV zonder vereiste toestemming van [appellanten] , alsmede het onzorgvuldig verwerken van de resultaten van het onderzoek; de onzorgvuldigheid van Augusteijn door de SEV toe te zenden aan de school. Ter onderbouwing van zijn vorderingen, heeft [appellanten] zich onder meer beroepen op de oordelen van de LKO, het Regionaal Tuchtcollege en het College van Toezicht NIP. 3.3. De rechtbank is [appellanten] gevolgd in zijn stellingen wat de grondslagen a), b), en
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.