GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.264.938/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam : 4574082 CV EXPL 15-30158 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 30 maart 2021 inzake CLEVER REAL ESTATE B.V., gevestigd te Amsterdam, appellante in de hoofdzaak, verweerster in het incident, advocaat: mr. M.H.F. van Buuren te Amsterdam, tegen [geïntimeerde] , wonend te [woonplaats] , geïntimeerde in de hoofdzaak, eiser in het incident, advocaat: mr. H.M. Meijerink te Amsterdam. 1Verder verloop van het geding Partijen worden hierna wederom Clever Real Estate en [geïntimeerde] genoemd. In deze zaak heeft het hof op 14 januari 2020 beslist op de vordering van [geïntimeerde] in het incident om Clever Real Estate niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep. Deze vordering is afgewezen en de beslissing over de proceskosten is aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak. Voor het verloop van het geding tot 14 januari 2020 wordt verwezen naar dit tussenarrest. Partijen hebben na het wijzen van het tussenarrest de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties; - memorie van antwoord, met een productie. Ten slotte is arrest in de hoofdzaak gevraagd. Clever Real Estate heeft geconcludeerd dat het hof de door de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam gewezen tussenvonnissen van 18 april 2017 en 13 november 2018 en het eindvonnis van 19 maart 2019 zal vernietigen en alsnog haar vordering zal toewijzen, in die zin dat bij het bepalen van de aanvangshuur wordt uitgegaan van de bouwjaartabel 2014 voor de toekenning van punten voor energiebesparende maatregelen, met beslissing over de proceskosten. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten. De bestreden tussenvonnissen zijn gewezen tussen Clever Real Estate en meerdere gedaagden, waaronder [geïntimeerde] . Het bestreden eindvonnis gaat alleen over het geschil tussen Clever Real Estate en [geïntimeerde] . 2Feiten De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis van 18 april 2017 onder 1.1 tot en met 1.11 en in het bestreden vonnis van 13 november 2018 onder 1 en 2 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat komen de feiten neer op het volgende. 2.1. Clever Real Estate is verhuurder van 229 woonstudio’s aan de [adres] te [plaats] . Deze studio’s maken deel uit van een complex dat is gebouwd in 1969 en voorheen in gebruik was als kantoorgebouw. In 2014 is het gebouw verbouwd en gerenoveerd en zijn de woonstudio’s gerealiseerd. 2.2. [geïntimeerde] heeft met ingang van 1 maart 2015 een woonstudio in het complex gehuurd van Clever Real Estate tegen een aanvangshuurprijs van € 570,= per maand. 2.3. Op de ingangsdatum van de huurovereenkomst was geen energielabel afgemeld voor deze woonstudio. Dat is wel gebeurd in oktober 2015. 2.4. [geïntimeerde] heeft op 1 mei 2015 bij de huurcommissie een verzoek tot toetsing van de aanvangshuurprijs ingediend. De huurcommissie heeft op 22 juli 2015 (verzonden op 23 juli 2015) beslist dat een huurprijs van € 517,66 per maand met ingang van 1 maart 2015 redelijk is. 3Beoordeling 3.1. Clever Real Estate heeft bij inleidende dagvaarding onder meer gevorderd dat de kantonrechter met inachtneming van artikel 7:262 BW zal bepalen dat de overeengekomen aanvangshuurprijs van € 570,= redelijk is. De kantonrechter heeft de aanvangshuurprijs in het bestreden eindvonnis vastgesteld op € 385,47 per maand met ingang van 1 maart 2015 en Clever Real Estate belast met de kosten van het geding. 3.2. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Clever Real Estate met haar grieven op. Zij heeft daaraan onder meer, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat de kantonrechter ten onrechte heeft nagelaten te beslissen op haar uitdrukkelijke (subsidiaire) stellingen dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.