afdeling strafrecht parketnummer: 23-004541-19 datum uitspraak: 31 maart 2021 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 9 december 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-136483-19 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Sri Lanka) op [geboortedag] 1984, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht. Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep. Tenlastelegging Gelet op de door de rechtbank toegelaten wijziging en voor zover aan het oordeel van het hof inhoudelijk onderworpen is aan de verdachte tenlastegelegd dat: 2.hij op of omstreeks 5 juni 2019 te Beverwijk [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een (geladen) vuurwapen te tonen en/of een vuurwapen op het hoofd van die [slachtoffer 1] te zetten en de trekker over te halen en/of meermalen, althans eenmaal, een vuurwapen op die [slachtoffer 1] te richten en/of de slede van dat vuurwapen naar achteren te halen en/of de trekker over te halen; 3.hij op of omstreeks 5 juni 2019 te Beverwijk [slachtoffer 2] en/of haar kinderen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door meermalen, althans eenmaal, te schieten met een vuurwapen en/of (vervolgens) een vuurwapen op die [slachtoffer 2] en/of haar kinderen te richten en/of (daarbij) te zeggen "real gangster"; 4.hij op of omstreeks 5 juni 2019 te Beverwijk, in elk geval in Nederland een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een, alarmpistool, kaliber 8 mm P (knal) (merk Bruni) en bijbehorende munitie van categorie III, te weten 27, althans een of meer scherpe knalpatronen, kaliber 8, bodemstempel [stempel] . 8 mm voorhanden heeft gehad; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof op onderdelen tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 2.hij op 5 juni 2019 te Beverwijk [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door een wapen te tonen en op [slachtoffer 1] te richten; 3.hij op 5 juni 2019 te Beverwijk [slachtoffer 2] en kinderen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door meermalen te schieten met een wapen en vervolgens dat wapen op die [slachtoffer 2] en kinderen te richten en daarbij te zeggen "real gangster"; 4.hij op 5 juni 2019 te Beverwijk een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een alarmpistool, kaliber 8 mm P (knal) (merk Bruni) en bijbehorende munitie van categorie III, te weten 24 scherpe knalpatronen, kaliber 8, bodemstempel [stempel] . 8 mm voorhanden heeft gehad. Hetgeen onder 2, 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd. Het onder 4 bewezenverklaarde levert op: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en heeft aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden tot opname in een zorginstelling, een meldplicht, schuldhulpverlening, middelencontrole en begeleid wonen verbonden en deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaard. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd aan de voorwaardelijke gevangenisstraf dezelfde bijzondere voorwaarden te verbinden als door de rechtbank is gedaan. De raadsman heeft verzocht te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, omdat er gelet op het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 17 december 2020 – waarin nagenoeg dezelfde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard als in het vonnis van de rechtbank in onderhavige zaak – geen reden meer is een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en daaraan bijzondere voorwaarden te verbinden. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft een alarmpistool en bijbehorende munitie voorhanden gehad. Voorts heeft hij een medebewoner van de RIBW-locatie waar de verdachte woonde, een buurvrouw en twee kinderen bedreigd met de dood door dit alarmpistool op hen te richten. Het hof neemt in strafverzwarende zin mee dat de verdachte bovendien met het alarmpistool heeft geschoten in de richting van de buurvrouw en de kinderen, hetgeen voor hen zeer beangstigend moet zijn geweest. Voorts is bedreiging – zeker in gevallen waarin met een wapen wordt gedreigd – een zeer ernstig feit, dat gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaakt voor de slachtoffers en voor degenen die daarvan getuige zijn. De ervaring leert dat slachtoffers nog geruime tijd psychische klachten kunnen ondervinden als gevolg van dergelijke misdrijven. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 maart 2021 is hij eerder voor misdrijven onherroepelijk veroordeeld. Dit weegt in het nadeel van de verdachte. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat geen andere straf volstaat dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die onder meer blijken uit een psychiatrisch rapport van 21 november 2019 en een voortgangsverslag van 15 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.