afdeling strafrecht parketnummer: 23-001796-20 datum uitspraak: 22 maart 2021 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 augustus 2020 in de strafzaak onder parketnummer 13-024095-20 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 27 januari 2020, te Amsterdam, in elk geval in Nederland, te weten op of aan de openbare weg, op de [weg] (ter hoogte van nummer [nummer]), in elk geval op of aan een openbare weg en/of voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten de [weg], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde]; welk geweld bestond uit het dicht bij die [benadeelde] staan en/of het armgebaren maken en/of wijzen en/of (met een papiertje) die [benadeelde] in zijn gezicht te slaan en/of te stompen en/of te tikken en/of die [benadeelde] vast te pakken en/of vast te houden en/of (met een papiertje) vlak voor [benadeelde] te zwaaien en/of die [benadeelde] te duwen en/of te trekken en/of in de richting van die [benadeelde] te slaan en/of te stompen en/of die [benadeelde] bij de keel te pakken en/of te grijpen en/of die [benadeelde] op de grond te gooien en/of te duwen en/of naar de grond te werken en/of die [benadeelde] (met de vlakke hand) in/tegen zijn gezicht en/of hoofd te slaan en/of te stompen en/of die [benadeelde] in/tegen zijn rug en/of zijn lichaam te schoppen en/of te trappen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof op onderdelen tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 27 januari 2020 te Amsterdam aan de openbare weg, de [weg], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde], welk geweld bestond uit: - het dicht bij die [benadeelde] staan; - ( met een papiertje) die [benadeelde] in zijn gezicht te tikken; - die [benadeelde] vast te pakken en vast te houden; - die [benadeelde] te duwen en te trekken; - in de richting van die [benadeelde] te slaan; - die [benadeelde] bij de keel te pakken; - die [benadeelde] op de grond te gooien; - die [benadeelde] met de vlakke hand tegen zijn hoofd te slaan; - die [benadeelde] tegen zijn lichaam te schoppen. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. Strafbaarheid van de verdachte Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de politierechter in eerste aanleg is opgelegd. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen het slachtoffer, een destijds vijftienjarige jongen. Nadat het slachtoffer de jongere broer van de verdachte had geslagen, is de verdachte samen met anderen naar de school van het slachtoffer gereden, hebben zij het slachtoffer opgezocht en hem geschopt en geslagen. Als gevolg hiervan heeft het slachtoffer pijn en letsel ondervonden. Een dergelijk feit maakt inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en kan, zeker gelet op het intimiderend karakter daarvan gevoelens van onrust, angst en onveiligheid bij het slachtoffer en derden die hiervan getuige waren versterken. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 22 februari 2021 is hij eerder voor een misdrijf onherroepelijk veroordeeld. Dit weegt in het nadeel van de verdachte. Gezien het voorgaande en met name gelet op de ernst van het feit en de gevolgen die dit voor het slachtoffer heeft gehad is de door de politierechter opgelegde onvoorwaardelijke taakstraf in beginsel zonder meer gerechtvaardigd te achten. Gelet op de omstandigheden van het geval, de verdachte heeft ter terechtzitting van het hof de verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen en spijt betuigd, ziet hof aanleiding hiervan enigszins af te wijken. Gezien de recidive acht het hof het passend om een deels voorwaardelijke taakstraf met een proeftijd op te leggen. Hiermee wordt enerzijds de ernst van het feit benadrukt, terwijl het voorwaardelijk gedeelte van deze straf er anderzijds toe strekt te voorkomen dat de verdachte zich in de toekomst opnieuw schuldig maakt aan het plegen van strafbare feiten. Voor een lagere straf is, anders dan is bepleit, geen plaats. Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 140 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk, passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De (wettelijk vertegenwoordiger van de) benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.160,00, bestaande uit tweemaal een bedrag van € 80,00 voor materiële schade wegens de kosten van opvragen van medische stukken en een bedrag van € 4.000,00 voor immateriële schade, te vermeerderen met wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.410,00 bestaande uit een bedrag ter hoogte van € 160,00 voor materiële schade en een bedrag van € 1.250,00 voor immateriële schade, beide bedragen te vermeerderen met wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Het materiële deel van de gevorderde schadevergoeding was aanvankelijk, zoals hiervoor reeds weergegeven, opgebouwd uit de kosten voor het opvragen van medische stukken van steeds € 80,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover. De benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep zijn vordering gewijzigd, bij monde van zijn raadsman. De raadsman heeft, zo begrijpt het hof, verzocht de kosten voor het opvragen van medische stukken niet toe te wijzen als materiële schade, maar als proceskosten van thans € 240,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.