← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2021:948

afdeling strafrecht parketnummer: 23-003827-17 datum uitspraak: 29 maart 2021 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 oktober 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-654079-17 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995, adres: [adres 1] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 mei 2018 en 15 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht. Herhaald verzoek om aanhouding De raadsman heeft bij aanvang van de behandeling een verzoek om aanhouding van de behandeling van deze strafzaak gedaan. Dit verzoek is door het hof – gehoord hebbende de advocaat-generaal en na beraadslaging – afgewezen. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de betekening van de oproeping aan de verdachte op juiste wijze is geschied en dat er geen noodzaak is (geweest) om de oproeping ook op het (oude) adres van de verdachte te Uden uit te reiken. Voorts heeft het hof geoordeeld dat het strafvorderlijk belang op een doeltreffende en spoedige berechting en goede organisatie van de rechtspleging opweegt tegen het belang van de verdachte om gebruik te kunnen maken van zijn aanwezigheidsrecht. Hierbij is van belang geacht dat niet gebleken is dat de verdachte op enige wijze heeft getracht in contact te komen met zijn raadsman, ondanks velerlei pogingen van de zijde van de raadsman. De raadsman heeft bij pleidooi het verzoek om aanhouding van de behandeling van deze strafzaak herhaald, doch dit verzoek niet opnieuw of nader gemotiveerd. Het hof overweegt als volgt. Nu de raadsman zijn herhaald verzoek om aanhouding niet heeft gemotiveerd en ook anderszins niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden die nopen tot toewijzing van het verzoek, wijst het hof ook dit herhaalde verzoek af. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 28 januari 2017 te Amsterdam en/of Vreeland (gemeente Stichtse Vecht), in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen - een geldbedrag van (in totaal) ongeveer 520 euro, en/of - een mobiele telefoon (merk: IPhone 5S), en/of - een portemonnee met verschillende pasjes, en/of - een Michael Korss horloge, en/of - een jas, en/of - huissleutels, en/of - een pinpas en/of de bij die pinpas behorende pincode, in elk geval enig goed en/of geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of dat/die goederen/geld onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of middels een valse sleutel door met een pinpas ten name van die [benadeelde] en/of de bij die pinpas behorende (onbevoegd gebruikte) pincode een geldbedrag (van ongeveer 50 euro) te betalen bij de [tankstation] ( [adres 2] ) en/of een geldbedrag (van ongeveer 440 euro) te pinnen bij de Rabobank ( [adres 3] ) en/of welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn/haar mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond, uit - het slaan tegen het hoofd en/of lichaam van die [benadeelde] en/of - het tonen van een vuurwapen, in ieder geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [benadeelde] , en/of deze tegen en/of in de nabijheid van het hoofd van die [benadeelde] te richten en/of - het tonen van een mes, in ieder geval een op een scherp/puntig voorwerp aan die [benadeelde] en/of deze tegen en/of in de nabijheid van de nek van die [benadeelde] te houden en/of daarbij - tegen die [benadeelde] te zeggen: "als je je pincode niet geeft, vermoorden we je familie" en/of "als je niet meer geld geeft, vermoorden we je familie", in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of - die [benadeelde] uit de auto te zetten en/of in een (deels bevroren) sloot (gelegen aan een weiland aan de [plek]) te gooien en/of hem daar achter te laten in de nachtelijke uren. en/of hij op of omstreeks 28 januari 2017 te Amsterdam en/of Vreeland, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van - een geldbedrag van (in totaal) ongeveer 520 euro, en/of - een mobiele telefoon (merk: IPhone 5S), en/of - een portemonnee met verschillende pasjes, en/of - een Michael Korss horloge, en/of - een jas, en/of - huissleutels, en/of - een pinpas en/of de bij die pinpas behorende pincode, in elk geval enig goed en/of geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond; - het slaan tegen het hoofd en/of lichaam van die [benadeelde] en/of - het tonen van een vuurwapen, in ieder geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [benadeelde] , en/of deze tegen en/of in de nabijheid van het hoofd van die [benadeelde] te richten en/of - het tonen van een mes, in ieder geval een op een scherp/puntig voorwerp aan die [benadeelde] en/of deze tegen en/of in de nabijheid van de nek van die [benadeelde] te houden en/of daarbij - tegen die [benadeelde] te zeggen: "als je je pincode niet geeft, vermoorden we je familie" en/of "als je niet meer geld geeft, vermoorden we je familie", in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of - die [benadeelde] uit de auto te zetten en/of in een (deels bevroren) sloot (gelegen aan een weiland aan de [plek] ) te gooien en/of hem daar achter te laten in de nachtelijke uren. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen ten aanzien van de bewezenverklaring, de kwalificatie, de straftoemeting en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel komt dan de rechtbank. Bewijsoverweging De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof verzocht de verdachte integraal vrij te spreken van het ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe naar voren gebracht dat de verschillende verklaringen van aangever gezien de inconsistenties hierin zodanig onbetrouwbaar zijn dat deze niet voor het bewijs gebezigd kunnen worden. Verder heeft de raadsman naar voren gebracht dat de verklaring van verdachte zoals afgelegd bij de politie op 22 februari 2018 daarentegen wel betrouwbaar is en steun vindt in het procesdossier. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Dat aangever bij zijn verhoor door de raadsheer-commissaris op 4 december 2018 op verschillende onderdelen andersluidend heeft verklaard dan eerder bij zijn aangifte bij de politie op 28 januari 2017 maakt die verklaringen naar het oordeel van het hof nog niet in zijn geheel onbetrouwbaar. De kern van hetgeen aangever in zijn aangifte heeft verklaard, namelijk dat een voormalig klasgenoot hem een lift naar huis aanbood, dat hij in de auto is gestapt, dat behalve zijn voormalig klasgenoot en verdachte, die de auto bestuurde, nog twee jonge mannen in de auto zaten, dat hij op de achterbank zat, dat hij in de auto is mishandeld en bedreigd, dat er spullen van hem zijn afgenomen, dat hij is gedwongen zijn pincode af te geven waarna daar mee gepind is en dat hij na verloop van tijd op een onbekende plek uit de auto is gegooid, heeft aangever bij zijn verhoor door de raadsheer-commissaris herhaald. Ook over de chronologische volgorde van de gebeurtenissen heeft aangever bij de raadsheer-commissaris op hoofdlijnen gelijkluidend verklaard en verder heeft hij niet teruggenomen dat de verdachte er bij alle gebeurtenissen bij is geweest. Het hof acht het verder voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangever van belang dat zijn verklaringen op essentiële onderdelen objectieve steun in het procesdossier vinden. Allereerst is op de camerabeelden van [tankstation] zichtbaar dat verdachte in de nacht van 28 januari 2017 tankt, waarna de betaling geschiedt met de pinpas van aangever. Vervolgens is op beelden van de Rabobank zichtbaar dat verdachte even later € 440,00 uit een geldautomaat trekt. Bij deze geldopname wordt opnieuw gebruik gemaakt van de pinpas van aangever. De verklaring van aangever vindt verder steun in de verklaring van getuige [getuige 1] die verklaart dat op genoemde dag rond 5.20 uur aangever voor de deur van zijn woning aan de [adres 4] om hulp roept. Aangever is doorweekt en vertelt in paniek aan [getuige 1] dat hij zo juist is meegenomen in een auto, is beroofd en daarna in een sloot is gedumpt. Nader onderzoek in de omgeving leert dat ongeveer 50 meter van de woning van [getuige 1] een vers wak in het ijs is alsmede een klimspoor in de walkant naar het weiland. De door de verdachte op 22 februari 2018 afgelegde verklaring acht het hof daarentegen ongeloofwaardig. Het hof stelt allereerst vast dat de verdachte eerder andersluidende verklaringen heeft afgelegd en pas na het veroordelend vonnis zijn huidige verklaring heeft afgelegd. De verdachte heeft geen redengevende verklaring gegeven voor het feit dat hij deze verklaring niet op een eerder moment heeft afgelegd. Bovendien vindt de verklaring geen steun in het procesdossier. Opmerkelijk is verder dat de verdachte de door hem opgevoerde getuige [getuige 2] wel midden in de nacht weet te bereiken om hem een lift naar huis te geven, maar hij niet in staat is de relevante gegevens van deze getuige aan de raadsheer-commissaris te doen toekomen. Gelet op vorenstaande verwerpt het hof het verweer van de verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 28 januari 2017 te Amsterdam en/of Vreeland (gemeente Stichtse Vecht), in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen - een geldbedrag van in totaal ongeveer 520 euro, en - een mobiele telefoon (merk: IPhone 5S), en - een portemonnee met verschillende pasjes, en - een Michael Korss horloge, en - een jas, en - huissleutels, en - een pinpas toebehorende aan [benadeelde] , waarbij verdachte en zijn mededaders dat geld onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel door met een pinpas ten name van die [benadeelde] en de bij die pinpas behorende (onbevoegd gebruikte) pincode een geldbedrag (van ongeveer 50 euro) te betalen bij de [tankstation] ( [adres 2] ) en een geldbedrag (van 440 euro) te pinnen bij de Rabobank ( [adres 3] ) welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [benadeelde] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welk geweld en welke bedreiging met geweld bestond uit - het slaan tegen het hoofd van die [benadeelde] en - die [benadeelde] uit de auto te zetten en in een (deels bevroren) sloot (gelegen aan een weiland aan de [plek] ) te gooien en hem daar achter te laten in de nachtelijke uren en hij op 28 januari 2017 te Amsterdam en/of Vreeland, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [benadeelde] heeft gedwongen tot de afgifte van - een pincode, toebehorende aan die [benadeelde] , welk geweld of bedreiging met geweld hierin bestond: - tegen die [benadeelde] te zeggen: "als je je pincode niet geeft, vermoorden we je familie" en "als je niet meer geld geeft, vermoorden we je familie", in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. Strafbaarheid van de verdachte Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor de in eerste aanleg bewezenverklaarde diefstal met geweld in vereniging veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaren met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de verdachte voor zowel de ten laste gelegde diefstal met geweld in vereniging als de afpersing in vereniging zal worden veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden met aftrek van voorarrest. De raadsman heeft ter terechtzitting bepleit de door de rechtbank opgelegde straf te matigen. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. Door te handelen als bewezenverklaard hebben de verdachte en zijn mededaders zich schuldig gemaakt aan diefstal met geweld in vereniging en afpersing in vereniging. Midden in de nacht is aan aangever door een voormalig klasgenoot vanaf de [adres 5] een lift naar huis aangeboden. Naast deze klasgenoot zaten er nog drie jonge mannen in de auto, waaronder verdachte, die de auto bestuurde. Aangever is in de auto gestapt en kwam op de achterbank tussen twee mededaders van de verdachte terecht. Al snel werd het aangever duidelijk dat de inzittenden van de auto heel andere bedoelingen hadden dan aangever een lift naar huis te geven. De verdachte en zijn mededaders hebben aangever in de auto geslagen en ernstig bedreigd. Verschillende spullen zijn van aangever afgenomen waaronder zijn pinpas. Bang door het toegepaste geweld en de geuite bedreigingen heeft aangever ook zijn pincode aan hen afgegeven. Met deze pinpas is door verdachte getankt en geld gepind. Aangever kon de auto niet verlaten. Aangever had geen idee wat de verdachte en zijn mede daders met hem van plan waren, wanneer, waar en hoe hij de auto zou kunnen verlaten. Dit moet een zeer angstaanjagende situatie voor hem zijn geweest, die lang heeft geduurd. Uiteindelijk is aangever op een voor hem onbekende plaats zonder jas uit de auto gegooid waarbij hij op een bevroren sloot terecht is gekomen. Hij zakte door het dunne ijs en kwam in het ijskoude water terecht. Hij wist uit de sloot te klimmen en zocht en vond hulp bij een woning even verder op. Naar het oordeel van het hof is sprake van een uitermate laffe daad, waarbij het feit dat aangever kan worden gekenschetst als een kwetsbaar persoon, de handelswijze van verdachte en zijn mededaders extra kwalijk maakt. Het gebeuren heeft veel impact op aangever gehad. Hij heeft als gevolg van het door de verdachte en zijn mededaders uitgeoefende geweld verwondingen en een hersenschudding opgelopen, eveneens zijn bij hem tekenen van een post traumatische stress stoornis vastgesteld. Ook in de maatschappij leveren feiten als deze gevoelens van ernstige onveiligheid op. Het hof stelt vast dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 1 maart 2021 eerder onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten. Het hof stelt verder vast dat artikel 63 van het Wetboek van strafrecht van toepassing is. Redelijke termijn Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (E.V.R.M.) neergelegde waarborg strekt ertoe te voorkomen dat een verdachte onnodig lang onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. De overschrijding van de redelijke termijn leidt, volgens vaste rechtspraak in de regel tot vermindering van de op te leggen straf. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in hoger beroep aanzienlijk is overschreden. Het hoger beroep namens de verdachte is immers ingesteld op 27 oktober 2017 terwijl eerst op 29 maart 2021 arrest wordt gewezen. Dit betekent een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep van meer dan twee jaar. Het hof acht, alles afwegende, in beginsel een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 16 maanden passend en geboden, doch zal deze gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep matigen tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 13 maanden. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.285,22 en bestaat voor € 2285,22 uit materiële schade en voor € 1000,00 uit immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep in zijn geheel toegewezen. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair bepleit de vordering van de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren gelet op de bepleitte vrijspraak, subsidiair deze af te wijzen. De raadsman heeft de gestelde schadepost voor de winterjas, het overhemd en de broek gemotiveerd betwist. De advocaat van de benadeelde partij heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep toegelicht en het hof verzocht deze geheel toe te wijzen. Het hof overweegt als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden. Het hof acht de vordering toewijsbaar, voor zover deze niet gemotiveerd is betwist. Tegen het gevorderde bedrag voor de winterjas en de kleding heeft de verdediging gemotiveerd verweer gevoerd. Ten aanzien van de winterjas overweegt het hof dat op basis van het procesdossier niet kan worden vastgesteld dat deze aan de benadeelde partij is geretourneerd. Ook dit deel van de vordering acht het hof derhalve toewijsbaar. Nu stukken ter onderbouwing van de schade aan de kleding van de benadeelde partij ontbreken en op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat deze schade daadwerkelijk is geleden, ligt om die reden dit gedeelte van de vordering (tot een bedrag van € 75,00) niet voor toewijzing gereed en zal de benadeelde in zoverre in zijn vordering niet ontvankelijk worden verklaard. In zoverre kan de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Daarnaast is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het handelen van verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen en daardoor rechtstreeks immateriële schade heeft geleden in de zin van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het hof begroot de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op € 1000,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien) maanden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.210,22 (drieduizend tweehonderdtien euro en tweeëntwintig cent) bestaande uit € 2.210,22 (tweeduizend tweehonderdtien euro en tweeëntwintig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.210,22 (drieduizend tweehonderdtien euro en tweeëntwintig cent) bestaande uit € 2.210,22 (tweeduizend tweehonderdtien euro en tweeëntwintig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 42 (tweeënveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 28 januari 2017. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.A. Hartsuiker, mr. C.J. van der Wilt en mr. A.M.P. Geelhoed, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 maart 2021. De oudste en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. ========================================================================= […]

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.