afdeling strafrecht parketnummer: 23-001493-19 datum uitspraak: 8 april 2021 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 april 2019 in de strafzaak onder de parketnummers 13-741229-18 en 16-118125-18 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989, thans gedetineerd in Vught PPC te Vught. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat: 1.hij op of omstreeks 01 november 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet - met (de rand van) een kapotgescheurd (bier)blikje, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, op de keel en/of de hals van voornoemde [benadeelde] (hard) heeft gedrukt en/of gestoken en/of gesneden en/of - zijn handen om de keel en/of de hals van voornoemde [benadeelde] heeft gedrukt en/of gedrukt heeft gehouden, althans zodanig de keel en/of hals vast te pakken en/of vast te houden dat voornoemde [benadeelde] geen lucht meer kreeg althans kon krijgen; 2.hij op of omstreeks 01 november 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, zijn vader [benadeelde] heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde] meermalen in/op/tegen het lichaam en/of gezicht, in elk geval op/tegen het hoofd, te stompen en/of slaan en/of schoppen en/of trappen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde Het hof overweegt het volgende. Enerzijds wordt acht geslagen op de verklaring van de aangever, inhoudende dat de verdachte twee helften van een gescheurd bierblik tegen zijn keel heeft gedrukt, waarbij de aangever dacht dat de verdachte hem zou doden. Daarna zou de verdachte geprobeerd hebben hem te wurgen. Daar tegenover staat de stellige ontkenning van de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij weliswaar een bierblik heeft gescheurd maar dat hij dit heeft weggegooid voordat het tot een handgemeen kwam. Het aan de hals van de aangever geconstateerde letsel moet volgens de verdachte op een andere manier zijn ontstaan, mogelijk doordat hij tijdens de vechtpartij de aangever bij de kraag van zijn shirt heeft gepakt en daarbij met zijn vingernagels in de hals van de aangever heeft gekrast. Van verwurgingshandelingen is volgens de verdachte geen sprake geweest. Met de raadsman en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat onvoldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring van de poging tot verwurging te komen, nu ondersteunend bewijs voor de aangifte op dit punt ontbreekt. Voor het drukken van een gescheurd bierblik tegen de keel zou het letsel in de hals van de aangever –bestaande uit enkele streepvormige huidbeschadigingen – een aanwijzing kunnen zijn. In die richting wijst de letselbeschrijving van 2 november 2018 en de aanvullende rapportage van 8 maart 2019 van de forensisch arts [naam 1] van de GGD. [naam 1] heeft geconcludeerd dat de combinatie van snij- en kraswonden die zijn geconstateerd in de hals van de aangever zeer veel waarschijnlijker is veroorzaakt door het zetten van het doorgescheurde blikje tegen de hals dan het krabben met nagels. Daar staat tegenover dat in hoger beroep op verzoek van de verdediging een contra-expertise is uitgevoerd door forensisch arts [naam 2] van het NFI. In het NFI rapport van 18 december 2020 concludeert [naam 2] dat het letsel geen kenmerken vertoont die een nader onderscheid ten aanzien van een veroorzakend voorwerp mogelijk maken. Derhalve behoren zowel krassen met een doorgescheurd blik, als krassen van/met vingernagels tot de mogelijke oorzaken. Het aantreffen van het letsel in de hals van [benadeelde] is ongeveer even waarschijnlijk onder een hypothese van krassen met een doorgescheurd blik, als onder een hypothese van krassen van/met vingernagels, aldus genoemde deskundige. Het hof is van oordeel dat op grond van het dossier niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de letsels in de hals van de aangever zijn toegebracht met gebruikmaking van het in diens woning aangetroffen gescheurde bierblik. Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 2.hij op 1 november 2018 te Amsterdam zijn vader [benadeelde] heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde] meermalen tegen het lichaam en het hoofd te stompen en slaan en schoppen. Hetgeen onder 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Bewijsoverweging Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman betoogd dat de opzet op mishandeling ontbreekt, hetgeen tot vrijspraak moet leiden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte zich verdedigde tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Het was een gesloten ruimte waarin beide zich bevonden, de verdachte kon daar niet zomaar weg en werd aangevallen door de aangever. Daarop heeft de verdachte gereageerd en zichzelf verdedigd. Aan de verdachte kan daarom een beroep op noodweer(exces) niet worden ontzegd, aldus de raadsman. Het hof acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd niet aannemelijk geworden. De door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen vindt zijn weerlegging in de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden. De aangever heeft in zijn aangifte verklaard dat de verdachte heel boos werd en hem ging bedreigen. De aangever heeft verder verklaard dat de verdachte bij hem zou blijven slapen, maar dat hij dat na de bedreigingen niet meer wilde. De verdachte heeft daarover bij zijn inbewaringstelling bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat de sfeer grimmig was, dat ze allebei bier op hadden en dat hij toen voor zijn vader ging staan en zei dat hij een kopstoot zou krijgen als hij niet ophield met af te geven op zijn persoonlijke begeleider. Vanaf dit moment lopen de verklaringen van de verdachte en de aangever weliswaar uiteen, maar het hof volgt de verklaring van de aangever, die inhoudt dat de verdachte na deze mededeling ‘compleet flipte’ en hem aanviel. Het hof weegt hierbij mee dat de verdachte op dat moment boos, agressief en flink onder invloed van alcohol was. Bovendien is de verdachte jonger, groter en sterker dan zijn vader. De verdachte heeft bij de rechter-commissaris over het einde van de vechtpartij verklaard: “Toen zag ik hoe hij eruit zag en toen bedacht ik: ik zit in de ISD, dit kan ik niet gebruiken. Wat is er nu weer gebeurd.” Ook deze verklaring past veeleer bij de verklaring van de aangever dat de verdachte ‘compleet flipte’, dan bij het door de verdediging geschetste scenario. Het hof acht alles afwegend niet aannemelijk geworden dat de aangever de verdachte heeft aangevallen. Voor zover de aangever geweld heeft gebruikt tegen de verdachte acht het hof aannemelijk dat dit gericht is geweest op verdediging tegen de agressie van de verdachte. Daar komt bij dat er geen sprake was van een gesloten ruimte. De verdachte had de woning kunnen verlaten, hetgeen hij na de vechtpartij ook heeft gedaan. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedragingen niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Het verweer wordt verworpen. Bewijsmiddelen 1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2018223307-1 van 1 november 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] [doorgenummerde pagina’s 3-5]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 1 november 2018 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [benadeelde]: Ik doe aangifte tegen mijn zoon [verdachte] van mishandeling gepleegd op 1 november 2018 te Amsterdam. [verdachte] was bij mij vandaag. […] Ik zei tegen hem dat ik wat eten zou maken en dat ik hem dan naar huis zou brengen. [verdachte] zou in eerste aanleg bij mij slapen, maar dat wilde ik na de bedreigingen niet meer. [verdachte] flipte toen compleet. […] Ik heb toen overal harde vuistslagen gekregen. [verdachte] sloeg wild om zich heen. Ik weet niet hoeveel klappen en trappen ik gekregen heb. Ik ben rug- en hartpatiënt, [verdachte] is een jonge sterke kerel. Ik maakte weinig kans. Ik heb nu overal letsel, ik heb een blauw oog en overal bulten op mijn hoofd. Alles doet pijn. 2. Een letselverklaring van 2 november 2018, opgemaakt door [naam 1], forensisch arts, betreffende [benadeelde], met fotobijlage [doorgenummerde pagina’s 8-20]. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Letselbeschrijving: Lichaamsdeel: hoofd beschrijving: Vrijwel midden op het voorhoofd bevindt zich een grillig gevormde rood/paarse huidverkleuring, ongeveer 3 cm in doorsnede; Rond het linker oog bevindt zich een paars/rode huidverkleuring, ongeveer 4 cm in doorsnede; Ter plaatse van de linker wang/jukbeen bevindt zich een donker rode huidverkleuring van ongeveer4 cm in doorsnede; De linker oorschelp is voor een groot gedeelte blauw/paars gekleurd. In de linker wenkbrauw bevindt zich een huid beschadiging van ongeveer 0.5 cm lang (Barstwond) In de linker oorschelp bevindt zich een huidbeschadiging, met hechtpleister bedekt. Soort: Bloeduitstorting 3. Een proces-verbaal ‘verhoor van verdachte inbewaringstelling’ van 5 november 2018, opgemaakt door mr. E. Diepraam, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 5 november 2018 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de verdachte: Mijn vader en ik hebben gevochten. Ik ging voor hem staan toen hij in de keuken bezig was. De sfeer was al grimmig en wij hadden allebei bier op. Ik zei: als je niet ophoudt, krijg je een kopstoot. […] Ik heb hem vastgepakt. Wij zijn op de grond beland en er waren klappen over en weer. Ik ben sterker dan hij. Op een gegeven moment stopte hij en ik ook. Toen zag ik hoe hij eruit zag en toen bedacht ik: ik zit in de ISD, dit kan ik niet gebruiken. Wat is er nu weer gebeurd. 4. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 20 maart 2019. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Ik was die dag met mijn vader bezig om medicatie mee te krijgen, voor als ik bij hem zou logeren. Daar heeft hij mij mee geholpen en daarna ben ik met hem mee naar huis gegaan. […] Hij begon weer over mijn persoonlijk begeleider [naam 3]. Toen begon ik te schelden, dat was niet slim. Toen begon hij weer over [naam 3], daarop begon ik weer te schelden. Hij vroeg weer: wat is er aan de hand? Toen zei ik weer: houd op over [naam 3]. Vervolgens begon hij er weer over. Toen stond ik op en wilde ik gewoon zeggen hou op, maar in plaats daarvan stond ik op en zei ik: wil je dat ik je een kopstoot geef. […] Toen heb ik hem op de grond geworpen en hebben we op de grond geworsteld. Op de grond was het rollebollen, schoppen en slaan. Ik heb hem op de grond inderdaad geschopt en geslagen. De hiervoor vermelde letselverklaring, een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, is slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie (zie bespreking beroep op noodweer), zodat het beroep op noodweerexces reeds daarom niet slaagt. Het verweer wordt verworpen. Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: mishandeling, begaan tegen zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat. Strafbaarheid van de verdachte Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf en maatregel De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, en heeft daarnaast de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege gelast. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van voorarrest, en daarnaast de maatregel tot terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn vader. De verdachte heeft zijn vader meermalen tegen het hoofd en het lichaam gestompt, geslagen en geschopt. Voor het slachtoffer is dit erg beangstigend en pijnlijk geweest. Door op deze wijze te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het hof vindt dit een ernstig feit, temeer nu het slachtoffer zijn vader is. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 1 maart 2021 is hij eerder wegens geweldsdelicten onherroepelijk veroordeeld, onder meer twee maal wegens mishandeling begaan tegen zijn moeder. De verdachte is in 2016 in een inrichting voor stelselmatige daders geplaatst en hij is in maart en augustus 2018 opnieuw veroordeeld wegens mishandeling. Gedragskundige rapportages en de gevolgtrekkingen van het hof Er is onderzoek gedaan door psychiater [naam 4] en GZ-psycholoog [naam 5] naar de persoon van de verdachte. De deskundigen hebben daaromtrent op respectievelijk 14 en 21 januari 2019 rapporten uitgebracht. In hoger beroep is door voornoemde deskundigen op verzoek van de verdediging aanvullend gerapporteerd op respectievelijk 9 september en 12 oktober 2020, waarbij nadrukkelijk is gekeken naar alternatieven voor de in eerste aanleg opgelegde TBS met dwangverpleging. De verdachte heeft meegewerkt aan de onderzoeken. De gedragsdeskundigen hebben – samengevat en voor zover hier van belang – het volgende gerapporteerd en geadviseerd. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.