afdeling strafrecht parketnummer: 23-000241-19 datum uitspraak: 12 april 2021 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) van 11 januari 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-871053-14 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1978, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 2 maart 2021 en 12 april 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat: primairhij op of omstreeks 26 mei 2014, althans op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2014 tot en met 26 mei 2014 te Den Helder (en/of elders in Nederland) opzettelijk diens zoon, [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2014, van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet - die [slachtoffer] stevig om/bij de borst, althans het lichaam, (vast)gepakt en/of omarmd en/of vastgehouden en/of (de borst) samengedrukt en/of - (meermalen) die [slachtoffer] (hevig) heen en weer geschud en/of - (meermalen) die [slachtoffer] met kracht op/tegen de rug en/of het hoofd, althans het lichaam, geslagen en/of geklopt en/of - die [slachtoffer] met kracht met zijn hoofd tegen een hard voorwerp/object/oppervlak (aan) geslagen en/of geduwd en/of gestoten en/of- anderszins geweld uitgeoefend op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] , ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] op 29 mei 2014 is overleden; subsidiairhij op of omstreeks 26 mei 2014, althans op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 april 2014 tot en met 26 mei 2014, te Den Helder (en/of elders in Nederland) aan diens zoon [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 2014), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten ernstige hypoxische hersenschade en/of meerdere botfracturen), heeft toegebracht, door opzettelijk - die [slachtoffer] stevig om/bij de borst, althans het lichaam, (vast) te pakken en/of te omarmen en/of vast te houden en/of (de borst) samen te drukken en/of - ( meermalen) die [slachtoffer] (hevig) heen en weer te schudden en/of - ( meermalen) die [slachtoffer] met kracht op/tegen de rug en/of het hoofd, althans het lichaam, te slaan en/of te kloppen en/of - die [slachtoffer] met kracht met zijn hoofd tegen een hard voorwerp/object/oppervlak (aan) te slaan en/of te duwen en/of te stoten en/of - anderszins geweld uit te oefenen op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] , terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad; meer subsidiairhij op of omstreeks 26 mei 2014, althans op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2014 tot en met 26 mei 2014 te Den Helder (en/of elders in Nederland) opzettelijk mishandelend een persoon (te weten diens zoon [slachtoffer] ), - stevig om/bij de borst, althans het lichaam, heeft vastgepakt en/of omarmd en/of vastgehouden en/of (de borst) heeft samengedrukt en/of - ( meermalen) (hevig) heen en weer heeft geschud en/of - ( meermalen) die [slachtoffer] met kracht op/tegen de rug en/of het hoofd, althans het lichaam heeft geslagen en/of geklopt en/of - die [slachtoffer] met kracht met zijn hoofd tegen een hard voorwerp/object/oppervlak (aan) heeft geslagen en/of geduwd en/of gestoten en/of - anderszins geweld heeft uitgeoefend op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] , ten gevolge waarvan deze is overleden; meest subsidiairhij op of omstreeks 26 mei 2014, althans op één of meer tijdstippen in op omstreeks de periode van 1 april 2014 tot en met 26 mei 2014 te Den Helder (en/of elders in Nederland) grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig diens kind [slachtoffer] - stevig om/bij de borst, althans het lichaam heeft vastgepakt en/of omarmd en/of vastgehouden en/of (de borst) heeft samengedrukt en/of - ( meermalen) (hevig) heen en weer heeft geschud en/of - ( meermalen) die [slachtoffer] met kracht op/tegen de rug en/of het hoofd, althans het lichaam heeft geslagen en/of geklopt en/of - die [slachtoffer] met kracht met zijn hoofd tegen een hard voorwerp/object/oppervlak (aan) heeft geslagen en/of geduwd en/of gestoten en/of - anderszins geweld heeft uitgeoefend op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] , waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat diens zoon [slachtoffer] zodanig letsel, te weten ernstige hypoxische hersenschade en/of meerdere botfracturen, heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank. Bewijsoverwegingen Standpunt advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gerekwireerd tot bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde doodslag op baby [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ). Zij heeft daartoe aangevoerd dat uit de verschillende rapporten die zijn uitgebracht blijkt dat het overlijden van [slachtoffer] is veroorzaakt door toegebracht geweld dat heeft geleid tot niet met het leven verenigbare hersenschade en tot ribfracturen en metafysaire hoekfracturen. De alternatieve oorzaken van het letsel, zoals de door de verdediging ingeschakelde deskundigen in hun rapporten hebben opgenomen, zijn door drs. [naam 1] , forensisch arts KNMG en werkzaam bij het Nederlands Forensisch instituut (NFI), onderbouwd verworpen. Ook de op zijn rapport geuite kritiek betreffende de gebruikte methodiek heeft [naam 1] weerlegd.Gelet op de datering van de letsels en de verklaringen van de moeder van [slachtoffer] en de twee getuigen die op kraamvisite waren, concludeert de advocaat-generaal dat het de verdachte moet zijn geweest die de geweldshandelingen, zoals opgenomen in de tenlastelegging, heeft gepleegd. De advocaat-generaal stelt zich voorts op het standpunt dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de doodslag van [slachtoffer] . Zij voert daartoe aan dat de verdachte dermate hard met zijn baby moet hebben geschud, dat in die (zeer gevaarlijke) handelswijze besloten ligt dat hij bewust de aanmerkelijke kans op het overlijden van zijn kind voor lief heeft genomen. Standpunt van de verdediging De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het dossier te veel ruimte laat voor gerede twijfel om tot een veroordeling te komen. Onder de deskundigen bestaat verschil van mening over de mogelijke oorzaken van het geconstateerde letsel. Ook dient behoedzaam omgegaan te worden met de rapporten van het NFI en het trekken van verregaande conclusies, nu de door het NFI gebruikte methode niet zonder kritiek is. Gelet op het voorgaande is het mogelijk dat een ziekelijke aandoening die de letsels van [slachtoffer] zou verklaren over het hoofd wordt gezien. Bovendien bieden het dossier en de persoon en persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen aanknopingspunten om aan te nemen dat hij zijn baby zou hebben gedood of (zwaar) zou hebben mishandeld. Oordeel van het hof Het hof stelt op basis van het dossier het volgende vast. De avond van 26 mei 2014 Op [geboortedag 2] 2014 wordt [slachtoffer] geboren, zoon van de verdachte en [echtgenote] , echtgenote van de verdachte. Op 26 mei 2014 komen twee vriendinnen van [echtgenote] – [naam 2] en [naam 3] – op kraambezoek. Zij arriveren op 26 mei 2014 tussen 19:30 uur en 20:10 uur bij de woning van de verdachte en zijn vrouw in Den Helder. [slachtoffer] zit gedurende enige tijd bij zijn vader op schoot. Hij is wakker en alert. [slachtoffer] heeft wel last van buikkrampjes. Om die te verzachten maakt de verdachte fietsbewegingen met de beentjes van [slachtoffer] . Rond 20:30 uur verlaat de verdachte met [slachtoffer] de woonkamer en gaat met hem naar boven om hem de fles te geven en in bed te leggen. De verdachte is alleen met [slachtoffer] . Rond 21.15 uur slaat hij alarm en roept hard om [echtgenote] , zijn vrouw. De verdachte komt in paniek met [slachtoffer] naar beneden. De moeder van [slachtoffer] neemt [slachtoffer] over en komt met hem de woonkamer in. Zij legt [slachtoffer] op haar schoot en klopt op zijn rug. [slachtoffer] wordt vervolgens eerst door [naam 3] en daarna door zijn moeder gereanimeerd. Om 21:21 uur belt de verdachte 112. Verbalisant [verbalisant] relateert dat hij met drie collega’s omstreeks 21:26 uur ter plaatse is. De verbalisant ziet een baby in de woonkamer op de grond liggen. Hij ziet dat de baby een blauwige huidskleur heeft en niet beweegt. De baby wordt gereanimeerd door de moeder van [slachtoffer] en een voor de verbalisant onbekende vrouw (het hof begrijpt: [naam 3] ). De verbalisanten nemen de reanimatie over en beademen [slachtoffer] . Enkele minuten later ziet de verbalisant de medewerkers van de ambulancedienst de woning inkomen. Zij nemen de beademing en reanimatie over. Omstreeks 21:39 uur ziet de verbalisant dat [slachtoffer] zijn eigen hartslag en natuurlijke kleur terug begint te krijgen. [slachtoffer] reguleert echter nog niet zijn eigen ademhaling. Om ongeveer 21:56 landt de traumahelikopter ter plekke. De arts van de traumahelikopter en de medewerkers van de ambulancedienst beslissen dat [slachtoffer] zo snel mogelijk naar het ziekenhuis moet worden vervoerd. [slachtoffer] wordt met de ambulance naar het Gemini Ziekenhuis in Den Helder gebracht. Daar worden bloedingen in de schedel/hersenen vermoed. Vanwege diens slechte klinische conditie wordt [slachtoffer] in de vroege ochtend van 27 mei 2014 overgebracht naar het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam. Uit onderzoeken die [slachtoffer] daarna ondergaat blijkt dat het hersenletsel dat bij hem is geconstateerd van dusdanige ernst is, dat verder behandelen niet zinvol wordt geacht. Op 29 mei 2014 rond 15:00 uur overlijdt [slachtoffer] in het AMC, nadat de behandelingen en de beademing zijn gestopt. Bevindingen schouwarts Op 29 mei 2014 schouwt drs. [naam 4] , forensisch arts van de GGD, het lichaam van [slachtoffer] . In het schouwverslag van 30 mei 2014 concludeert zij dat sprake is van niet natuurlijk overlijden. [slachtoffer] heeft namelijk ernstige hypoxische hersenschade opgelopen dat niet met leven verenigbaar is. Ook zijn bij [slachtoffer] meerdere ribfracturen en botfracturen in onder andere beide bovenbenen en zijn rechterarm aangetroffen. Het letsel dat bij [slachtoffer] is aangetroffen past, in combinatie met het neurologische onderzoek, bij toegebracht schedelhersenletsel, aldus de schouwarts. Bevindingen forensisch patholoog Op 30 mei 2014 vindt vervolgens een gerechtelijke sectie plaats op het lichaam van [slachtoffer] . Bij de sectie wordt een normaal geproportioneerd, goed gevoed en verzorgd jongetje gezien met maten en gewichten conform de leeftijd van acht weken oud. [naam 5] , forensisch patholoog bij het NFI, concludeert op grond van haar bevindingen dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van ernstig schedelhersenletsel door bij leven opgelopen uitwendig inwerkend mechanisch geweld op het hoofd. Bij uitwendig onderzoek worden behalve tekenen van medische handelingen een paar onderhuidse bloeduitstortingen waargenomen aan de rechterkant van het gezicht en de rug die niet zonder meer zijn te verklaren door medische interventie. De bloeduitstortingen zijn het gevolg van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend botsend geweld zoals dat door stoten/slaan kan worden opgeleverd. Bij inwendig onderzoek blijkt dat sprake is van bloeduitstortingen aan de schedelhuid rechts zijwaarts in relatie met de bloeduitstorting in het gezicht en een bloeduitstorting aan het achterhoofd. Wat betreft de bij [slachtoffer] aangetroffen ribbreuken kan uit de als bijlage bij het rapport van [naam 5] gevoegde brief van kinderradioloog [naam 6] worden afgeleid dat de ribbreuken passen bij compressie van de thorax, bijvoorbeeld door extreem krachtig vasthouden. Een dergelijke compressie ontstaat vaak tijdens schudincidenten. Zelfs bij gecompliceerde bevallingen is een ribfractuur uitzonderlijk. Daarom hebben ribfracturen op deze leeftijd een hoge specificiteit voor non-accidental injury, aldus de kinderradioloog. Microscopisch onderzoek bevestigt de breuken van de lange pijpbeenderen (metafysaire hoekfracturen). Bij het neuropathologisch onderzoek is blijkens het rapport van [naam 5] uitgebreide schade in de hersenen, kleine hersenen, hersenstam en ruggenmerg waargenomen, ontstaan door langdurig zuurstofgebrek zowel recent als langer geleden, passend bij dagen tot weken voor de dood. De recente schade bestond uit verse bloedingen zowel in het hersenweefsel als in het de hersenen omgevende spinnenwebvlies. [naam 5] ziet tevens een schil van bloed onder het harde hersenvlies en zeer bloederige zachte hersenvliezen. Ook wordt bloed gezien rondom de hersenstam en de kleine hersenen. Aan beide zijden wordt macroscopisch beiderzijds bloed in de oogzenuwscheden gezien. Er is een kleine bloeding in het netvlies van het linkeroog. De schedelhersenletsels passen bij acceleratie/deceleratie/impacttrauma op het hoofd en passen bij krachtig schudden/impact op het hoofd, aldus de forensisch patholoog. De hersenafwijkingen, zo rapporteert [naam 5] , verklaren het intreden van de dood zonder meer op basis van hersenfunctieverlies. De combinatie van de gevonden letsels (hersenletsels, oog(zenuw)letsels, posterieure en anterieure ribfracturen en metafysaire hoekfracturen beiderzijds) past bij niet-accidentele letsels zoals dat door meermalen toegepast krachtig schudden en/of impact kan ontstaan. [naam 5] sluit ziekelijke oorzaken en/of bijdrage aan de gevonden letsels uit. Bevindingen forensisch arts NFI Drs. [naam 1] , forensisch arts van het NFI, wordt door de rechter-commissaris benoemd als deskundige. In zijn rapport van 16 maart 2015 bespreekt [naam 1] alle bevindingen wat betreft de bij [slachtoffer] aangetroffen letsels eerst afzonderlijk en vervolgens in onderlinge samenhang. Bij [slachtoffer] was sprake van hersenweefselversterf als gevolg van zuurstoftekort, waarbij de hersenen zijn gaan zwellen. Uit onderzoek blijkt dat infecties in het hoofd en aanlegstoornissen van de bloedvaten in het hoofd als oorzaak van het hersenletsel uitgesloten kunnen worden. Ook onderzoek naar een toxicologische bijdrage aan de hersenfunctiestoornis levert daarvoor geen aanwijzingen op. Bloeduitstorting onder het harde hersenvlies In verband met de bloeding onder het harde hersenvlies (subduraal hematoom) ziet de rapporteur geen aanwijzingen voor een mogelijke medische verklaring. Een dergelijke bloeding is een bevinding bij toegebracht schedelhersenletsel, waarbij sprake is van forse impact, heftig schudden (acceleratie-deceleratietrauma) of een combinatie van beide. Krachten die ontstaan bij vallen van beperkte hoogte en bij ongelukken bij normaal uitgevoerde verzorgingshandelingen, zijn onvoldoende voor het oplopen van een dergelijke bloeding onder het harde hersenvlies. [naam 1] concludeert dat de aangetroffen bloeduitstortingen onder het harde hersenvlies – afzonderlijk bezien – veel waarschijnlijker zijn bij een niet-accidenteel contacttrauma, bij schudden (acceleratie-deceleratietrauma) of bij een combinatie van beide, dan bij een medische oorzaak en/of de geboorte en/of een val van beperkte hoogte en/of normaal uitgevoerde verzorgingshandelingen. Oogheelkundige bevindingen Wat betreft de oogheelkundige bevindingen stelt [naam 1] dat de bloedingen langs de oogzenuw traumatisch van aard zijn en gebruikelijker na een niet-accidenteel trauma dan na een accidenteel trauma. Tegelijkertijd is de beperkte hoeveelheid netvliesbloedingen op zichzelf niet ondersteunend voor een niet-accidenteel trauma. De rapporteur concludeert aldus dat de combinatie van bloedingen langs de oogzenuw en de netvliesbloedingen iets waarschijnlijker is bij een contacttrauma, bij schudden (acceleratie-deceleratietrauma) of bij een combinatie van beide, dan bij een accidenteel trauma. Metafysaire hoekfracturen Metafysaire hoekfracturen aan het uiteinde van verschillende botten in de armen en benen worden bij het ontbreken van een andere plausibele verklaring als zeer specifiek voor kindermishandeling beschouwd. Bij [slachtoffer] was sprake van zes metafysaire hoekfracturen: twee in de armen (bij de linkerelleboog en rechterschouder) en vier in de benen (bij de linkerknie, de linkerenkel, de rechterheup en de rechterenkel). Er was zowel sprake van een genezingsstadium wijzend op een ouderdom van dagen tot weken, als van bloeduitstorting wijzend op een recenter ontstaan. De krachten die nodig zijn om dergelijke breuken te veroorzaken, komen niet voor bij een enkele val of stomptrauma. Er is een relatie tussen metafysaire hoekfracturen en schudincidenten. Het vastpakken van een voet en het met kracht schudden van de voet kan eveneens leiden tot een dergelijke breuk. In de beschikbaar gestelde gegevens heeft [naam 1] geen passende verklaring aangetroffen voor de geconstateerde breuken. Hij concludeert daarom dat de geconstateerde metafysaire hoekfracturen afzonderlijk bezien zeer veel waarschijnlijker zijn bij een niet-accidentele toedracht (toegebracht letsel) dan bij een accidentele toedracht (een val of een ongeval). Ribbreuken Ribbreuken zijn zeer zeldzaam bij jonge kinderen vanwege de flexibiliteit van de borstkas. Bij [slachtoffer] zijn met microscopisch onderzoek in totaal negentien ribbreuken met zekerheid vastgesteld. Zowel aan de voorzijde (vijf links van het borstbeen en vijf rechts van het borstbeen) als aan de achterzijde (vier links van de wervelkolom en vijf rechts van de wervelkolom). Er was zowel sprake van oudere ribbreuken als van recentere ribbreuken. In de beschikbaar gestelde stukken is geen passende verklaring aangetroffen voor het ontstaan van de ribbreuken van [slachtoffer] . De rapporteur concludeert dat de ribbreuken veel waarschijnlijker zijn wanneer sprake is geweest van een niet-accidenteel trauma dan wanneer sprake is geweest van een medische aandoening en/of het gevolg is geweest van de geboorte. Conclusies van forensisch arts NFI [naam 1] concludeert als volgt. Bij [slachtoffer] zijn onder meer ernstige, fataal verlopende hersenfunctiestoornissen met hersenweefselversterf (met bewustzijnsvermindering en ademhalingsproblemen), bloeduitstortingen onder het harde hersenvlies, bloedingen langs de oogzenuwen, zes metafysaire hoekfracturen en negentien ribbreuken geconstateerd. De bloeduitstorting onder het harde hersenvlies vormt een aanwijzing voor het ontstaansmechanisme van het hersenletsel. De combinatie van bevindingen is passend bij toegebracht hersenletsel door heftig schudden (acceleratiedeceleratietrauma), door forse impact, of door de combinatie van beide, waarbij de afwezigheid van schade aan de zenuwuitlopers bij neuropathologisch onderzoek wijst op in elk geval forse impact als onderdeel van een niet-accidenteel trauma. De bloeduitstorting aan de binnenzijde van de huid over de achterzijde van de schedel vormt een aanwijzing voor de locatie van impact aan het achterhoofd, bijvoorbeeld door [slachtoffer] met kracht met zijn hoofd tegen een voorwerp of oppervlak te slaan. De ribbreuken en de metafysaire hoekfracturen zijn ondersteunend voor een gewelddadige handeling als oorzaak van het hersenletsel. Zowel de schade in de hersenen als de ribbreuken en de metafysaire hoekfracturen zijn recent voor het overlijden en (vele dagen tot enkele weken) eerder ontstaan, wat wijst op meer momenten (minimaal twee) van toebrengen van letsel. Er zijn geen medische aandoeningen geconstateerd die de combinatie van bevindingen kunnen verklaren. De geconstateerde letsels zijn niet ontstaan door eigen toedoen of gedragingen van [slachtoffer], bij gebruikelijke verzorgingshandelingen, of bij de bevalling. De rapporteur komt tot de (eind)conclusie dat het fataal verlopen hersenletsel, met hersenweefselversterf, bloeduitstorting onder het harde hersenvlies, bloeding rondom de oogzenuwen, negentien ribbreuken en zes metafysaire hoekfracturen zeer veel (in orde van 10.000-1.000.000 keer) waarschijnlijker zijn bij een niet-accidentele oorzaak (een heftig schudincident, forse impact, of de combinatie van beide), dan bij een accidentele oorzaak, gebruikelijke verzorgingshandelingen of een medische aandoening. Verklaring forensisch arts NFI ter terechtzitting in hoger beroep Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [naam 1] het volgende opgemerkt over voornoemde (eind)conclusie. Hij blijft bij de conclusie dat de combinatie van bevindingen passend is bij toegebracht hersenletsel door heftig schudden (acceleratiedeceleratietrauma), door forse impact, of door de combinatie van beide. Hij heeft de kans op de bij [slachtoffer] aangetroffen combinatie van letsels afgewogen tegen enerzijds een niet-accidentele oorzaak en anderzijds tegen het alternatief van een accidentele oorzaak, gebruikelijke verzorgingshandelingen of een medische aandoening. [naam 1] heeft in de alternatieve hypothese aldus geen onderscheid gemaakt tussen fors accidenteel letsel, zoals letsel dat ontstaat bij een val van een balkon, en accidenteel letsel dat wordt veroorzaakt door bijvoorbeeld een val van beperkte hoogte (1 tot 2 meter). De deskundige formuleert de alternatieve hypothese thans anders, namelijk door de ‘fors accidentele oorzaak’ (zoals een val van een balkon) weg te laten uit deze alternatieve hypothese. De hypothesen zouden dan luiden: een niet-accidentele oorzaak (hypothese 1) versus een accidentele oorzaak zoals een ongeluk bij gebruikelijke verzorgingshandelingen of medische aandoening (hypothese 2) en daarnaast een niet-accidentele oorzaak (hypothese 1) versus een accidentele oorzaak met forsere krachten (zoals het vallen van een balkon) (hypothese 3). [naam 1] verklaart dat zijn conclusie niet wijzigt als het gaat om de kans op de aangetroffen combinatie van bevindingen met betrekking tot de letsels wanneer er bij [slachtoffer] sprake is geweest van een niet-accidentele oorzaak (hypothese 1) ten opzichte van een accidentele oorzaak met krachten zoals bij vallen van beperkte hoogte (1 tot 2 meter) of bij gebruikelijke verzorgingshandelingen of een medische aandoening (hypothese 2). Hij acht de combinatie van letsels zoals die bij [slachtoffer] is aangetroffen dan nog steeds zeer veel waarschijnlijker bij een niet-accidentele oorzaak dan een accidentele oorzaak. Wat betreft de kans op de aangetroffen combinatie van letsels wanneer er sprake is van een niet-accidentele oorzaak (hypothese 1) ten opzichte van een accidentele oorzaak met forsere krachten (hypothese 3) concludeert [naam 1] thans dat, hoewel de bewijskracht nog steeds sterk in de richting van niet-accidenteel letsel (hypothese 1) wijst, hij bij deze toetsing niet zou kiezen voor de bewijskracht “zeer veel waarschijnlijker”. Het hof neemt in dit verband evenwel in aanmerking dat op geen enkele manier is gebleken noch gesteld dat bij [slachtoffer] sprake is geweest van een ernstig ongeval dat met forsere krachten gepaard is gegaan. [naam 1] verklaart voorts dat hij niet vast kan stellen of sprake is geweest van een heftig schudincident, forse impact, of een combinatie van beide. Een deel van de letsels die bij [slachtoffer] zijn aangetroffen, wijst op een heftig schudincident. Echter zijn bij [slachtoffer] ook letsels aangetroffen die wijzen op forse impact als ontstaansmechanisme van de letsels. Gelet op studies met bekennende daders is het ook goed mogelijk dat sprake is geweest van zowel een heftig schudincident, als forse impact op het hoofd en lichaam van [slachtoffer] . Alternatieve medische verklaringen [naam 7] en [naam 8] Op verzoek van de verdediging hebben [naam 7] en [naam 8] , respectievelijk voormalig hoogleraar neonatologie en voormalig uroloog, rapporten opgesteld betreffende alternatieve medische verklaringen voor het letsel dat bij [slachtoffer] is aangetroffen. [naam 1] heeft in zijn aanvullende rapporten van 7 januari 2016 en 21 februari 2018 op deze rapporten gereageerd en uitgelegd waarom naar voren gebrachte alternatieve medische verklaringen niet aan de orde zijn of geen afbreuk doen aan de eerdere bevindingen van het NFI. Bij die uitleg speelt een rol dat die alternatieven, voor zover zij al bepaalde letsels zouden kunnen verklaren, telkens geen verklaring kunnen geven voor de combinatie van de bij [slachtoffer] aangetroffen letsels. In hoger beroep is door de raadsman de nadruk gelegd op renale tubulaire acidose als alternatieve oorzaak. In hun rapport van 19 september 2016 concluderen [naam 7] en [naam 8] dat [slachtoffer] heeft geleden aan een zeldzame aangeboren nierziekte. Het betreft een ernstige vorm van renale tubulaire acidose met een daaraan gerelateerd probleem met rode bloedcellen: elliptocytose. De nierziekte zou de oorzaak zijn van het overlijden van [slachtoffer] . De gevolgen van deze nierziekte zijn dat de aan de nierafwijking gerelateerde afwijking van rode bloedcellen (elliptocytose) tot samenklontering van rode bloedcellen en daarmee tot hersenschade door zuurstofgebrek hebben geleid. Ook zou de aan de nierafwijking gerelateerde bloedverzuring tot onttrekking van calcium uit de botten hebben geleid. Dit zou fracturen hebben veroorzaakt. Bovendien zou de onttrekking van calcium uit de botten hebben geleid tot kalkneerslag in de nieren (nefrocalcinose). De nefrocalcinose zou echografisch zichtbaar zijn geweest en bij herbeoordeling door kinderradioloog [naam 6] zijn bevestigd. Er is sprake van een discrepantie tussen de sectiebevindingen van de nier en de echoscopische bevindingen, omdat de patholoog niet op zoek is geweest naar afwijkingen en deze aldus over het hoofd heeft gezien. De reactie van de forensisch arts NFI [naam 1] reageert in zijn rapport van 21 februari 2018 als volgt. Na overleg met kinderarts-hematoloog [naam 9] concludeert [naam 1] dat bij [slachtoffer] geen elliptocytose en afwijkende bloedingsneiging is vastgesteld. Ook was bij [slachtoffer] geen sprake van kalkarme botten. Tot slot is bij [slachtoffer] geen nefrocalcinose vastgesteld. De nefrocalcinose is zelfs bij herhaling op microscopisch niveau uitgesloten. [naam 1] is voor de volledigheid ingegaan op de eventuele gevolgen van deze nieraandoening. In het geval dat bij [slachtoffer] sprake is geweest van kalkarme botten, zou dat kunnen leiden tot een verhoogde breekbaarheid van de botten. Metafysaire hoekfracturen worden echter niet gezien als gevolg van aandoeningen die tot een vergrote kans op botbreuken leiden. Bovendien zouden botbreuken op gebruikelijke plaatsen moeten ontstaan. De afwezigheid van botbreuken op gebruikelijke plaatsen en de aanwezigheid van veel breuken op uitzonderlijke plaatsen, maakt dat het zeer onaannemelijk is dat bij [slachtoffer] sprake is geweest van kalkarme botten. Voorts merkt [naam 1] op dat elliptocytose geen logische verklaring is voor het hersenletsel, het subdurale hematoom en de bloeduitstortingen langs de oogzenuwen. Als sprake zou zijn van verhoogde klinische relevante stollingsneiging, dan is niet voorstelbaar dat enkel een subduraal hematoom ontstaat, en geen bloeding op een andere plek in de hersenen. Ook wordt in de medisch-wetenschappelijke literatuur renale tubulaire acidose of elliptocytose niet genoemd als oorzaak van een subduraal hematoom. [naam 1] komt tot de conclusie dat de relatie die tussen (niet aangetoonde) afwijkingen en het hersenletsel en/of de botbreuken wordt verondersteld, wetenschappelijke onderbouwing ontbeert. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [naam 1] desgevraagd verklaard over de door [naam 7] en [naam 8] genoemde alternatieve medische verklaringen voor de bij [slachtoffer] aangetroffen letsels. Hij heeft aangevoerd dat bij nader onderzoek niet is gebleken dat [slachtoffer] heeft geleden aan de aangedragen aandoeningen. De nieren van [slachtoffer] zijn aanvullend onderzocht door dr. [naam 10] . In haar verslag van 18 januari 2018 heeft zij aangegeven dat zij geen aanwijzingen heeft gevonden voor kalkdeposities die zouden kunnen duiden op nefrocalcinose. Voorts benadrukt [naam 1] dat in het geval dat de genoemde medische aandoeningen wel zouden zijn vastgesteld bij [slachtoffer] , deze op geen enkele manier de combinatie van bij [slachtoffer] aangetroffen letsels kunnen verklaren. [naam 1] blijft erbij dat geen sprake is geweest van een onderliggende ziekelijke aandoening. Er is ook geen diagnose gemist, aldus [naam 1] . Kritiek op het door het NFI verrichte onderzoek door [naam 11] In hoger beroep heeft [naam 11] , (oud huis)arts niet-praktiserend epidemioloog, op verzoek van de verdediging een rapport opgesteld als reactie op het door het NFI verrichte onderzoek. [naam 11] heeft in zijn rapport van 3 februari 2021 kritiek geuit op de door het NFI gebruikte onderzoeksmethode, in het bijzonder wat betreft de door het NFI gebruikte statistische methode, het artikel van [artikel]
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.