GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civiel recht en belastingrecht Team III (familie- en jeugdrecht) Zaaknummers: 200.290.910/01 en 200.290.911/01 Zaaknummers rechtbank: C/15/292465 / FA RK 19-4696 en C/15/300039 / FA RK 20-994 Beschikking van de meervoudige kamer van 5 april 2022 inzake [de man] , wonende op een geheim adres, verzoeker in principaal hoger beroep, verweerder in incidenteel hoger beroep, hierna: de man, advocaat: mr. E.M. Diesfeldt te Alkmaar, en [de vrouw] , wonende te [plaats] , gemeente [gemeente] , verweerster in principaal hoger beroep, verzoekster in incidenteel hoger beroep, hierna: de vrouw, advocaat: mr. L. Bosch te Hoorn (NH). 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 25 november 2020, uitgesproken onder voormelde zaaknummers. 2Het geding in hoger beroep 2.1 De man is op 24 februari 2021 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 25 november 2020. 2.2 De vrouw heeft op 21 mei 2021 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend. 2.3 De man heeft op 14 juli 2021 een verweerschrift in incidenteel hoger beroep ingediend. 2.4 Bij het hof zijn voorts ingekomen: - een brief van de zijde van de vrouw van 10 december 2021 met bijlagen, ingekomen op 13 december 2021; - een journaalbericht van de zijde van de man van 14 december 2021 met bijlagen, ingekomen op 15 december 2021. 2.5 De mondelinge behandeling heeft op 23 december 2021 plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd. 3De feiten 3.1 Partijen zijn [in] 2016 gehuwd. Hun huwelijk is op 12 maart 2021 ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de - in zoverre niet bestreden - beschikking van 25 november 2020, waarbij de echtscheiding is uitgesproken. Uit het huwelijk zijn geboren: [kind 1] , [in] 2017 (hierna: [kind 1] ) en [kind 2] , [in] 2019 (hierna: [kind 2] ). Partijen oefenen van rechtswege gezamenlijk het gezag over [kind 1] en [kind 2] uit. [kind 1] en [kind 2] hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw. 3.2 De man heeft twee kinderen uit een eerder huwelijk, te weten [kind 3] , geboren [in] 2007 en [kind 4] , geboren [in] 2010. 3.3 Partijen zijn op 12 mei 2016 huwelijkse voorwaarden overeengekomen. In de akte van huwelijke voorwaarden zijn partijen - kort gezegd - naast een uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen onder meer een finaal verrekenbeding overeengekomen. In artikel 10, eerste lid, van de huwelijkse voorwaarden is hierover onder andere het volgende opgenomen: “Als ons huwelijk eindigt door overlijden of echtscheiding (…) doen wij alsof wij in gemeenschap van goederen zijn gehuwd volgens de huidige Nederlandse wet. Wij worden dan niet samen eigenaar maar verrekenen daardoor de waarde van onze vermogens, zelfs als een goed was verkregen vóór het aangaan van ons huwelijk. (…)” Op grond van artikel 10, tweede lid, van de huwelijkse voorwaarden dient in geval van echtscheiding de verrekening plaats te vinden naar de toestand op het moment van indiening van het verzoek tot echtscheiding, te weten 14 augustus 2019. 3.4 Bij beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 22 augustus 2019 is bij wijze van voorlopige voorzieningen, voor zover thans van belang, het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning) aan de man toegekend en een door hem aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] bepaald van € 46,- per maand. De rechtbank heeft deze voorziening op 16 september 2019 aldus gewijzigd dat het gebruik van de woning voortaan aan de vrouw toekomt. 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, bepaald dat: de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] (hierna: kinderbijdrage) aan de vrouw dient te voldoen van € 184,- per kind per maand, met ingang van 6 oktober 2020; partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld aan De Bijenkorf in verband met De Bijenkorf Card; de man, in het kader van de verdeling van de gemeenschappelijke inboedelgoederen van partijen, wegens overbedeling een bedrag van € 4.798,50 aan de vrouw dient te voldoen; de auto van het merk Volkswagen, type Up, aan de man wordt toebedeeld tegen een waarde van € 6.050,- met de bepaling dat de schuld van partijen aan de ING Bank in verband met de aankoop van de auto geheel door de man zal worden gedragen, dat hij de vrouw zal vrijwaren voor aanspraken van de schuldeiser ter zake en dat hij wegens overbedeling een bedrag van € 2.473,50 aan de vrouw zal voldoen; de man wegens verrekening van de kosten van de huishouding aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 1.426,21 over de periode van 14 augustus 2019 tot en met 31 december 2019 en een bedrag van € 3.846,17 over de periode van 1 januari 2020 tot en met 30 juni 2020. Voorts is de wijze van verdeling van de woning aan de [adres] te [plaats] en de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening bij MoneYou vastgesteld conform hetgeen in rechtsoverwegingen 2.10.3 tot en met 2.10.11 van de bestreden beschikking is overwogen. in principaal hoger beroep 4.2 De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover deze betrekking heeft op de kinderbijdrage, de schuld aan De Bijenkorf, de inboedelgoederen, de Volkswagen en de kosten van de huishouding, en, in zoverre opnieuw rechtdoende, te bepalen - naar het hof begrijpt - dat hij uit dien hoofde niets aan de vrouw verschuldigd is. 4.3 De vrouw verzoekt het door de man verzochte af te wijzen en hem te veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep. in incidenteel hoger beroep 4.4 De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat: de hypothecaire geldlening bij MoneYou met nummer 1765142 in de verdeling betrokken wordt tegen een waarde per 1 september 2019 van € 219.140,72; de vrouw, indien de man niet verricht waartoe hij ingevolge de door het hof te wijzen beschikking gehouden is, gemachtigd is om datgene te bewerkstelligen waartoe nakoming van de door het hof te wijzen beschikking zou hebben geleid, conform artikel 3:299 BW; de in deze te wijzen beschikking dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van partijen, conform artikel 3:300 BW; in het kader van de verdeling van de gezamenlijke inboedelgoederen van partijen de man wegens overbedeling een (ter zitting in hoger beroep verminderd) bedrag van € 6.469,50 aan de vrouw dient te voldoen; de man onrechtmatig jegens de vrouw heeft gehandeld door de inboedelgoederen te beschadigen en hij aan de vrouw de hierdoor ontstane schade dient te vergoeden van € 45.518,-, dan wel een in goede justitie te bepalen schadebedrag, met veroordeling van de man in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep. 4.5 De man verzoekt het door de vrouw verzochte af te wijzen en haar te veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep. Voorts verzoekt de man voorwaardelijk vaststelling van een door de vrouw aan hem te betalen gebruiksvergoeding voor de woning. 5De motivering van de beslissing 5.1 De man komt met vijf grieven op tegen de beslissing van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde motivering. De vrouw heeft drie grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank. Het hof zal de grieven van partijen in principaal en incidenteel hoger beroep, gelet op hun (gedeeltelijke) onderlinge samenhang, gezamenlijk en per onderwerp bespreken. 5.2 Ter zitting in hoger beroep heeft de man zijn eerste, tweede en vierde grief, alsmede de daarmee samenhangende verzoeken met betrekking tot de kinderbijdrage, de schuld aan De Bijenkorf en de waarde van de Volkswagen, ingetrokken. Ook heeft hij zijn voorwaardelijke verzoek tot vaststelling van een door de vrouw aan hem te betalen gebruiksvergoeding voor de woning (nog daargelaten de vraag of dit verzoek tijdig is ingediend) ter zitting ingetrokken. Op deze verzoeken hoeft dan ook niet meer te worden beslist. 5.3 Evenmin hoeft te worden beslist op de vijfde grief van de man, en het daarmee samenhangende verzoek met betrekking tot de in de bestreden beschikking onder 3.10 vastgestelde vordering van de vrouw op de man wegens verrekening van de kosten van de huishouding. Partijen hebben ter zitting in hoger beroep op dit punt overeenstemming bereikt. Naar het hof begrijpt gaat het hier (anders dan de rechtbank heeft overwogen) niet om de kosten van de huishouding, maar om een vergoeding van de man aan de vrouw in verband met de eigenaarslasten van de woning. Partijen hebben afgesproken dat de man een bedrag van € 1.000,- aan de vrouw zal voldoen en dat voor de verdeling van de woning uitgegaan zal worden van de hoogte van de hypotheekschuld van partijen bij MoneYou per de peildatum, te weten 14 augustus 2019. Gelet op deze afspraak hoeft ook niet meer te worden beslist op een gedeelte van de eerste grief van de vrouw in incidenteel hoger beroep en het daarmee samenhangende verzoek met betrekking tot de te hanteren peildatum ten aanzien van de hypotheekschuld van partijen bij MoneYou. Het hof zal de gemaakte afspraken vastleggen in deze beschikking. 5.4 Het hof zal de verzoeken van de vrouw op grond van artikel 3:299 en 3:300 BW afwijzen. De vrouw heeft ter onderbouwing van haar verzoeken aangevoerd dat de man niet bereid is gebleken medewerking te verlenen aan de overdracht van de woning aan de vrouw (overeenkomstig het bepaalde in de bestreden beslissing) en dat hij ook niet reageert op stukken van de notaris. De man stelt dat hij wel degelijk bereid is om medewerking te verlenen aan de overdracht en ook contact heeft gehad met de notaris. In de door de notaris opgestelde concept akte van verdeling is opgenomen dat de man een schuld aan de vrouw heeft wegens overbedeling ter hoogte van € 12.544,38, overeenkomstig hetgeen de rechtbank heeft bepaald. De man heeft de notaris laten weten in hoger beroep te gaan tegen de beslissing van de rechtbank, zodat de hoogte van de schuld niet vast staat. De notaris heeft toen volgens de man aangegeven dat hij de uitkomst van het hoger beroep zou afwachten. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de man niet bereid is om medewerking te verlenen aan de overdracht van de woning aan de vrouw. De hoogte van de overbedelingsschuld van de man aan de vrouw, die in de akte van verdeling zal worden betrokken, is geheel afhankelijk van de uitkomst van de onderhavige procedure in hoger beroep, zodat voorstelbaar is dat de man (nog) niet met de inhoud van de concept akte heeft ingestemd. De man heeft bovendien belang bij de overdracht van de woning aan de vrouw, aangezien de helft van de overwaarde aan hem toekomt. De eerste grief van de vrouw faalt in zoverre. Inboedel 5.5 Partijen hebben beiden gegriefd tegen de beslissing van de rechtbank dat de man wegens overbedeling een bedrag van € 4.798,50 aan de vrouw dient te voldoen in het kader van de verdeling van de gemeenschappelijke inboedelgoederen van partijen. De rechtbank heeft hiertoe onder andere overwogen dat de man het door de vrouw overgelegde overzicht van de (verdeling van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.