GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.305.617/01 zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/314900 / HA ZA 21-189 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 april 2022 inzake [appellante] , wonend te [woonplaats] , appellante in de hoofdzaak, eiseres in het incident, advocaat: mr. L.L. Couvreur te Amsterdam, tegen KELTECH ELECTRICAL SERVICES B.V., gevestigd te Hoorn, geïntimeerde in de hoofdzaak, verweerster in het incident, advocaat: mr. P.F. Keuchenius te Hoorn. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellante] en Keltech genoemd. [appellante] is bij dagvaarding van 17 januari 2022 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 29 december 2021 dat onder bovengenoemd zaak-/rolnummer is gewezen tussen Keltech als eiseres en [appellante] als gedaagde. Bij de dagvaarding heeft [appellante] tevens een incidentele vordering tot schorsing ex artikel 351 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), althans tot zekerheidstelling ex artikel 235 Rv, ingesteld. [appellante] heeft in het incident gevorderd, primair, dat het hof de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis zal schorsen, een en ander onder verbeurte van een dwangsom door Keltech, subsidiair, dat het hof dit zal doen onder de voorwaarde dat [appellante] zekerheid biedt voor betaling van de vorderingen van Keltech door het verstrekken van een bankgarantie, een en ander onder verbeurte van een dwangsom door Keltech, en meer subsidiair, voor zover de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis niet wordt geschorst, dat het hof zal bepalen dat aan de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis de voorwaarde wordt verbonden dat Keltech zekerheid stelt, uitvoerbaar bij voorraad. Op de dienende dag heeft [appellante] overeenkomstig de appeldagvaarding geconcludeerd. Keltech heeft daarop bij conclusie, met producties, geantwoord en geconcludeerd dat het hof de incidentele vordering zal afwijzen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het incident. Vervolgens is arrest gevraagd in het incident. 2Beoordeling in het incident 2.1. Het gaat in deze zaak, samengevat en voor zover in dit incident van belang, om het volgende. [appellante] is in dienst geweest van Keltech. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank, op vordering van Keltech, voor recht verklaard dat [appellante] ongerechtvaardigd is verrijkt en [appellante] veroordeeld tot vergoeding van de schade die Keltech heeft geleden op grond van ongerechtvaardigde verrijking door betaling van een bedrag van € 42.377,75, te vermeerderen met wettelijke rente hierover vanaf 30 maart 2021 tot de dag van volledige betaling. De rechtbank heeft daartoe (onder meer) overwogen dat Keltech is geslaagd in het bewijs dat de betalingen van Keltech ten behoeve van [appellante] voor de woningen in [plaats] en [plaats] (huur en nutsvoorzieningen) geen rechtsgrond hadden en dat Keltech door die betalingen is verarmd terwijl [appellante] daardoor is verrijkt. Daarnaast heeft de rechtbank [appellante] veroordeeld in de beslag- en proceskosten, met nakosten en rente, het vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen. 2.2. Ter toelichting op haar incidentele vordering heeft [appellante] het volgende aangevoerd. De toewijzing van de vorderingen van Keltech is uitsluitend gelegen in het feit dat volgens de rechtbank (het aanbod van) bewijs door [appellante] zou ontbreken ten aanzien van haar stelling dat zij met Keltech afspraken heeft gemaakt over de betaling door Keltech van huur en nutsvoorzieningen voor de woningen in [plaats] en [plaats] . De bewijslast rust echter op Keltech. [appellante] heeft belang bij de gevorderde schorsing, aangezien de rechtbank haar heeft veroordeeld tot betaling van een geldsom en er beslag is gelegd op haar woning in [plaats] . Zij wijst erop dat executieverkoop van de woning in [plaats] geen, althans slechts een geringe, netto-opbrengst zal opleveren, gezien de hoogte van de hypotheekschuld en de bewoonde staat van de woning. De woning is namelijk aan een gezin, bestaande uit een man, een vrouw en hun éénjarige dochter, verhuurd en die huurovereenkomst zal in beginsel onaangetast blijven bij verkoop. Ook is niet gebleken dat bij Keltech door schorsing van de tenuitvoerlegging een noodtoestand zal ontstaan. De onderhavige zaak betreft maandelijkse bankoverschrijvingen in de periode van april 2019 tot en met augustus 2020 en pas op 12 maart 2021, ruim acht maanden na de laatste betaling, heeft Keltech zich op het standpunt gesteld ter zake een vordering op [appellante] te hebben. Dit duidt erop dat Keltech geen spoedeisend belang heeft bij tenuitvoerlegging van het vonnis. Verder geldt dat, voor zover al sprake zou zijn van ongerechtvaardigde verrijking, de verrijking ter hoogte van € 20.375,75 reeds is genoten wegens huurgenot door [appellante] , voor zover het de betalingen voor de huurwoning in [plaats] (gebruikt voor bewoning door [appellante] en kantoorruimte door Keltech) betreft. Voor zover het de betalingen voor haar woning in [plaats] betreft ter hoogte van € 22.302,00, geldt dat [appellante] op geen enkele wijze is verrijkt, omdat zij die woning heeft verhuurd aan Keltech voor de huisvesting van werknemers van Keltech. Het zou vergaande gevolgen hebben voor [appellante] , die tevens zorgdraagt voor twee kinderen van acht en een jaar oud, indien zij hangende de appelprocedure de door Keltech gevorderde bedragen dient te voldoen en haar woning door een executieverkoop wordt verkocht. Tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis hangende de appelprocedure zou dus tot onredelijke benadeling van [appellante] leiden, aldus nog steeds [appellante] . 2.3. Keltech heeft gemotiveerd verweer gevoerd, op gronden waarop hierna, voor zover van belang, zal worden ingegaan. 2.4. Bij de beoordeling van de vordering tot (onder bepaling van een voorwaarde) schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, waarin de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad niet is gemotiveerd, stelt het hof het volgende voorop (vgl. HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026). Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. Bij de toepassing van deze maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.