afdeling strafrecht parketnummer: 23-001897-21 datum uitspraak: 21 april 2022 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 17 juni 2021 in de strafzaak onder parketnummer 15-266943-20 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1987, adres: [adres 1], thans gedetineerd in PI Noord Holland Noord, Unit Zuyder Bos te Heerhugowaard. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 april 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: primair hij op of omstreeks 22 oktober 2020 te Zwanenburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, immers heeft verdachte meerdere malen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp puntig voorwerp die [slachtoffer] in de buik, althans in het lichaam gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair hij op of omstreeks 22 oktober 2020 te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een doorboorde buikwand en/of een gedeeltelijke verwijderde (dunne) darm, heeft toegebracht door meerdere malen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp puntig voorwerp die [slachtoffer] in de buik, althans in het lichaam te steken; meer subsidiair hij op of omstreeks 22 oktober 2020 te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer [slachtoffer] heeft mishandeld door meerdere malen, althans eenmaal (met gebalde) vuist) in het gezicht, althans tegen het lichaam, te slaan waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De steller van de tenlastelegging heeft blijkens de inhoud van het dossier kennelijk en onmiskenbaar het oog gehad op vermelding van de naam [slachtoffer], in plaats van [slachtoffer], zoals in de tenlastelegging onder primair is vermeld. Gelet op de overige tekst van de tenlastelegging en nu ter zitting is gebleken dat de verdediging heeft begrepen wat aan de verdachte is tenlastegelegd en waartegen zij verweer kon voeren, zal het hof de tenlastelegging onder primair verbeterd lezen, zodat [slachtoffer] wordt vervangen door [slachtoffer]. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof komt tot een enigszins andere bewezenverklaringen en een andere straf zal opleggen. Voorts zal het hof een andere bewijsoverweging opnemen alsook een overweging ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard en heeft daartoe – kort weergegeven – het volgende aangevoerd. De verhoren van getuigen zijn verkeerd uitgewerkt, op een wijze die past bij het verhaal van de recherche en niet past bij wat daadwerkelijk is gezegd, hetgeen alleen door het opvragen van een letterlijke uitwerking door de verdediging aan het licht is gekomen. Het is daarom onmogelijk gebleken om af te gaan op wat de politie heeft opgeschreven. Het kan niet anders dan dat dit verbaliseren in strijd met de feitelijke gang van zaken doelbewust is gebeurd. De rechtbank is hierdoor misleid. Dit betreffen ernstige vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek. Daarnaast zijn enkele verhoren, in strijd met de Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten (verder: de Aanwijzing), helemaal niet opgenomen, waardoor de verdediging die verhoren niet kan toetsen. Het gevolg van de onherstelbare – en deels herstelde – vormverzuimen moet zijn dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wordt verklaard, nu geen sprake meer is van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), aangezien de rechtbank doelbewust is misleid, er niet meer kan worden afgegaan op hetgeen de politie heeft geverbaliseerd en de waarheidsvinding daardoor feitelijk onmogelijk is gemaakt. Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de raadsman dient te worden verworpen. De verhoren die later letterlijk zijn uitgewerkt, lijken aanvankelijk door de politie niet geheel juist te zijn geverbaliseerd, hetgeen slordig is, maar dat betekent niet dat de rechtbank door het openbaar ministerie bewust is misleid. Met de letterlijke uitwerking van de in twijfel getrokken gedeeltes van de verhoren is voldoende compensatie geboden voor het vormverzuim. Omdat van misleiding geen sprake is geweest en het vormverzuim voldoende is gecompenseerd, is het recht op een eerlijk proces – ‘as a whole’ – als bedoeld in artikel 6 EVRM, niet geschonden. Oordeel van het hof Onder een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv wordt verstaan het niet naleven van strafprocesrechtelijke geschreven en ongeschreven voorschriften in het voorbereidend onderzoek. Indien sprake is van een dergelijk vormverzuim dat niet hersteld kan worden en waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken, moet de rechter aan de hand van een belangenafweging – waaronder het belang van de waarheidsvinding – beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. In het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, vindt niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging plaats, aldus vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – ‘the proceedings as a whole were not fair’. Tot slot biedt de voornoemde maatstaf in beginsel geen ruimte voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in gevallen waarin zich een of meer vormverzuimen hebben voorgedaan die aanvankelijk het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van de zaak in het gedrang hebben gebracht, maar die in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen. Het hof constateert dat de in het dossier opgenomen uitwerkingen van de verhoren van de getuigen en het slachtoffer alsook het telefoongesprek tussen het slachtoffer en [naam] niet letterlijk overeenkomen met de later door de raadsman verzochte en verkregen letterlijke uitwerkingen van delen van die verhoren. Niet is vereist dat van dergelijke verhoren een letterlijke uitwerking wordt gegeven en een zakelijke weergave daarvan is toegestaan, maar vereist is wel dat de inhoud en strekking ervan bij de uitwerkingen door de verbalisanten geen geweld wordt aangedaan. Met de raadsman is het hof van oordeel dat – op enkele onderdelen van voornoemde verhoren – door de verbalisanten niet geheel overeenkomstig de feitelijke gang van zaken is geverbaliseerd. Deze schending van de verbaliseringsplicht is naar het oordeel van het hof te kwalificeren als een vormverzuim, nu het uitwerken van de verhoren op een onzorgvuldige wijze is gebeurd. Evenwel bieden het dossier en het verhandelde ter zitting naar het oordeel van het hof geen aanknopingspunten waaruit volgt dat de verbalisanten bewust hebben getracht het openbaar ministerie of de rechtbank te misleiden. Het hof overweegt verder dat de fouten die zijn gemaakt in de uitwerkingen zijn hersteld door de letterlijke uitwerking daarvan – waardoor de inhoud van de processen-verbaal getoetst kan worden en fouten zijn verbeterd – en dus geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Betreffende enkele verhoren van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] is het toetsen van de inhoud van de processen-verbaal niet mogelijk, omdat de opnames van die verhoren niet (meer) beschikbaar zijn. In zoverre is sprake van een vormverzuim. Hoewel de verdediging daardoor in haar mogelijkheden tot het toetsen van die processen-verbaal is beperkt, was zij wel in de gelegenheid om nadere verzoeken te doen tot het verrichten van onderzoek om de inhoud van deze processen-verbaal alsnog te toetsen, waarbij valt te denken aan het opnieuw (doen) horen van deze getuigen. De verdediging heeft geen gebruik gemaakt van die (compenserende) mogelijkheid tot het indienen van verzoeken tot het doen van onderzoek. Gelet daarop is het hof van oordeel dat dit vormverzuim geen onherstelbare inbreuk vormt op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze kan worden gecompenseerd en die het verstrekkende oordeel kan dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – ‘the proceedings as a whole were not fair’. Uit het voorgaande volgt dat naar het oordeel van het hof geen sprake is van een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak, dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Het verweer wordt dan ook verworpen. Bewijsoverweging Standpunt verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, nu niet bewezen is dat de verdachte het slachtoffer heeft gestoken. De raadsman heeft daartoe – kort weergegeven – het volgende aangevoerd. Niet is gebleken dat het slachtoffer buiten de woning van [getuige 1] niemand anders heeft gezien dan de man die de ambulance heeft gebeld. Daarnaast blijkt uit het verhoor van [getuige 3] niet dat zij heeft gezien dat de verdachte in de woning stekende bewegingen maakte naar het slachtoffer. Ook blijkt niet dat het slachtoffer tijdens het telefoongesprek met [naam] heeft gezegd dat de verdachte hem heeft gestoken. Daardoor kunnen geen stellige conclusies worden getrokken over het steken in de woning. Daarnaast is er veel ontlastend bewijs, namelijk dat geen bloed in de woning is aangetroffen terwijl in de woning niet is schoongemaakt, niemand een mes of steekbewegingen heeft gezien en geen van de getuigen er van uitging dat het slachtoffer in de woning was gestoken. Het is buitengewoon onaannemelijk dat het slachtoffer in de woning is gestoken, terwijl het ook mogelijk is dat hij buiten is gestoken. Oordeel van het hof De verdachte is in de nacht van 22 oktober 2020 naar een huisfeest in Zwanenburg gegaan, alwaar hij, ook naar eigen zeggen, in een vechtpartij is geraakt met het slachtoffer. De verdachte is tijdens het gevecht, zoals hij zelf heeft verklaard, ‘los gegaan’ op het slachtoffer en heeft hem op het bovenlichaam en in het gezicht geslagen. De aanwezige getuigen hebben de verdachte en het slachtoffer uit elkaar gehaald, waarop het slachtoffer naar de voordeur is begeleid. Het slachtoffer is buiten tussen auto’s gaan zitten. Hij werd gepasseerd door een man, aan wie hij heeft gevraagd om het alarmnummer te bellen. Het slachtoffer is in het ziekenhuis met spoed geopereerd. Zonder deze ingreep zou hij zijn overleden aan de verwonding(en). De forensisch arts heeft met betrekking tot het letsel van het slachtoffer geconcludeerd dat, nu onder meer een grote lichaamsader in de buikholte is geraakt, hij diep gestoken moet zijn, met hetzij een lang scherp voorwerp, ofwel met een wat korter mes, maar dan met veel kracht. Daarmee staat voldoende vast dat de verwondingen van het slachtoffer zijn veroorzaakt door het steken met een mes of een ander scherp puntig voorwerp. Dit geldt temeer nu enige aanwijzing ontbreekt die erop zou kunnen wijzen dat het slachtoffer deze verwondingen op een andere wijze heeft opgelopen. De verdachte heeft ontkend het slachtoffer te hebben gestoken en het slachtoffer noch een van de aanwezige getuigen heeft verklaard te hebben gezien dat de verdachte een mes of ander scherp voorwerp in zijn handen had of dat het slachtoffer bloedde. Met betrekking tot de primaire beschuldiging dient het hof de vraag te beantwoorden of op basis van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het slachtoffer heeft geprobeerd te doden door deze met een mes, dan wel een ander scherp puntig voorwerp, in de buik te steken. Vast staat dat de verdachte de enige is geweest die in de woning een conflict heeft gehad met het slachtoffer en met hem in een gevechtssituatie is beland. Het dossier en het verhandelde ter terechtzitting bieden onvoldoende steun aan de door de verdediging geopperde mogelijkheid dat de verwondingen buiten de woning van [getuige 1] aan het slachtoffer zijn toegebracht. Daarbij hecht het hof met name belang aan de verklaring van het slachtoffer – wanneer hem wordt gevraagd of hij buiten nog iemand anders is tegengekomen – inhoudende dat hij na het verlaten van de woning de man is tegengekomen die het alarmnummer heeft gebeld, dat deze hem niet heeft gestoken en dat hij buiten verder met niemand anders heeft gesproken. Dat de steekverwonding(en) in de woning aan het slachtoffer is/zijn toegebracht, past bovendien bij de verklaring van [getuige 1], inhoudende dat zij, terwijl zij het slachtoffer na diens treffen met de verdachte richting de uitgang van haar woning begeleidde, bij de buik van het slachtoffer ‘iets witachtigs en vleeskleurigs’ zag. Deze waarneming komt overeen met de bevindingen van de verbalisant die in de ambulance zag dat een stuk darm buiten het lichaam van het slachtoffer hing. Dat in de woning ondanks de verwondingen van het slachtoffer geen bloed is aangetroffen, staat aan voornoemde conclusie niet in de weg nu, volgens de forensisch arts, bij een diepe steekwond het bloed mogelijk pas later door de steekopeningen naar buiten stroomt wanneer de buikholte is volgelopen met bloed en dat bij een grote steekwond, waarbij de darmen naar buiten puilen, geen sprake hoeft te zijn van noemenswaardig bloedverlies. Dat het de verdachte is geweest die het slachtoffer heeft gestoken, vindt bevestiging in de verklaring van [getuige 3], inhoudende dat zij de verdachte in de woning bewegingen heeft zien maken richting het slachtoffer, waarbij het volgens haar kon zijn dat hij stond te steken. Het hof overweegt hieromtrent nog dat uit de nadere uitwerkingen van haar verhoor weliswaar is gebleken dat de getuige niet precies zo heeft verklaard als in het proces-verbaal van haar verhoor is opgenomen, maar dat verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] wel op ambtsbelofte dan wel op ambtseed hebben verklaard dat zij zagen hoe zij stekende bewegingen aan de verbalisanten heeft voorgedaan. Het hof heeft geen reden om aan deze bevindingen van de verbalisanten te twijfelen. Op grond van de voorgaande feiten en omstandigheden, tezamen en in onderling verband beschouwd, is het hof van oordeel dat het alleen de verdachte kan zijn geweest die het slachtoffer in de buik heeft gestoken. Uit de conclusies van forensisch arts [arts] volgt dat de kans groot was dat het slachtoffer als gevolg van zijn opgelopen verwondingen was doodgebloed. Het is ook algemeen bekend dat zich in de buikstreek vitale organen en bloedvaten bevinden en dat het in de buikstreek (met kracht) steken met een mes of ander puntig voorwerp de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer oplevert. Het handelen van de verdachte, die naar eigen zeggen ‘los ging’, kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm niet anders worden aangemerkt dan zozeer te zijn gericht op de dood van de verdachte, dat het niet anders kan dan dat deze de aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer ook bewust heeft aanvaard. Het hof acht de primair tenlastegelegde poging tot doodslag dan ook wettig en overtuigend bewezen. Het door de raadsman gedane beroep op variaties van noodweer behoeft geen inhoudelijke bespreking nu dat, gelet op de inhoud daarvan en de plaats in het pleidooi, duidelijk uitsluitend is gericht op de meer subsidiaire beschuldiging van mishandeling, aan de bespreking waarvan het hof niet toekomt. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 22 oktober 2020 te Zwanenburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes, althans een scherp puntig voorwerp, [slachtoffer] in de buik heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten heeft het hof verbeterd gelezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Bewijsmiddelen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.